Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.4.6:3.4.6 Andere Nichtleistungskondiktionen: Durchgriffskondiktion
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.4.6
3.4.6 Andere Nichtleistungskondiktionen: Durchgriffskondiktion
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS496257:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
§822 geeft een bijzondere aanspraak tot teruggave in de situatie dat de verrijkingsschuldenaar hetgeen hij behoorde terug te geven te goeder trouw en om niet heeft doorgegeven aan een derde. De verrijkingsschuldenaar zal zich dan kunnen beroepen op het verweer dat hij niet langer verrijkt is (§818 lid 3). Volgens §822 heeft de verrijkingsschuldeiser dan een directe aanspraak op afgifte tegen de derde. Deze aanspraak wordt Durchgriffskondiktion genoemd.
Een voorbeeld: A verkoopt en levert een zaak aan B. B schenkt de zaak aan C, waarna A zich beroept op de nietigheid van de koopovereenkomst AB. In het abstracte stelsel van eigendomsoverdracht dat in Duitsland geldt, is bij de levering de eigendom van de zaak overgegaan, ondanks de nietigheid van de koopovereenkomst. A heeft daarom alleen een verbintenisrechtelijke aanspraak tot terugbetaling tegen B, namelijk de condictio indebiti. Indien B te goeder trouw was toen hij de zaak schonk en leverde aan C, kan B tegen A’s vordering aanvoeren dat hij niet langer is verrijkt (§818 lid 3). A heeft daardoor geen aanspraken meer tegen B. §822 komt A te hulp en geeft hem een rechtstreekse vordering op C.
Medicus wijst erop dat een rechtstreekse vordering van A op C leidt tot een merkwaardig resultaat.1 Stel nu dat B te kwader trouw hetgeen hij van A heeft ontvangen, heeft geschonken aan C. B komt daarom geen beroep op §818 lid 3. A heeft dus een vordering tegen B, zodat het niet wenselijk is dat hij een vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking heeft tegen C. Stel nu dat A er toch niet in slaagt om van B terug te vorderen, bijvoorbeeld omdat B failliet is. Volgens het BGH kan A ook dan niet terugvorderen van C. 2Medicus betoogt dat C’s positie derhalve geheel afhangt van de goede trouw van B. Dit is echter een omstandigheid waarop C doorgaans geen invloed heeft.