Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/4.2.2
4.2.2 Overige impasses (geen blokkade in de besluitvorming)
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS465580:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Een uitzondering vormt bijvoorbeeld OK 15 mei 2001, JOR 2001, 145 (De Jong’s Timmerfabriek Bergambacht, m.nt. Josephus Jitta). Deze procedure is gestart door Hout- en Bouwbond CNV. De bestuurder heeft gelden aan de vennootschap onttrokken waardoor liquiditeitsproblemen zijn ontstaan. De continuïteit van de door de vennootschap uitgeoefende onderneming, waarin circa 80 mensen werkzaam zijn, loopt hierdoor gevaar.
Onder andere: p-v 12 november 1998, JOR 1999, 30 (Houdstermaatschappij De Zuider Ster); OK 26 juli 2002, ARO 2002, 121 en OK 17 maart 2005, ARO 2005, 39 (Masa Transportation); OK 17 november 2003, ARO 2003, 175 (Dolphin Watercompany); OK 22 juli 2005, ARO 2005, 121 (Arthromed).
Vergelijk OK 31 juli 2003, ARO 2003, 130 (Citylens): als gevolg van omstandigheden die op zichzelf uitsluitend de persoonlijke levenssfeer betreffen, zijn de verhoudingen tussen de vader enerzijds en zijn twee zoons anderzijds zeer ernstig verstoord geraakt. Aldus ook OK 28 februari 2005, ARO 2005, 34, r.o. 3.5 (Dodo Beheer).
Zie onder andere: p-v 22 juli 1999, rekestnr. 596/99 OK (Navemar); p-v 6 april 2000, rekestnr. 254/2000 OK (Beheermaatschappij P. van der Wegen); OK 3 november 2000, JOR 2001, 7 resp. p-v 1 februari 2001, JOR 2001, 89 (Houthandel C. van Duijn & Zonen); OK 1 maart 2001, JOR 2001, 106 (Hercules Bennekom); OK 18 april 2002, JOR 2002, 187 (Mega Electra Groep Amsterdam); OK 4 juni 2003, ARO 2003, 94 (Interieurbouw Tom).
Onder andere: OK 20 december 2001, rekestnr. 981/2001 OK (Omnifood); OK 29 augustus 2002, ARO 2002, 151 (Case Packing Sales Europe); OK 31 oktober 2002, ARO 2003, 1 (ZDS Trading and Real Estate); OK 3 mei 2006, ARO 2006, 97 (Bonne Route Holding); OK 27 september 2007, ARO 2007, 161 (Heem Estate); OK 29 mei 2009, ARO 2009, 84 (Triple E).
Vergelijk p-v 9 december 1999, JOR 2000, 96 (Buro Onderweegs-van Gelder).
P-v 23 maart 2000 resp. OK 27 april 2000, rekestnr. 128/2000 OK (Leather Design Van der Eerden).
OK 4 januari 2005, ARO 2005, 5 resp. OK 19 juli 2005, ARO 2005, 118 (Het Bouwburo Beheer).
OK 28 april 2004, ARO 2004, 64, r.o. 3.5 (SCUA Holding).
90. In een eveneens groot aantal zaken is ten gevolge van de verdeling van de zeggenschap de besluitvorming binnen de vennootschap niet geblokkeerd, maar zijn de verhoudingen tussen de aandeelhouders1niettemin ernstig en ook vaak blijvend verstoord.2 Ook in de onderhavige groep procedures zijn de tegenstellingen veelal het gevolg van structurele verschillen van inzicht op zakelijk dan wel persoonlijk vlak (de procedures betreffen ook thans in een aantal gevallen familievennootschappen3). In een deel van de zaken worden echter (eveneens) concrete bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken binnen de vennootschap aangevoerd. Zo wordt door verzoekers beweerd dat het bestuur c.q. de enige bestuurder gelden heeft onttrokken aan de vennootschap dan wel tegenstrijdig belangtransacties heeft verricht, als gevolg waarvan de vennootschap is benadeeld en soms liquiditeitsproblemen zijn ontstaan.4 Ook in andere opzichten is, zo wordt gesteld, de meerderheidspositie misbruikt. Een aantal minderheidsaandeelhouders en -certificaathouders voert aan dat zij structureel in hun belangen worden geschaad, bijvoorbeeld omdat de informatieverschaffing – soms rond (mogelijke) tegenstrijdig-belangachtige activiteiten – door het bestuur gebrekkig is, het bestuur geen AVA’s bijeenroept en/of geen jaarrekeningen opmaakt respectievelijk publiceert, waardoor ook geen winst wordt uitgekeerd.5 In een enkel geval beklaagt een minderheidsaandeelhouder zich erover dat zijn medeaandeelhouders hem ‘uitroken’.6
Het geplaatste kapitaal van Leather Design Van der Eerden bestaat uit 400 aandelen. [S] (tevens middellijk enig statutair bestuurder) en [O] (lid van het managementteam) houden ieder middellijk 140 aandelen. De overige 120 aandelen zijn in handen van de personal holding van [E] (eveneens lid van het managementteam). [E] verzoekt om het instellen van een onderzoek en het treffen van onmiddellijke voorzieningen. Reden hiervoor is onder meer dat de AVA op enig moment heeft besloten ten laste van de bedrijfsresultaten van de vennootschap aan uitsluitend [S] en [O], ‘ieder ter zake van pretense geleverde bijzondere inspanningen’, bonussen toe te kennen van telkenjare ƒ 100 000, terwijl de resterende winst is toegevoegd aan de algemene reserve. Aldus wordt op een niet te aanvaarden wijze inbreuk gemaakt op de in beginsel te betrachten gelijke behandeling van de onderscheiden aandeelhouders zoals die is neergelegd in de statuten van de vennootschap.7 [B], minderheidsaandeelhouder van Het Bouwburo Beheer, voert soortgelijke bezwaren aan. Hij stelt dat hij door de meerderheidsaandeelhouders, die tevens het bestuur vormen, wordt benadeeld en ‘uitgerookt’ en dat Beheer haar bijzondere zorgplicht ten opzichte van hem heeft geschonden en schendt door deze situatie te laten (voort)bestaan. Zijn voornaamste punt van bezwaar vormt de omstandigheid dat de AVA heeft besloten bonussen van in totaal € 106 000 uit te keren aan de drie bestuurders, hoewel de arbeidsovereenkomsten hierin niet voorzien. Bovendien staat dit bedrag niet in verhouding tot de geconsolideerde jaarwinst die daardoor bijna wordt gehalveerd.8 Uit het gedrag van drie van de vijf 20%-aandeelhouders van SCUA Holding kan worden afgeleid dat het niet hun bedoeling is dat de vennootschap nog langer voortbestaat: de Ondernemingskamer vreest dat zij aansturen op een snelle ontvlechting van de groep waarbij, voor zover al niet wordt aangestuurd op het faillissement van de vennootschap, in ieder geval het risico dat zij failliet gaat op de koop toe wordt genomen. De aandeelhouders lijken zich meer bezig te houden met de vraag hoe zij eventuele aansprakelijkheden kunnen ontlopen dan met de vraag of en, zo ja, op welke wijze de Rotterdamse activiteiten kunnen worden voortgezet.9