Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.3.1.4:6.3.1.4 Aanbevelingen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.3.1.4
6.3.1.4 Aanbevelingen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS611453:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Onbekend (V)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Stevens (2004) meent dat het aanbeveling verdient om het fiscale partnerschap te beperken tot gehuwden en geregistreerde partners, omdat alleen voor die twee categorieën sprake is van ‘zorgverbonden partnerschap’. Naar zijn mening past het bij een draagkrachtheffing om het begrip ‘partner’ te beperken tot situaties waarin een dergelijke duurzame zorgrelatie bestaat. Alleen in deze situaties zouden partners in de gelegenheid moeten worden gesteld om inkomens- en vermogensbestanddelen aan elkaar toe te rekenen. Naast het begrip ‘zorgverbonden partner’ zou volgens Stevens een afzonderlijk, materieel ingevuld begrip ‘gelieerde samenwoner’ moeten worden ontwikkeld. Dit begrip is nodig om bepaalde transacties en situaties andere fiscale gevolgen te geven, indien sprake is van gelieerde verhoudingen. Het begrip ‘gelieerde samenwoner’ zou kunnen gelden ter vervanging van het begrip ‘verbonden persoon’ in art. 3.6 en 3.46 Wet IB 2001, en voor de meetrekregeling van het ‘aanmerkelijk belang’ van art. 4.10 Wet IB 2001.
Ik onderschrijf het nut van dit onderscheid tussen de ‘partner’ en de ‘gelieerde samenwoner’. Het eerdergenoemde verschil tussen de facilitaire functie en de vereenzelvigingsfunctie van het partnerbegrip komt hierin namelijk treffend tot uitdrukking. Op basis van dit onderscheid zouden faciliteiten alleen voor een beperkte kring van partners kunnen gelden. Voorts zouden in regelingen met een antimisbruikkarakter de handelingen of bezittingen van een ruimere kring van verbonden personen kunnen worden toegerekend aan de belastingplichtige.
In dit verband meen ik dat ongehuwde samenwoners ook als ‘partner’ moeten kunnen worden aangemerkt. Zoals in hoofdstuk 5 is beschreven, is de sociaal-maatschappelijke betekenis van het huwelijk de afgelopen decennia aanzienlijk gewijzigd. Ongehuwd samenwonen heeft een volwaardige plaats verworven naast het huwelijk, en laat ten opzichte van trouwen nog steeds een flinke toename zien. Het fenomeen is dan ook niet meer weg te denken uit onze maatschappij. Uit onderzoek blijkt een tendens dat paren veelal eerst ongehuwd samenwonen, om eventueel pas daarna te trouwen. Veel ongehuwd samenwonende paren hebben echter kennelijk niet de intentie om ooit te trouwen. Ongehuwd samenwonen kan daarom meer en meer worden beschouwd als een manier om vorm te geven aan een volwaardige relatie. Deze trend moet naar mijn mening ook fiscaal worden gevolgd. Uit demografisch onderzoek blijkt echter dat relaties van ongehuwde samenwoners minder stabiel zijn dan die van gehuwden: het risico van relatieontbinding is hoger bij ongehuwde samenwoners. In dit verband lijkt het optionele karakter van hun partnerschap daarom nog niet zo slecht. Bezien vanuit de facilitaire functie acht ik een dergelijke keuzemogelijkheid voor samenwoners ook niet bezwaarlijk. Echter, op basis van de huidige regeling van art. 1.2 Wet IB 2001 kunnen ongehuwde samenwoners hun keuze voor het partnerschap elk jaar herzien. Net als Stevens vind ik dat deze jaarlijkse keuzemogelijkheid te vrijblijvend is. Naar mijn mening zou sprake moeten zijn van een eenmalige keuze, waarop slechts kan worden teruggekomen bij beëindiging van de relatie.
Op basis van het vorenstaande zou ik de contouren van het begrip ‘partner’ voor de inkomstenbelasting als volgt willen schetsen:
De echtgenoot, geregistreerde partner en de ‘ongehuwd samenlevende’, ofwel de ‘levensgezel’ met wie de belastingplichtige een ‘gezamenlijke huishouding’ voert, worden als ‘partner’ aangemerkt.
De keuzemogelijkheid voor ongehuwde partners is eenmalig: herziening van de keuze is slechts mogelijk bij beëindiging van de relatie.
De keuzemogelijkheid is bovendien afhankelijk van nadere voorwaarden, zoals meerderjarigheid, het voeren van een ‘gezamenlijke huishouding’ in de zin van art. 26 paragraaf 2 lid 3 Leidraad INV 1990 en inschrijving op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke basisadministratie.
Dit partnerbegrip heeft slechts een facilitaire functie; de vereenzelvigingsfunctie en antiontgaansfunctie wordt in de door mij voorgestelde benadering overgenomen door het begrip ‘verbonden persoon’. In laatstgenoemd begrip is naar mijn mening geen plaats voor een keuzemogelijkheid voor partners. Dit past niet bij de antiontgaansfunctie die dit begrip heeft. Bij de analyse van de verschillende begrippen ‘verbonden persoon’ in paragraaf 6.3.4 tot en met 6.3.6 wordt dit nader uitgewerkt.