Einde inhoudsopgave
Bijzonder ontslagprocesrecht (MSR nr. 67) 2015/7.3.3
7.3.3 ‘Equality of arms’ als doorbrekingsgrond
Mr. D.M.A. Bij de Vaate, datum 30-12-2014
- Datum
30-12-2014
- Auteur
Mr. D.M.A. Bij de Vaate
- JCDI
JCDI:ADS354715:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
HR 22 november 1996, NJ 1997, 205.
Vgl. Lindijer 2006, p. 376.
De werkgever had ook geen bewijs door middel van het horen van getuigen geleverd.
HR 16 maart 2007, NJ 2007, 637. Zie daarover ook § 6.3.3.2.
Vgl. concl. A-G Rank-Berenschot bij HR 11 juni 2010, JAR 2010/183. De A-G merkt in het kader van een klacht over verzuim van essentiële vormen op dat leidende gedacht is dat partijen gelijke kansen voor het aannemelijk maken van hun standpunt moeten hebben gehad en ook overigens een gelijkwaardige behandeling moeten hebben gekregen.
Hof ’s-Gravenhage 21 oktober 2009, JAR 2010/15.
In paragraaf 6.3.3.2 is betoogd dat uit de zaak Boukacem/Martinair1 afgeleid kan worden dat de Hoge Raad schending van het 'equality of arms'-principe als grond voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod aanmerkt.2 De werknemer in die zaak stelde dat de kantonrechter volledig voorbij was gegaan aan zijn bewijsaanbod, waardoor het beginsel van 'equality of arms' geschonden zou zijn. De Hoge Raad gaat niet in die klacht mee en overweegt:
'Beide partijen hebben gelijke kansen gehad voor het aannemelijk maken van hun standpunt en hebben ook overigens een gelijkwaardige behandeling gekregen.'
Niet kon worden volgehouden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling geen sprake was geweest.3 Er was geen reden het rechtsmiddelenverbod van art. 7:685 BW te doorbreken. Uit dit oordeel kan worden afgeleid, dat wanneer die gelijkheid voor partijen er niet was geweest, het rechtsmiddelenverbod doorbroken was wegens schending van het beginsel van 'equality of arms'. Het erkennen van het beginsel van 'equality of arms' als grond voor doorbreking kan bovendien afgeleid worden uit het arrest van de Hoge Raad van 16 maart 2007.4 De Hoge Raad overwoog in die zaak dat als grond voor cassatie, naast de in art. 80 RO genoemde gronden, ook moet worden aanvaard dat een 'zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken, zoals het geval is bij het niet inachtnemen van het contradictoire beginsel, waartoe behoort hoor en wederhoor, en het recht op gelijke behandeling (equality of arms)'.5
Kennelijk meent ook de Hoge Raad dat de kantonrechter in een ontbindingsprocedure, zelfs al is deze spoedeisend, het beginsel van 'equality of arms' in acht moet nemen. Zoals het Hof ’s-Gravenhage in zijn uitspraak van 21 oktober 2009 treffend verwoordt:
'Ook al zijn de regels met betrekking tot bewijslevering niet zonder meer van toepassing in een ontbindingsprocedure, neemt dit niet weg dat de kantonrechter gehouden is de beginselen van hoor en wederhoor en ‘equality of arms’ in acht te nemen'.6
Schendt de kantonrechter in een concreet geval tóch het beginsel van 'equality of arms', bijvoorbeeld door een aanbod tot getuigenbewijs af te wijzen onder vermelding van de spoedeisendheid van de zaak, terwijl dit voor de procespartij de enige mogelijkheid was bewijs te leveren, of door getuigenbewijs/horen van informanten door de ene partij wel toe te staan, terwijl de wederpartij op willekeurige gronden geen getuigen/informanten mag doen horen, dan kan deze schending door middel van doorbreking van het rechtsmiddelenverbod in hoger beroep geheeld worden.