Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/2.2.3.2
2.2.3.2 Een ieder die een bedrijf uitoefent
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180089:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
T.J. Dorhout Mees, Kort begrip van het Nederlands handelsrecht, Haarlem: De Erven F. Bohn 1961, derde druk, p. 21.
C.H. Pastoor, De grondbegrippen van ons handelsrecht (diss. Utrecht), Arnhem: G.W. van der Wiel & Co 1942, p. 25 en 33-36.
J. Rutgers, Openlegging en overlegging van boekhouding (diss. Groningen), Zwolle: Uitgevers-maatschappij W.E.J. Tjeenk Willink 1949, p. 74 en A.W.J. van Vrijberghe de Coningh, Handelsrecht, Wetboek van Koophandel en de tot het Handelsrecht behorende wettelijke regelingen (losbladig), Deventer/Djakarta: Uitgevers-mij Ǣ.E. Kluwer, p. 4.
Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen, Tweede Kamer, vergaderjaar 1932- 1933, nr. 253.3 (MvT), p. 4.
Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen, Tweede Kamer, vergaderjaar 1932- 1933, nr. 253.3 (MvT), p. 6.
Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen, Tweede Kamer, vergaderjaar 1932- 1933, nr. 253.3 (MvT), p. 6.
Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen, Tweede Kamer, vergaderjaar 1933- 1934, nr. 72.1 (V.V.), p.1 en Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen, Tweede Kamer, vergaderjaar 1933-1934, nr. 72.2 (MvA), p. 5.
C.H. Pastoor, De Grondbegrippen van ons handelsrecht (diss. Utrecht), Arnhem: G.W. van der Wiel & Co 1942, p. 29.
Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen, Tweede Kamer, vergaderjaar 1933- 1934, nr. 72.2 (MvA), p. 5 en C.H. Pastoor, De grondbegrippen van ons handelsrecht (diss. Utrecht), Arnhem: G.W. van der Wiel & Co 1942, p. 29.
Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen, Tweede Kamer, vergaderjaar 1933- 1934, nr. 72.2 (MvA), p. 6.
Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen, Tweede Kamer, vergaderjaar 1933-1934, nr. 72.2 (MvA), p. 6 en C.H. Pastoor, De grondbegrippen van ons handelsrecht (diss. Utrecht), Arnhem: G.W. van der Wiel & Co 1942, p. 29. Voor verdere jurisprudentie over het begrip bedrijf ook A.W.J. van Vrijberghe de Coningh, Handelsrecht, Wetboek van Koophandel en de tot het Handelsrecht behorende wettelijke regelingen (losbladig), Deventer/Djakarta: Uitgevers-mij Ǣ.-E. Kluwer, p. 6-7, W.L.P.A. Molengraaff, herzien door C.W. Star Busmann, Chr. Zevenbergen, met medewerking van G.H.C. Bodenhausen, Leidraad bij de beoefening van het Nederlandse Handelsrecht, Haarlem: De Erven F. Bohn 1953, negende druk, p. 48 e.v. en H.F.A. Völlmar, Het Nederlands Handelsrecht, eerste deel, Haarlem, H.D. Tjeenk Willink & Zoon 1946, zesde bijgewerkte druk, p. 16-17.
C.H. Pastoor, De grondbegrippen van ons handelsrecht (diss.Utrecht), Arnhem: G.W. van der Wiel & Co 1942, p. 32.
Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen, Eerste Kamer, vergaderjaar 1933-1934, nr. 72.72 (MvA), p. 3 en C.H. Pastoor, De grondbegrippen van ons handelsrecht (diss. Utrecht), Arnhem: G.W. van der Wiel & Co 1942, p. 31.
Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen, Eerste Kamer, vergaderjaar 1933-1934, nr. 72.72 (MvA), p. 3 en C.H. Pastoor, De grondbegrippen van ons handelsrecht (diss. Utrecht), Arnhem: G.W. van der Wiel & Co 1942, p. 31.
Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen, Tweede Kamer, vergaderjaar 1933- 1934, nr. 72.2 (MvA), p. 5 en 6 en J. Valkhoff, Bepalingen over boekhouding en administratie, Amsterdam: Uitgeverij FED 1962, eerste druk, p. 12.
Met ingang van 1 januari 1935 werd in het Wetboek van Koophandel de koopman vervangen door een ieder die een bedrijf uitoefent. Het begrip “bedrijf” had niet zozeer een juridische achtergrond maar een economische1 en werd al in andere wetten gebruikt2. Toch kreeg het bedrijf in de zin van het Wetboek van Koophandel geen wettelijk gedefinieerde betekenis.3 Uit de parlementaire geschiedenis valt echter wel het nodige op te maken over de visie van de wetgever over de betekenis van het begrip bedrijf.
Doel van de wetswijziging die leidde tot de wijziging van artikel 6 WvK was te komen tot een einde aan het onderscheid tussen de koopman en de niet-koopman en de handelsdaad en de niet-handelsdaad. In plaats van de koopman komt een ieder die een bedrijf uitoefent in diverse wetten centraal te staan. Als gevolg van de maatschappelijke ontwikkelingen stond niet langer de inhoud van de handelsdaad of het kopen van waren centraal, maar het feit dat deze worden verricht in de uitoefening van een bedrijf.4 Daarmee werd bedrijf ook het centrale begrip in onder meer het Wetboek van Koophandel.
De verplichting tot boekhouden werd in het Wetboek van Koophandel uitdrukkelijk niet opgelegd aan degene die een beroep uitoefent.5 De minister vond dat het te ver ging om van bijvoorbeeld ambtenaren op grond van het bezit van die kwaliteit te vergen dat zij van hun inkomen en vermogen een behoorlijke administratie zouden voeren. Bovendien, zo voegde de minister toe, betekent het enkele feit dat iemand een beroep uitoefent niet per se dat geen verplichting tot boekhouden bestaat, aangezien voor het uitoefenen van bepaalde beroepen specifieke verplichtingen gelden. Zo noemde de minister de notaris. Hij is ambtenaar en oefent een beroep uit. Het Wetboek van Koophandel verplicht hem niet een boekhouding te voeren maar de Notariswet wel. Overigens merkte de minister ook op dat de termen beroep en bedrijf niet twee elkaar uitsluitende begrippen zijn:6
“De uitoefening van een beroep kan zoo geschieden, dat zij wordt tot de uitoefening van een bedrijf. In een groot accountantskantoor zal daarom een deugdelijke boekhouding niet mogen ontbreken.”
De Commissie voor Privaat- en Strafrecht vroeg om een wettelijke omschrijving van het begrip bedrijf en een duidelijke afbakening ten opzichte van het uitoefenen van een beroep.7 Deze commissie stelde vast dat het ontwerp van wet en de toelichting daarop onvoldoende zekerheid gaven over de vraag wat onder het voeren van een bedrijf werd verstaan en op welke wijze de afbakening zou moeten plaatsvinden tussen bedrijf en beroep.
De minister was geen voorstander (“ernstig betwijfelen”) van het definiëren van bedrijf in het Wetboek van Koophandel op eenzelfde wijze als in de Handelsregisterwet, waarin werd gesproken over “tak van handel of nijverheid in den ruimsten zin”. Dit leidde tot nog meer onzekerheid dan het begrip bedrijf omdat de termen handel en nijverheid weliswaar een meer bepaalde inhoud hadden maar de toevoeging “ in de ruimste zin” vervaagde de grenzen aan die begrippen vervolgens weer.8 De minister gaf toe dat de algemene term bedrijf weliswaar scherpte mist maar dat “doorgaans niet moeilijk [valt] vast te stellen, of iemand een bedrijf uitoefent. De opvatting van het verkeer wijst de weg.”. Naar de mening van de minister werd van een bedrijf slechts dan gesproken “als de betrokkene regelmatig en openlijk in zekere kwaliteit optreedt om voor zich zelf winst te behalen”.9
Ook met deze omschrijving van het begrip bedrijf bleef discussie mogelijk. In de Memorie van Antwoord kwam aan de orde waarom bij een apotheker de voorwaarden voor de aanwezigheid van een bedrijf wel vervuld werden geacht maar waarom een medicus, advocaat, procureur, notaris of deurwaarder een beroep uitoefent. Het antwoord van de minister was dat het bij de diensten van een geneesheer, de advocaat of procureur om hun persoonlijke kwaliteiten gaat en bij een notaris of deurwaarder om hun ambtelijke hoedanigheid. Die hoedanigheid geeft aan hun optreden een bijzonder karakter dat, naar de opvatting van het verkeer, met de uitoefening van een bedrijf onverenigbaar is. Hierbij wordt verwezen naar een beslissing van de Centrale Raad voor Beroep uit 1922, waarin geoordeeld is dat een zuiver adviserende architect geen bedrijf uitoefent.10 Bij de accountant kon worden getwijfeld over de vraag of er een speciaal cachet aan zijn dienstverlening gekoppeld is, aldus de minister. Wanneer de accountantsfirma zo is georganiseerd dat de individuele kwaliteiten van de firmanten op de achtergrond blijven en de verleende hulp van onpersoonlijke aard is, kan terecht gezegd worden dat er sprake is van een bedrijf.11
Uit de Memorie van Antwoord valt op te maken dat ook de minister wel aanvoelde dat de in het verkeer aan bedrijf gegeven betekenis niet vrij was van discussie maar hij was niet voornemens om te komen tot een definitie van bedrijf in het Wetboek van Koophandel. In zijn dissertatie uit 1942 is Pastoor kritisch op het standpunt van de minister om geen definitie van bedrijf op te nemen in het Wetboek van Koophandel terwijl op dit begrip het handelsrecht werd opgebouwd. Hij concludeerde:12
“Nu door de afwezigheid van een wettelijke definitie de duisternis van het onzekere heeft getriompheerd over het licht der rechtszekerheid, kunnen de rechtsgeleerde schrijvers en de rechtspraak weer met frisschen moed in plaats van den strijd over de fundamenteele begrippen van het oude handelsrecht dien over de beteekenis van het bedrijf hervatten.”
De minister was van mening dat het begrip bedrijf zich nog aan het ontwikkelen is en dat het daarom raadzaam was om van definiëring af te zien.13
Dat het moeilijk kon zijn een optreden naar buiten toe wel of niet te kwalificeren als het uitoefenen van een bedrijf, lag volgens de minister ook niet aan de onzekerheid ten aanzien van het begrip bedrijf wegens het ontbreken van een wettelijke definitie maar aan de verscheidenheid van manieren waarop eenzelfde soort van werkzaamheid kan worden verricht. De aanwezigheid van een bedrijf veronderstelt een regelmatig optreden naar buiten toe in eigen naam en ter verkrijging van inkomsten. Zij het dat er geen sprake is van een bedrijf wanneer de persoonlijke kwaliteiten of de ambtelijke hoedanigheid worden gezocht of wanneer iemand diensten verleent zonder dat in de eerste plaats het bereiken van financiële doeleinden wordt beoogd. De minister noemde – wederom – de accountant als voorbeeld:14
“De bijstand van den individueel optredende accountant wordt, naar men mag aannemen, om zijne persoonlijke kwaliteiten gezocht; hij heeft dus een beroep en niet een bedrijf. Zoodra eene naamlooze vennootschap de accountancy uitoefent, bestaat daarentegen reden aan een bedrijf te denken.”
Zonder expliciete definitie in het Wetboek van Koophandel maar met de beschrijving kenbaar uit de parlementaire geschiedenis, kan worden vastgesteld dat van een bedrijf in de zin van artikel 6 lid 1 WvK sprake is wanneer er (i) regelmatig, (ii) openlijk, (iii) in een zekere kwaliteit wordt opgetreden (iv) zonder dat persoonlijke kwaliteiten of ambtelijke hoedanigheid overheersend zijn en (v) met het oogmerk om voor zich zelf winst te behalen.15