Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.5.4.5
IV.5.4.5 Toerekenen, toerekenen, toerekenen, toerekenen
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460432:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het gaat hierbij eigenlijk om de strafrechtelijke betekenis van ‘toerekening’ in het kader van de objectieve zijde van het delict: zie par. II.3.4.5. Deze toepassing van de term toerekening is in het burgerlijk recht niet gebruikelijk, maar verschijnt toch in dit proefschrift omdat ik de strafrechtelijke toerekeningsformule (de verruimde IJzerdraad-criteria) gebruik om houvast te bieden bij de vraag of een leidinggevende in strijd heeft gehandeld met een wettelijk voorschrift in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW. Zie par. IV.5.3.2 onder het kopje ‘B) Het objectieve bestanddeel’.
HR 6 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8595, NJ 1980/34, m.nt. Brunner (Kleuterschool Babbel). Zie hierover uitvoerig Asser/Sieburgh 6-IV 2019/325 e.v.; Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/196 e.v.; en Asser/Kortmann 3-III 2017/145 e.v.
Westenbroek 2017, p. 362-363. In dezelfde zin De Valk 2009, p. 51-52.
Zie hieromtrent met verdere verwijzingen Westenbroek 2017, par. 10.4.6.
Beoefenaren van het aansprakelijkheidsrecht rekenen nogal wat toe. Het begrip toerekenen wordt veelvuldig en in verschillende contexten gebruikt. Telkens gaat het om de juridische verantwoordelijkheid van een persoon voor een bepaalde handeling of gebeurtenis. Maar wat toerekenen precies betekent, verschilt per gebruikscontext. Voor de broodnodige verduidelijking van dit homoniem, bespreek ik hierna hoe ik de verschillende toepassingen van toerekening begrijp. Van iedere toepassing bespreek ik het object, de vereisten en de gevolgen van de toerekening.
In de eerste plaats kan de term toerekening worden gebruikt in het kader van de onrechtmatigheidsvraag, meer specifiek in het kader van de beoordeling of het objectieve bestanddeel van een wettelijk voorschrift is vervuld.1 Het object van de toerekening betreft een bepaalde handeling van een ander. Vereist voor de toerekening is dat de leidinggevende over de handeling kan beschikken en deze ook heeft aanvaard (de IJzerdraad-criteria). Het gevolg van de toerekening is dat de gedraging van een ander wordt gezien als een uitvloeisel van de eigen gedragingen van degene die wordt aangesproken, waardoor de aangesprokene wordt geacht zelf het objectieve bestanddeel van het geschonden voorschrift te vervullen. Let wel, door de toerekening is er nog geen sprake van een onrechtmatige handeling in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW: de toerekening ziet immers alleen op het objectieve bestanddeel. Als het geschonden voorschrift bijvoorbeeld ook een kwalitatief of subjectief bestanddeel bevat dat de aangesprokene niet kan vervullen, dan is er geen sprake van strijd met het betreffende voorschrift.
Ten tweede is er – zoals in deze paragraaf wordt besproken – de toerekening in de zin van artikel 6:162 lid 3 BW. Hierbij is geen sprake van een onrechtmatigheidsvraag – als niet wordt voldaan aan het vereiste van artikel 6:162 lid 2 BW valt er immers niets toe te rekenen aan de dader – maar hier staat de persoon van de dader centraal en zijn relatie tot de onrechtmatige daad (in de enge zin van het woord2). Het object van de toerekening betreft een inbreuk op een recht, of een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of het ongeschreven recht. Vereist voor de toerekening is een bepaalde mate van verwijtbaarheid, of de toerekening moet verlopen krachtens wet of verkeersopvatting. Het gevolg van de toerekening is dat aan het tweede vereiste voor de onrechtmatige daad (in de ruime zin van het woord) wordt voldaan.
Ten derde is er de redelijke toerekening van schade in de zin van artikel 6:98 BW. Deze toerekening vindt niet plaats in de vestigingsfase van de aansprakelijkheid, maar in de omvangsfase. Het object van de toerekening zijn de schadelijke gevolgen van de onrechtmatige daad. Als vereisten voor de toerekening wordt de ‘Brunner-methode’ gebruikt; een multifactorbenadering met gezichtspunten die de rechter houvast kunnen bieden om te bepalen welke schadelijke gevolgen vallen in de schuld- of risicosfeer van de aangesprokene. Het gevolg van de toerekening is dat de aangesprokene gehouden is tot de vergoeding van de schade die op grond van artikel 6:98 BW in redelijkheid aan hem kon worden toegerekend.
Het begrip toerekening wordt ook gebruikt in het kader van het Kleuterschool Babbel-criterium, voor de aansprakelijkheid van een rechtspersoon voor de handelingen van in zijn organisatie werkzame personen.3 Hoe deze vorm van toerekening zich precies verhoudt tot de toerekening in het kader van 6:162 lid 3 BW is nog niet uitgekristalliseerd. Wat mij betreft kan het Kleuterschool Babbel-criterium worden gezien als een invulling van toerekening krachtens verkeersopvatting in de zin van artikel 6:162 lid 3 BW. Jansen schaart deze vorm van toerekening ook onder artikel 6:162 lid 3, maar expliciteert niet onder welke toerekeningsgrond.4 Westenbroek schrijft daarentegen dat het Kleuterschool Babbel-criterium voor de toerekening van gedragingen en kennis aan rechtspersonen juist niet moet worden verward met toerekening in het kader van artikel 6:162 lid 3 BW, en brengt het criterium in verband met de daderschapsvraag in de zin van artikel 6:162 lid 1 BW.5 Sieburgh wijst erop dat op grond van het Kleuterschool Babbel-criterium een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld krachtens artikel 6:162 BW, maar laat in het midden hoe dit criterium zich verhoudt tot de vereisten van de onrechtmatige daad.6
Er zijn nog andere vormen van toerekenen die in het kader van dit proefschrift niet direct relevant zijn, maar die ik hier kort zal aanstippen om duidelijk te maken wat ik niet bedoel met toerekenen in de zin van artikel 6:162 lid 3 BW. Ten eerste kan worden gedacht aan het toerekenen van (rechts)handelingen aan de rechtspersoon op grond van de wettelijke vertegenwoordigingsregels (o.a. art. 3:66 BW), waardoor een rechtspersoon verbintenissen aan kan gaan.7 Het woord toerekenen wordt ook wel gebruikt in het kader van de kwalitatieve aansprakelijkheden van artikel 6:169-172 BW. Anders dan bij artikel 6:162 lid 3 BW het geval is, wordt bij kwalitatieve aansprakelijkheid de aangesprokene niet zelf aangemerkt als ‘dader’ van de onrechtmatige daad, maar wordt de aangesprokene vanwege zijn kwaliteit (zoals ouder of werkgever) aansprakelijk gesteld voor de schade die is veroorzaakt door de onrechtmatige daad van een ander.
Enige verwarring omtrent toerekening kan een aansprakelijkheidsrechtjurist niet worden aangerekend. Ik hoop dat overzicht van de betekenissen en toepassingen van toerekening enige duidelijkheid kan brengen over wat er telkens wordt toegerekend, welke vereisten ervoor gelden en wat de gevolgen zijn van de toerekening.