Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes
Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/2.2.3:2.2.3 Overige aspecten
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/2.2.3
2.2.3 Overige aspecten
Documentgegevens:
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947864:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Burkens e.a. 2022, p. 233.
Van der Pot/Elzinga, Hoogers & De Lange 2014, p. 174.
Kortmann/Bovend’Eert e.a. 2021, p. 370.
Burkens e.a. 2022, p. 230.
Zie ook CDL-AD(2012)027rev van de Venice Commission (31 januari 2013), Report on democracy, limitation of mandates and incompatibility of political functions, par. 11.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De regering beperkt zich in haar opsomming in de memorie van toelichting dus tot enkele van de meest voor de hand liggende aspecten van de democratie (grondrechten, bevoegdheden van de Staten-Generaal, enzovoorts). Naast de genoemde aspecten bestaan er verschillende andere constitutionele regels die uitdrukking geven aan het democratieprincipe of daarmee op zijn minst in verband gebracht kunnen worden. De afwezigheid van deze elementen is opvallend, zelfs wanneer men de begrijpelijke terughoudendheid van de grondwetgever bij het definiëren van ‘de democratie’ in aanmerking neemt. Ik zal hieronder eerst ingaan op enkele algemene aspecten die in de toelichting bij de Algemene bepaling onbenoemd blijven. Vervolgens komen enkele elementen aan bod die direct verband houden met het verloop van de verkiezingen (en in het licht van dit onderzoek in volgende hoofdstukken een verdere bespreking verdienen).
Ten eerste blijft de meerderheidsregel (artikel 67 lid 2 Gw) onvermeld. Dat is onbegrijpelijk: deze regel vormt immers de basis van de democratische besluitvorming. Welke kenmerken men een democratie verder ook toedicht, in ieder geval vereist een democratisch besluit dat een meerderheid van de volksvertegenwoordiging met het besluit instemt.1 De regel berust op het uitgangspunt dat alle meningen gelijkwaardig zijn. De eerlijkste manier om tot een besluit te komen, is daarom het volgen van de wil van de meerderheid.2
Hoewel de memorie van toelichting melding maakt van het belang dat burgers worden betrokken bij de vaststelling van regels waaraan zij zelf gebonden worden, blijft onvermeld dat de democratie daarom de aanwezigheid van een parlement vereist dat over wetgevende macht beschikt.3 Naast het door de regering geformuleerde uitgangspunt dat het parlement de regering ter verantwoording moet kunnen roepen, is de rol van het parlement in een democratie ook gelegen in het hebben van een medebeslissingsrecht. De grondwetsartikelen die de wetsprocedure betreffen (artikel 81-88 Gw) nemen daarom een centrale plaats in binnen de Nederlandse democratie. Gewezen zij bijvoorbeeld op de gedeelde wetgevingsbevoegdheid van regering en Staten-Generaal (artikel 81 Gw) en het in artikel 84 Gw vervatte wijzigings- en amendementsrecht.
Een ander aspect van de democratie, waar de regering in de memorie van toelichting slechts zijdelings aandacht aan besteedt, is het beginsel van openbaarheid van bestuur.4 De regering noemt de openbaarheid van vergaderingen van de Staten-Generaal (artikel 66 Gw) als voorbeeld van een controlebevoegdheid van de volksvertegenwoordiging op de uitvoerende macht.5 Mijns inziens is artikel 66 Gw niet zozeer van belang voor de relatie tussen Staten-Generaal en regering, maar eerder voor die tussen burger en volksvertegenwoordiger. Burgers moeten op de hoogte kunnen blijven van het doen en laten van degenen die hen vertegenwoordigen, zodat zij daarvoor ter verantwoording geroepen kunnen worden. Bovendien heeft openbaarheid tot gevolg dat volksvertegenwoordigers zich er bewust van zijn dat de kiezer meekijkt en dus zorgvuldiger te werk zullen gaan.6 Niet alleen de vergaderingen van de Staten-Generaal moeten openbaar zijn; openbaarheid van bestuur in bredere zin is een belangrijk democratisch aspect.7 Dat belang is ook af te leiden uit andere (grond)wettelijke regelingen, zoals artikel 80 Gw, dat de openbaarheid van adviezen van de Raad van State en andere colleges van advies voorschrijft, en artikel 93 Gw, op grond waarvan een ieder verbindende verdragsbepalingen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties, pas verbindende kracht hebben nadat zij zijn bekendgemaakt. Tot slot verdient ook de op artikel 110 Gw gestoelde Wet open overheid vermelding.
Verkiezingen
Naast deze meer algemene democratische uitgangspunten die in de toelichting op de Algemene bepaling niet naar voren komen, zijn er verschillende onvermelde elementen van de democratie aan te wijzen die specifiek betrekking hebben op het verkiezingsverloop. Slechts de aanwezigheid van actief en passief kiesrecht, teneinde de burgers invloed te geven op het vaststellen van de regels waaraan zij zelf gebonden worden, en andere grondrechten die politieke participatie en pluralisme mogelijk moeten maken, worden genoemd. De verschillende aspecten van het kiesrecht worden verder uitgewerkt in de hoofdstukken 6, 7 en 8.
In de toelichting op de Algemene bepaling besteedt de regering wel aandacht aan het kiesrecht, maar niet aan het kiesstelsel. Dat is opvallend, nu dit stelsel in essentie bepaalt hoe de bij verkiezingen uitgebrachte stemmen worden ‘vertaald’ in Kamerzetels. Zonder een adequaat functionerend kiesstelsel kan van een democratie niet gesproken worden. De kern van het Nederlandse kiesstelsel wordt gevormd door het in 1917 ingevoerde artikel 53 lid 1 Gw, waarin het beginsel van evenredige vertegenwoordiging is vastgelegd. Het Nederlandse kiesstelsel benadert een welhaast mathematische evenredigheid, waarin iedere stem even zwaar weegt en zo weinig mogelijk stemmen ‘verloren’ gaan. Op de vormgeving van het Nederlandse kiesstelsel en de daaraan ten grondslag liggende gedachten, die een nadere duiding kunnen geven aan het Nederlandse democratiebegrip en uiting geven aan de visie van de (Grond)wetgever op het verloop van de verkiezingen, gaat hoofdstuk 4 verder in.
Daarnaast is het representatieve karakter van de democratie een belangrijk kenmerk.8 Verschillende bepalingen in de Grondwet geven uitdrukking aan deze representatiegedachte. Zij bepalen de verhouding tussen enerzijds de volksvertegenwoordigers en anderzijds de politieke partijen waaraan zij zich verbonden hebben en de kiezers die de leden van de volksvertegenwoordiging kiezen. Het gaat daarbij om de artikelen 50 en 67 lid 3 Grondwet, die beide in 1814 in de Grondwet zijn opgenomen en sindsdien slechts beperkte tekstuele wijzigingen hebben ondergaan. Daarnaast zijn voor het representatieve karakter van de democratie de politieke partijen van essentieel belang. Over de politieke partij merkte ik al op dat het niet verwonderlijk is dat deze in de toelichting bij de Algemene bepaling buiten beschouwing blijft, nu de Grondwet van het fenomeen geen melding maakt. Zowel de rol van politieke partijen als het representatieve karakter van de democratie wordt verder besproken in hoofdstuk 5.