Besluit van 16 juli 2005, Stb. 2005, 408.
HR, 21-11-2025, nr. 24/01586
ECLI:NL:HR:2025:1738
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21-11-2025
- Zaaknummer
24/01586
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Aanbestedingsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1738, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑11‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:135
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:207
ECLI:NL:PHR:2025:207, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑02‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1738
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑04‑2024
- Vindplaatsen
JAAN 2026/22 met annotatie van mr. J.W.A. Meesters
TBR 2026/49 met annotatie van D.M. van Broeckhuijsen, M.B. Klijn
JAAN 2025/53
Uitspraak 21‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Aanbestedingsrecht. Onrechtmatige daad. Vordering tot schadevergoeding tegen de Staat na HR 27 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:757), HvJEU 14 december 2016 (ECLI:EU:C:2016:948) en HR 6 juli 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1096). Klempositie als gevolg van nationale regelgeving enerzijds en aanbestedingsvoorwaarden anderzijds.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/01586
Datum 21 november 2025
ARREST
In de zaak van
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport),
zetelende te Den Haag,
EISER tot cassatie,
hierna: de Staat,
advocaat: J.W. de Jong,
tegen
CONNEXXION TAXI SERVICES B.V.,
gevestigd te IJsselmuiden,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Connexxion,
advocaat: H.J.W. Alt.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/09/583644 / HA ZA 19-1186 van de rechtbank Den Haag van 20 augustus 2020, 3 november 2021 en 4 mei 2022;
b. het arrest in de zaak 200.317.674/01 van het gerechtshof Den Haag van 23 januari 2024.
De Staat heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Connexxion heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en door de Staat mede door H.W. Volberda.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de Staat heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS) heeft op 10 juli 2012 een Europese aanbestedingsprocedure uitgeschreven voor de “dienstverlening sociaalrecreatief bovenregionaal vervoer voor mensen met een mobiliteitsbeperking” (hierna: de opdracht). Het product, bekend onder de naam ‘Valys’, houdt in dat personen binnen de doelgroep een reisbudget aan taxikilometers krijgen, waarmee zij gedurende het jaar vrij kunnen reizen. De opdracht heeft een minimale looptijd van drie jaar en negen maanden en vertegenwoordigt een waarde van ongeveer € 60 miljoen per jaar.
(ii) De aanbestedingsprocedure is nader omschreven in een “Beschrijvend document ‘Europese openbare aanbesteding van de dienstverlening sociaalrecreatief bovenregionaal vervoer voor mensen met een mobiliteitsbeperking’ ten behoeve van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport” (hierna: het beschrijvend document). De paragraaf “Uitsluitingsgronden en Geschiktheidseisen” van het beschrijvend document vermeldt onder 3.1 onder meer:
“Een Inschrijving waarop een Uitsluitingsgrond van toepassing is wordt terzijde gelegd en komt niet in aanmerking voor verdere (inhoudelijke) beoordeling.”
(iii) Voor de uitsluitingsgronden verwijst het beschrijvend document naar de bijlage “Uniforme eigen verklaring aanbestedingen” (hierna: de Eigen verklaring) die door de inschrijvers moet worden ingevuld en als verplichte bijlage aan de inschrijving moet worden toegevoegd. Het beschrijvend document vermeldt in dit verband:
“Hiermee (…) verklaart Inschrijver dat op hem geen Uitsluitingsgronden (zie punt 2 en 3 van de Uniforme eigen verklaring aanbestedingen) van toepassing zijn door ondertekening van de Uniforme eigen verklaring aanbestedingen.”
(iv) De Eigen verklaring verwijst naar art. 45 van het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten1.(hierna: Bao) en vermeldt welke facultatieve uitsluitingsgronden van toepassing zijn op de aanbestedingsprocedure. Van de inschrijver wordt onder meer gevraagd te verklaren dat “zijn onderneming of een bestuurder ervan in de uitoefening van zijn beroep niet een ernstige fout heeft begaan”.
(v) Onder andere Connexxion en de Combinatie, bestaande uit Transvision, RMC en ZCN, hebben deelgenomen aan de aanbestedingsprocedure.
(vi) In oktober 2012 heeft VWS aan Connexxion meegedeeld dat haar inschrijving op de tweede plaats is geëindigd en dat het voornemen bestaat de opdracht te gunnen aan de Combinatie.
(vii) In november 2012 heeft de (voormalige) Nederlandse Mededingingsautoriteit op de voet van art. 56 lid 1 Mededingingswet boetebeschikkingen vastgesteld in zaken over taxivervoer in de regio Rotterdam. Wegens overtreding van art. 6 Mededingingswet zijn aan RMC boetes opgelegd van € 4.564.000,-- en € 3.741.000,--, en aan de BIOS-groep, waarvan ZCN deel uitmaakt, een boete van € 643.000,--. Daarnaast zijn aan zes leidinggevenden van (onder meer) RMC en de BIOS-groep boetes opgelegd tot € 120.000,-- per persoon.De geconstateerde overtredingen betreffen enerzijds afspraken tussen RMC en de BIOS-groep, gemaakt in de periode van december 2007 tot en met augustus 2010, en anderzijds afspraken tussen RMC en een derde partij in de periode van april 2009 tot en met maart 2011.
(viii) In februari 2013 heeft VWS aan Connexxion meegedeeld dat de beslissing om de opdracht aan de Combinatie te gunnen, wordt gehandhaafd, ondanks voormelde boetebeschikkingen. VWS heeft daarbij onder meer vermeld dat uitsluiting op grond van de uitsluitingsgrond “ernstige beroepsfout” niet proportioneel zou zijn.
(ix) Connexxion heeft vervolgens in kort geding onder meer een verbod gevorderd om de opdracht aan de Combinatie te gunnen. Connexxion heeft daartoe aangevoerd dat VWS in strijd met het aanbestedingsrecht heeft gehandeld door de uitsluiting van de Combinatie op evenredigheid te toetsen. De Combinatie is in het geding tussengekomen. De voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 17 april 20132.de vordering van Connexxion toegewezen.
(x) De Staat (VWS) en de Combinatie hebben hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. In hoger beroep heeft de Combinatie gevorderd de Staat te gebieden om de opdracht aan haar te gunnen. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 3 september 20133.het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd, de vorderingen van Connexxion afgewezen en de Staat geboden de opdracht, zo hij deze nog wenst te vergeven, te gunnen aan de Combinatie. Het heeft daartoe onder meer overwogen dat VWS na de vaststelling dat sprake was van een ernstige beroepsfout, nog ruimte had om een evenredigheidstoets uit te voeren.
(xi) VWS heeft vervolgens de opdracht aan de Combinatie gegund en met ingang van 1 januari 2014 een vervoersovereenkomst gesloten met de Combinatie.
(xii) Connexxion heeft cassatieberoep ingesteld tegen het hiervoor onder (x) genoemde arrest van 3 september 2013. Bij arrest van 27 maart 20154.heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat het onderhavige geval hierdoor wordt gekenmerkt dat de aanbestedende dienst in de aanbestedingsvoorwaarden heeft verklaard dat een inschrijving waarop een uitsluitingsgrond van toepassing is, terzijde wordt gelegd en niet in aanmerking komt voor verdere (inhoudelijke) beoordeling, en dat niettemin de beslissing om de opdracht te gunnen aan een bepaalde inschrijver, is gehandhaafd nadat door de aanbestedende dienst was vernomen en vastgesteld dat aan de zijde van die inschrijver een ernstige beroepsfout in de zin van de aanbestedingsvoorwaarden was begaan (rov. 3.5.2). Voorts heeft de Hoge Raad als volgt overwogen:
“3.5.6 In art. 45 lid 3 Bao zijn de facultatieve uitsluitingsgronden van art. 45 lid 2, eerste alinea, van de Richtlijn volledig overgenomen. De Nota van toelichting op art. 45 lid 3 Bao houdt omtrent de toepassing van die uitsluitingsgronden onder meer in dat de beoordeling of daadwerkelijk tot uitsluiting wordt overgegaan, gelet op de algemene uitgangspunten van de Richtlijn, steeds proportioneel en niet-discriminatoir dient te zijn; elke aanbestedende dienst behoort in het concrete geval na te gaan, afhankelijk van de aard en omvang van de opdracht, de aard en omvang van de fraude en de maatregelen die het bedrijf inmiddels heeft genomen, of een bedrijf van inschrijving moet worden uitgesloten (Stb. 2005/408, p. 79-80).
3.5.7
In het onderhavige geval is in de aanbestedingsvoorwaarden (onder meer) de facultatieve uitsluitingsgrond van art. 45 lid 3, onder d, Bao van toepassing verklaard (…). Gelet op hetgeen hiervoor in 3.5.6 is vermeld, verplicht het nationale recht een aanbestedende dienst ertoe om bij toepasselijkheid van een in art. 45 lid 3 Bao opgenomen facultatieve uitsluitingsgrond aan de hand van het evenredigheidsbeginsel te bepalen of daadwerkelijk uitsluiting van de betrokken inschrijver moet volgen.
(…)
3.7.2
Zoals hiervoor in 3.5.7 is overwogen, verplicht het nationale recht de aanbestedende dienst om na de vaststelling dat een ernstige beroepsfout is begaan, met toepassing van het evenredigheidsbeginsel te bepalen of daadwerkelijk uitsluiting moet volgen.”
De Hoge Raad heeft vervolgens onder meer de volgende prejudiciële vragen voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU):
“1. a. Verzet het Unierecht, in het bijzonder art. 45 lid 2 van de Richtlijn 2004/18/EG betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, zich ertegen dat het nationale recht een aanbestedende dienst verplicht met toepassing van het evenredigheidsbeginsel te beoordelen of daadwerkelijk uitsluiting moet volgen van een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan?
b. Is hierbij van belang dat een aanbestedende dienst in de aanbestedingsvoorwaarden heeft opgenomen dat een inschrijving waarop een uitsluitingsgrond van toepassing is, terzijde wordt gelegd en niet in aanmerking komt voor verdere beoordeling?”
(xiii) Het HvJEU heeft deze vragen bij arrest van 14 december 20165.als volgt beantwoord:
“1) Het Unierecht, in het bijzonder artikel 45, lid 2, van richtlijn 2004/18/EG (…), verzet zich er niet tegen dat een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding een aanbestedende dienst verplicht met toepassing van het evenredigheidsbeginsel te beoordelen of een gegadigde voor een overheidsopdracht die een ernstige beroepsfout heeft begaan, daadwerkelijk moet worden uitgesloten.
2) De bepalingen van richtlijn 2004/18, met name die van artikel 2 van deze richtlijn en van bijlage VII A, punt 17, daarbij, gelezen tegen de achtergrond van het beginsel van gelijke behandeling en van de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een aanbestedende dienst besluit om een overheidsopdracht te gunnen aan een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan, op de grond dat de uitsluiting van deze inschrijver van de aanbestedingsprocedure in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel, terwijl een inschrijver die een dergelijke beroepsfout heeft begaan volgens de aanbestedingsvoorwaarden voor deze opdracht zonder meer moest worden uitgesloten, zonder dat wordt nagegaan of deze sanctie al dan niet evenredig is.”
(xiv) Het HvJEU heeft ten aanzien van het antwoord onder 2) onder meer overwogen:
“35 Uit de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling volgt dat de aanbestedende diensten over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken inzake de invoering van de voorwaarden voor de toepassing van artikel 45, lid 2, van richtlijn 2004/18 – dat ziet op het geval van facultatieve uitsluiting wegens een door een ondernemer begane ernstige beroepsfout – in de aanbestedingsstukken, alsmede bij de daadwerkelijke toepassing daarvan.
36 Het kan niet worden uitgesloten dat de betrokken aanbestedende dienst na de opstelling van de desbetreffende aanbestedingsdocumenten van mening is dat, afhankelijk van de aard van de opdracht en het gevoelige karakter van de prestaties waarop deze betrekking heeft alsmede van de daaruit voortvloeiende vereisten op het gebied van professionele integriteit en betrouwbaarheid van de ondernemers, het begaan van een ernstige beroepsfout moet leiden tot de automatische weigering van de inschrijving en uitsluiting van de inschrijver die de fout beging, mits bij de beoordeling van de ernst van die fout het evenredigheidsbeginsel wordt geëerbiedigd.
37 Een dergelijke clausule, die is opgenomen in de aanbestedingsstukken en ondubbelzinnig is geformuleerd – zoals dit in de aanbestedingsprocedure in het hoofdgeding het geval is –, kan alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende ondernemers in staat stellen kennis te nemen van de vereisten van de aanbestedende dienst en de voorwaarden van de opdracht, opdat zij dienovereenkomstig kunnen handelen.
38 Wat de vraag betreft of de aanbestedende dienst verplicht is dan wel de mogelijkheid heeft om, krachtens de relevante nationale regeling, na de indiening van de inschrijvingen, of zelfs na de selectie van de inschrijvers, te onderzoeken of een krachtens een uitsluitingsgrond wegens een ernstige beroepsfout verrichte uitsluiting in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, terwijl een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan volgens de aanbestedingsvoorwaarden voor deze opdracht zonder meer moest worden uitgesloten, zonder dat wordt nagegaan of deze sanctie al dan niet evenredig is, zij eraan herinnerd dat de aanbestedende dienst nauwgezet de door hemzelf vastgestelde criteria in acht dient te nemen (zie in die zin arrest van 10 oktober 2013, Manova, C‑336/12, EU:C:2013:647, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak) met het oog op, met name, bijlage VII A, punt 17, bij richtlijn 2004/18.
39 Bovendien vereist het beginsel van gelijke behandeling dat alle inschrijvers bij het indienen van hun inschrijving dezelfde kansen krijgen, exact de procedurele verplichtingen kunnen kennen en er zeker van kunnen zijn dat deze verplichtingen voor alle concurrenten gelden (zie in die zin arrest van 2 juni 2016, Pizzo, C‑27/15, EU:C:2016:404, punt 36).
40 Evenzo impliceert de transparantieverplichting dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze in de aankondiging van de opdracht of in het bestek worden geformuleerd, opdat alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende ondernemers de juiste draagwijdte ervan kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier kunnen interpreteren (zie in die zin arrest van 2 juni 2016, Pizzo, C‑27/15, EU:C:2016:404, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 Aangaande de toetsing van de evenredigheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde uitsluiting zij opgemerkt dat bepaalde belanghebbende ondernemers, terwijl zij op de hoogte zijn van de in de aanbestedingsstukken opgenomen uitsluitingsgrond en weten dat zij een beroepsfout hebben begaan die als ernstig zou kunnen worden gekwalificeerd, geneigd zouden kunnen zijn een inschrijving in te dienen in de hoop te worden vrijgesteld van de uitsluiting op basis van een later onderzoek van hun situatie met toepassing van het evenredigheidsbeginsel, overeenkomstig de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, terwijl andere ondernemers, die zich in een vergelijkbare situatie bevinden, er daarentegen van zouden kunnen afzien een dergelijke inschrijving in te dienen, doordat zij af zijn gegaan op de termen van deze uitsluitingsgrond, die geen melding maken van een dergelijke evenredigheidstoetsing.
42 Deze laatste hypothese kan met name gevolgen hebben voor ondernemers van andere lidstaten, die minder bekend zijn met de termen en toepassingsvoorwaarden van de relevante nationale regeling. Dit geldt te meer in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin de verplichting voor de aanbestedende dienst om de evenredigheid te toetsen van een uitsluiting wegens een ernstige beroepsfout niet volgt uit de termen zelf van artikel 45, lid 3, van het Besluit, maar enkel uit de nota van toelichting bij deze bepaling. Volgens de gegevens die de Nederlandse regering in het kader van de procedure voor het Hof heeft verstrekt, is deze nota van toelichting op zichzelf niet bindend, maar dient zij enkel in aanmerking te worden genomen voor de uitlegging van voornoemde bepaling.
43 Derhalve kan de toetsing van de bewuste uitsluiting aan het evenredigheidsbeginsel, terwijl in de aanbestedingsvoorwaarden voor deze opdracht wordt bepaald dat inschrijvingen die onder een dergelijke uitsluitingsgrond vallen, zonder toetsing aan dit beginsel moeten worden uitgesloten, de belanghebbende ondernemers in onzekerheid brengen en het beginsel van gelijke behandeling en de eerbiediging van de verplichting tot transparantie ondermijnen.
44 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag, onder b), worden geantwoord dat de bepalingen van richtlijn 2004/18, met name die van artikel 2 van deze richtlijn en van bijlage VII A, punt 17, daarbij, gelezen tegen de achtergrond van het beginsel van gelijke behandeling en van de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een aanbestedende dienst besluit om een overheidsopdracht te gunnen aan een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan, op de grond dat de uitsluiting van deze inschrijver van de aanbestedingsprocedure in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel, terwijl een inschrijver die een dergelijke beroepsfout heeft begaan volgens de aanbestedingsvoorwaarden voor deze opdracht zonder meer moest worden uitgesloten, zonder dat wordt nagegaan of deze sanctie al dan niet evenredig is.”
(xv) In vervolg op het arrest van het HvJEU heeft de Hoge Raad op 6 juli 20186.het hiervoor onder (x) genoemde arrest van het gerechtshof Den Haag van 3 september 2013 vernietigd, het hiervoor onder (ix) genoemde vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 17 april 2013 bekrachtigd en daartoe onder meer het volgende overwogen:
“3.2.1 In deze zaak staat vast (a) dat in de aanbestedingsvoorwaarden van de aanbestedende dienst (het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; hierna: VWS) staat vermeld: “Een Inschrijving waarop een Uitsluitingsgrond van toepassing is wordt terzijde gelegd en komt niet in aanmerking voor verdere (inhoudelijke) beoordeling”, en (b) dat ingevolge het op deze aanbestedingsprocedure van toepassing zijnde ‘beschrijvend document’ onder meer een ernstige beroepsfout moet worden aangemerkt als een uitsluitingsgrond (…).
De zojuist bedoelde voorwaarden houden – zoals reeds besloten ligt in het tussenarrest van de Hoge Raad – onmiskenbaar in dat een inschrijver (zoals de Combinatie) die een ernstige beroepsfout heeft begaan, zonder meer van de opdracht wordt uitgesloten, derhalve zonder dat de beslissing tot uitsluiting nog door VWS op evenredigheid wordt getoetst.
3.2.2
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.1 is overwogen en op het hiervoor in 3.1.2 geciteerde antwoord onder 2) van het HvJEU, is geen andere conclusie mogelijk dan dat VWS in strijd heeft gehandeld met het beginsel van gelijke behandeling en de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting, door op grond van een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel de opdracht aan de Combinatie te gunnen, hoewel was vastgesteld dat laatstgenoemde een ernstige beroepsfout had begaan. De daarop gerichte klachten van onderdeel 2.a, die opkomen tegen het andersluidende oordeel van het hof in rov. 3.7, zijn dan ook gegrond.
Uit het vorenstaande volgt dat het hof in rov. 3.7 ten onrechte heeft geoordeeld dat grief 6 van de Combinatie en grief 1 van de Staat slagen. Die grieven waren gericht tegen het – juiste – oordeel van de voorzieningenrechter dat VWS, nadat was vastgesteld dat aan de zijde van de Combinatie sprake was van een ernstige beroepsfout, geen ruimte had om een evenredigheidstoets uit te voeren.”
2.2
In dit geding vordert Connexxion onder meer een verklaring voor recht dat de Staat (VWS) onrechtmatig heeft gehandeld jegens Connexxion door de Combinatie niet uit te sluiten en veroordeling van de Staat (VWS) tot vergoeding van de schade die is voortgekomen uit het onrechtmatig handelen. De schade moet volgens Connexxion worden vastgesteld op € 89.170.000,--.
2.3
De rechtbank7.heeft de vorderingen van Connexxion afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen (rov. 4.8) dat VWS in een klempositie verkeerde aangezien, ook als gunning aan de Combinatie achterwege was gebleven, nog steeds een intransparante aanbestedingsprocedure resteerde waarbij VWS, enerzijds, op grond van het Bao verplicht was om aan de hand van het evenredigheidsbeginsel te toetsen of bij een gebleken ernstige beroepsfout daadwerkelijk uitsluiting moest volgen, maar VWS tegelijkertijd in de formulering van de aanbestedingsvoorwaarden de verwachting had gewekt dat inschrijvers die een ernstige beroepsfout hadden begaan zonder toetsing aan het evenredigheidsbeginsel zouden worden uitgesloten. VWS zou volgens de rechtbank, als zij rechtmatig had gehandeld, tot heraanbesteding zijn overgegaan.
2.4
Het hof8.heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd. Het heeft voor recht verklaard dat de Staat (VWS) onrechtmatig heeft gehandeld jegens Connexxion door de Combinatie niet uit te sluiten en heeft de Staat (VWS) veroordeeld tot vergoeding van de schade die Connexxion dientengevolge heeft geleden, nader op te maken bij staat. Hiertoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:
“6.1 Grieven 1, 3 en 4 van [Connexxion] zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat VWS in een klempositie verkeerde vanwege de intransparante aanbestedingsprocedure en daarom tot heraanbesteding had moeten overgaan. Daarmee volgt de rechtbank het standpunt dat VWS in deze procedure heeft verdedigd.
6.2
Naar het oordeel van het hof leiden VWS en de rechtbank het bestaan van deze klempositie ten onrechte af uit de arresten van de Hoge Raad en het Hof van Justitie. Het hof zal dat hierna toelichten.
6.3
Het Hof van Justitie heeft in antwoord op vraag 1a) van de Hoge Raad overwogen dat het Unierecht, in het bijzonder artikel 45 lid 2 van Richtlijn 2004/18, zich niet verzet tegen een verplichting om met toepassing van het evenredigheidsbeginsel te beoordelen of een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan, moet worden uitgesloten. Bij de beantwoording van deze vraag heeft het Hof van Justitie niet betrokken dat een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan, volgens de aanbestedingsvoorwaarden zonder meer moest worden uitgesloten. Met die bepaling in de aanbestedingsvoorwaarden heeft het Hof van Justitie wel rekening gehouden bij de beantwoording van vraag 1b). Uit het antwoord op die vraag volgt dat als een dergelijke bepaling in de aanbestedingsvoorwaarden is opgenomen, deze bepaling zich verzet tegen gunning aan een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan. In rov. 37 overweegt het Hof van Justitie met betrekking tot een dergelijke bepaling:
“Een dergelijke clausule, die is opgenomen in de aanbestedingstukken en ondubbelzinnig is geformuleerd - zoals dit in de aanbestedingsprocedure in het hoofdgeding het geval is - kan alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende ondernemers in staat stellen kennis te nemen van de vereisten van de aanbestedende dienst en de voorwaarden van de opdracht, opdat zij dienovereenkomstig kunnen handelen”.
Een dergelijke bepaling is dus naar het oordeel van het Hof van Justitie transparant. Als een dergelijke bepaling in de aanbestedingsvoorwaarden is opgenomen, mogen de (potentiële) inschrijvers verwachten dat een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan, zonder meer wordt uitgesloten. Toetsing van de uitsluiting aan het evenredigheidsbeginsel kan in dat geval naar het oordeel van het Hof van Justitie “(…) de belanghebbende ondernemers in onzekerheid brengen en het beginsel van gelijke behandeling en de eerbiediging van de verplichting tot transparantie ondermijnen” (rov. 43).
6.4
Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest dus specifiek het oog op de intransparantie (en onzekerheid en ongelijke behandeling) die ontstaan als een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan, op grond van een evenredigheidstoetsing tot de aanbesteding wordt toegelaten, terwijl in de aanbestedingsvoorwaarden is bepaald dat een ernstige beroepsfout zonder meer tot uitsluiting leidt.
6.5
De Hoge Raad overweegt vervolgens in zijn eindarrest dat op grond van het antwoord van het Hof van Justitie op vraag 1b) “(…) geen andere conclusie mogelijk is dan dat VWS in strijd heeft gehandeld met het beginsel van gelijke behandeling en de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting, door op grond van een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel de opdracht aan de Combinatie te gunnen, hoewel was vastgesteld dat laatstgenoemde een ernstige beroepsfout had begaan”. Ook de Hoge Raad beziet de intransparantie (en ongelijke behandeling) dus vanuit het perspectief van de inschrijvers die afgaan op de bepaling in de aanbestedingsvoorwaarden dat een ernstige beroepsfout zonder meer tot uitsluiting leidt, en vervolgens worden geconfronteerd met gunning van de opdracht aan een inschrijver die zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige beroepsfout, maar niet is uitgesloten op grond van een evenredigheidstoets.
6.6
Noch het arrest van het Hof van Justitie, noch de arresten van de Hoge Raad rechtvaardigen dus het door de rechtbank als juist beoordeelde standpunt van VWS dat ook als gunning aan de Combinatie achterwege was gebleven, nog steeds een intransparante aanbestedingsprocedure resteerde.
6.7
Aan de veronderstelde klempositie ligt verder het uitgangspunt ten grondslag dat artikel 45 lid 3 Bao van dwingend recht was, en VWS op grond van artikel 45 lid 3 Bao dus verplicht was om de uitsluiting van de Combinatie wegens een ernstige beroepsfout op evenredigheid te toetsen, ook in een situatie waarin in de aanbestedingsvoorwaarden in afwijking van artikel 45 lid 3 Bao is bepaald dat een ernstige beroepsfout zonder meer tot uitsluiting leidt. Anders dan de rechtbank heeft geconcludeerd, valt ook dit niet uit de arresten van de Hoge Raad en het Hof van Justitie af te leiden.
6.8
Het Hof van Justitie heeft bij zijn beslissing tot uitgangspunt genomen de betekenis van artikel 45 lid 3 Bao volgens het tussenarrest van de Hoge Raad. Het Hof van Justitie gaat niet over de uitleg van bepalingen van nationaal recht, die aan de nationale rechter is voorbehouden. Het Hof van Justitie vermeldt slechts in zijn arrest dat de verplichting voor de aanbestedende dienst om de evenredigheid te toetsen van een uitsluiting wegens een ernstige beroepsfout niet volgt uit artikel 45 lid 3 Bao maar uit de Nota van toelichting, en dat volgens gegevens verstrekt door de Nederlandse regering, de Nota van toelichting op zichzelf niet bindend is, maar slechts in aanmerking moet worden genomen bij de uitleg van artikel 45 lid 3 Bao (rov. 42).
6.9
De Hoge Raad gaat in zijn vraagstelling aan het Hof van Justitie uit van het bestaan van een verplichting om op grond van artikel 45 lid 3 Bao, gelezen in samenhang met de Nota van toelichting, een evenredigheidstoets toe te passen. Daaruit volgt echter niet dat de Hoge Raad van oordeel is dat een aanbestedende dienst altijd een evenredigheidstoets moet toepassen, en daar niet in de aanbestedingsvoorwaarden van mag afwijken. Voor dat oordeel bestaat immers geen grond. Richtlijn 2004/18 laat lidstaten vrij om te bepalen dat een ondernemer die een ernstige beroepsfout heeft begaan, van een opdracht kan worden uitgesloten, en volgens hun nationale recht de voorwaarden voor de toepassing van deze bepaling vast te stellen (vgl. artikel 45 lid 2 van Richtlijn 2004/18). De Nederlandse wetgever heeft het aan de aanbestedende diensten overgelaten om die voorwaarden vast te stellen. Daarbij beschikken de aanbestedende diensten over een ruime beoordelingsvrijheid, zowel bij het verwerken van die voorwaarden in de aanbestedingsstukken als bij de toepassing ervan in de praktijk (vgl. rov. 36 van het arrest van het Hof van Justitie). Artikel 45 lid 3 Bao verzette zich er dus niet tegen dat VWS in de aanbestedingsvoorwaarden een bepaling opnam dat een ernstige beroepsfout automatisch tot uitsluiting zou leiden, en zou zich er ook niet tegen hebben verzet dat VWS de Combinatie op grond van die bepaling uitsloot toen bleek dat de Combinatie zich schuldig had gemaakt aan een ernstige beroepsfout.
6.10
Uit het voorgaande volgt dat grieven 1, 3 en 4 van [Connexxion] slagen. Indien VWS zich, toen zij op 28 oktober 2013 de opdracht aan de Combinatie gunde, ervan bewust was geweest dat dit niet geoorloofd was, bestond er geen juridisch beletsel voor het gunnen van de opdracht aan [Connexxion] en bestond er meer in het bijzonder geen verplichting over te gaan tot heraanbesteding. Van intransparantie zou geen sprake zijn geweest indien VWS de Combinatie zonder meer zou hebben uitgesloten op grond van een ernstige beroepsfout. In dat geval zou VWS immers de aanbestedingsvoorwaarden hebben toegepast waarvan alle (daadwerkelijke en potentiële) inschrijvers kennis hadden kunnen nemen. Potentiële inschrijvers die een ernstige beroepsfout hebben gepleegd en, afgaande op de voorwaarden van de aanbesteding, van inschrijving hebben afgezien, hebben dat terecht gedaan, want (ook) zij hadden zonder meer van inschrijving moeten worden uitgesloten. Inschrijvers die een ernstige beroepsfout hebben gepleegd en, afgaande op artikel 45 lid 3 Boa, hebben gespeculeerd op toepassing van een evenredigheidstoets, zijn in die verwachting mogelijk teleurgesteld omdat het Hof van Justitie en de Hoge Raad hebben beslist dat die toets voor deze aanbestedingsprocedure niet mocht worden uitgevoerd, maar enige intransparantie is daarin niet gelegen. Grief 2 hoeft in dit licht niet meer te worden besproken.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
De onderdelen 3.1 en 3.2 van het middel klagen in de kern dat het hof in de rov. 6.2-6.10 heeft miskend dat art. 45 lid 3 Bao zich ertegen verzette dat VWS in de aanbestedingsvoorwaarden een bepaling opnam dat een ernstige beroepsfout automatisch tot uitsluiting zou leiden met als gevolg dat VWS in een (klem)positie verkeerde. Deze klempositie bestond er volgens de onderdelen in dat VWS enerzijds op grond van het nationale recht verplicht was om na de vaststelling dat aan de zijde van de Combinatie een ernstige beroepsfout was begaan, met toepassing van een evenredigheidstoets te bepalen of daadwerkelijk uitsluiting van de opdracht moet volgen, terwijl VWS anderzijds op grond van de aanbestedingsvoorwaarden verplicht was om na de vaststelling dat aan de zijde van de Combinatie een ernstige beroepsfout was begaan, de Combinatie van de opdracht (automatisch) uit te sluiten, derhalve zonder dat de beslissing tot uitsluiting nog door VWS op evenredigheid zou worden getoetst.
3.2
Bij de beoordeling van deze klacht wordt het volgende vooropgesteld.
3.3
De onderhavige Europese openbare aanbesteding wordt beheerst door Richtlijn 2004/18/EG betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten9.(hierna: de Richtlijn) en door het Bao, waarin de Richtlijn is geïmplementeerd. In de onderhavige aanbestedingsprocedure is in de aanbestedingsvoorwaarden onder meer de facultatieve uitsluitingsgrond van art. 45 lid 3, onder d, Bao van toepassing verklaard (zie hiervoor in 2.1 onder (iv)). Art. 45 lid 3, aanhef en onder d, Bao bepaalt dat een aanbestedende dienst iedere ondernemer van deelneming aan een overheidsopdracht kan uitsluiten die in de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout heeft begaan, vastgesteld op een grond die de aanbestedende dienst aannemelijk kan maken.
3.4
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 maart 2015 (zie hiervoor in 2.1 onder (xii)) overwogen dat in art. 45 lid 3 Bao de facultatieve uitsluitingsgronden van art. 45 lid 2, eerste alinea, van de Richtlijn volledig zijn overgenomen en dat de Nota van toelichting op art. 45 lid 3 Bao omtrent de toepassing van die uitsluitingsgronden onder meer inhoudt dat de beoordeling of daadwerkelijk tot uitsluiting wordt overgegaan, gelet op de algemene uitgangspunten van de Richtlijn, steeds proportioneel en niet-discriminatoir dient te zijn; elke aanbestedende dienst behoort in het concrete geval na te gaan, afhankelijk van de aard en omvang van de opdracht, de aard en omvang van de fraude en de maatregelen die het bedrijf inmiddels heeft genomen, of een bedrijf van inschrijving moet worden uitgesloten.10.Gelet hierop heeft de Hoge Raad verder overwogen dat het nationale recht een aanbestedende dienst ertoe verplicht om bij toepasselijkheid van een in art. 45 lid 3 Bao opgenomen facultatieve uitsluitingsgrond aan de hand van het evenredigheidsbeginsel te bepalen of daadwerkelijk uitsluiting van de betrokken inschrijver moet volgen (hierna: de nationale regeling).11.Uit het arrest van het HvJEU van 14 december 2016 volgt dat het Unierecht, in het bijzonder art. 45 lid 2 van de Richtlijn, zich niet ertegen verzet dat de nationale regeling een aanbestedende dienst verplicht met toepassing van het evenredigheidsbeginsel te beoordelen of een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan, daadwerkelijk moet worden uitgesloten.12.
3.5
Hoewel de hiervoor in 2.1 onder (ii) geciteerde bepaling van het beschrijvend document in strijd was met de nationale regeling, volgt uit het arrest van het HvJEU van 14 december 2016 dat het VWS niet was toegestaan om na de vaststelling dat een inschrijver een ernstige beroepsfout heeft begaan, van de op basis van deze bepaling voorgeschreven automatische uitsluiting af te zien op grond van een door een krachtens de nationale regeling voorgeschreven evenredigheidstoets en op grond daarvan de opdracht aan de Combinatie te gunnen.13.Een dergelijke handelwijze is in strijd met het beginsel van gelijke behandeling en de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting. Het toepassen van een dergelijke evenredigheidstoets door VWS heeft tot gevolg dat VWS niet nauwgezet de door hemzelf vastgestelde criteria in acht neemt.14.De bepaling houdt namelijk onmiskenbaar in dat een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan, automatisch van de opdracht wordt uitgesloten, derhalve zonder dat de uitsluiting door VWS nog op evenredigheid wordt getoetst. Daarnaast is de omstandigheid dat een evenredigheidstoets zal worden toegepast voor een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende ondernemer onvoldoende duidelijk en voorzienbaar, gelet op de inhoud van de hiervoor in 2.1 onder (ii) geciteerde bepaling van het beschrijvend document, die uitgaat van een automatische uitsluiting in plaats van een evenredigheidstoets, en gelet op de mindere bekendheid van met name ondernemers uit andere lidstaten met de termen en toepassingsvoorwaarden van de relevante nationale regeling. Het door VWS toepassen van een dergelijke evenredigheidstoets heeft dan ook tot gevolg dat (potentiële) ondernemers niet dezelfde kansen hebben gekregen.15.
3.6
In de onderhavige procedure gaat het onder meer om de vraag of Connexxion schade heeft geleden doordat VWS de Combinatie niet heeft uitgesloten van de aanbesteding. Het bestaan en de omvang van schade dienen te worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen de feitelijke situatie waarin de normschending heeft plaatsgevonden en de hypothetische situatie waarin de normschending zou zijn uitgebleven.
3.7
Het hof heeft in rov. 6.9 overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat een aanbestedende dienst altijd een evenredigheidstoets moet toepassen en daar niet in de aanbestedingsvoorwaarden van mag afwijken. Dit oordeel is onjuist. Het Nederlandse recht verplicht een aanbestedende dienst (dwingendrechtelijk) ertoe om bij toepasselijkheid van een in art. 45 lid 3 Bao opgenomen facultatieve uitsluitingsgrond aan de hand van het evenredigheidsbeginsel te bepalen of daadwerkelijk uitsluiting van de betrokken inschrijver moet volgen.16.Tegelijkertijd verzet het Unierecht zich ertegen dat met toepassing van het evenredigheidsbeginsel de opdracht aan een inschrijver wordt gegund in een situatie waarin de aanbestedingsvoorwaarden van de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel geen melding maken. De onderdelen 3.1 en 3.2 klagen derhalve terecht dat het hof heeft miskend dat VWS in een klempositie verkeerde, die erin bestond dat VWS enerzijds op grond van het nationale recht verplicht was om na de vaststelling dat aan de zijde van de Combinatie een ernstige beroepsfout was begaan, met toepassing van een evenredigheidstoets te bepalen of daadwerkelijk uitsluiting van de opdracht moet volgen, terwijl VWS anderzijds op grond van de aanbestedingsvoorwaarden verplicht was om na de vaststelling dat aan de zijde van de Combinatie een ernstige beroepsfout was begaan, de Combinatie (automatisch) van de opdracht uit te sluiten, derhalve zonder dat de beslissing tot uitsluiting nog door VWS op evenredigheid zou worden getoetst.
3.8
Gelet op wat hiervoor in 3.2-3.7 is overwogen, slaagt de hiervoor in 3.1 genoemde klacht.
3.9
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 23 januari 2024;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt Connexxion in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 1.011,82 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Connexxion deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 21 november 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑11‑2025
Rechtbank Den Haag 17 april 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ7736.
Gerechtshof Den Haag 3 september 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3723.
HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:757.
HvJEU 14 december 2016, zaak C-171/15, ECLI:EU:C:2016:948.
HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1096.
Rechtbank Den Haag 4 mei 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:4332.
Gerechtshof Den Haag 23 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:135.
Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, PbEU 2004, L 134/114.
HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:757, rov. 3.5.6.
HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:757, rov. 3.5.7.
HvJEU 14 december 2016, zaak C-171/15, ECLI:EU:C:2016:948, punt 33.
HvJEU 14 december 2016, zaak C-171/15, ECLI:EU:C:2016:948, punt 34-44.
HvJEU 14 december 2016, zaak C-171/15, ECLI:EU:C:2016:948, punt 41 en 43 in samenhang gelezen met punt 38.
HvJEU 14 december 2016, zaak C-171/15, ECLI:EU:C:2016:948, punt 41-43 in samenhang gelezen met punt 39 en 40.
HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:757, rov. 3.5.7 en 3.7.2.
Conclusie 14‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Unierecht. Aanbestedingsrecht. Onrechtmatige daad. Vordering tot schadevergoeding tegen de Staat na mislopen aanbestede opdracht; uitleg HvJEU 14 december 2016 (ECLI:EU:C:2016:948) en HR 6 juli 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1096); toerekening onrechtmatig handelen; verkeersopvattingen.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01586
Zitting 14 februari 2025
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport),
eiser tot cassatie,
advocaat: mr. J.W. de Jong,
tegen
Connexxion Taxi Services B.V.,
verweerster in cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt.
Partijen worden hierna aangeduid als de Staat óf VWS respectievelijk CTS.
1. Inleiding en samenvatting van het geschil
1.1
In 2012 schreef VWS een aanbestedingsprocedure uit voor taxivervoer voor mensen met een mobiliteitsbeperking. Op enig moment is medegedeeld dat VWS voornemens was de opdracht te gunnen aan een combinatie van ondernemingen (hierna: de Combinatie). CTS1., op dat moment de zittende aanbieder, werd tweede. Kort na het besluit tot voorlopige gunning van de opdracht aan de Combinatie heeft de mededingingsautoriteit boetes opgelegd aan twee leden van de Combinatie vanwege overtredingen van het kartelverbod enkele jaren voordat de aanbesteding van VWS plaatsvond. Vaststaat dat die mededingingsinbreuken kwalificeren als ‘ernstige beroepsfout’ in aanbestedingsrechtelijke zin. Volgens de door VWS gehanteerde aanbestedingsvoorwaarden vormde een ernstige beroepsfout een uitsluitingsgrond. Op basis van een toetsing van die uitsluitingsgrond aan het evenredigheidsbeginsel besloot VWS echter de Combinatie niet uit te sluiten en haar de opdracht definitief te gunnen.
1.2
In kort geding kwam CTS tegen deze beslissing op. De voorzieningenrechter stelde haar in het gelijk. Hij overwoog daartoe dat, nu was vastgesteld dat aan de zijde van de Combinatie een ernstige beroepsfout was begaan, VWS geen ruimte had om een evenredigheidstoets uit te voeren. De voorzieningenrechter legde VWS een verbod op om de opdracht aan de Combinatie te gunnen (maar niet tevens een gebod om de opdracht aan CTS te gunnen). Het hof Den Haag draaide die beslissing terug en gebood VWS om de opdracht alsnog aan de Combinatie te gunnen. CTS ging in cassatie. De Hoge Raad stelde in 2015 prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie). Dat oordeelde kort gezegd dat op grond van het transparantiebeginsel de tekst van de aanbestedingsvoorwaarden prevaleerde en er geen ruimte was voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Daarop heeft de Hoge Raad het arrest van het hof Den Haag vernietigd en het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd. Daarmee kwam definitief vast te staan dat VWS in 2013 de opdracht niet aan de Combinatie had mogen gunnen.
1.3
In de onderhavige bodemprocedure vordert CTS een verklaring voor recht dat de Staat jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door de Combinatie in 2013 niet uit te sluiten van de aanbesteding. Tevens vordert CTS dat de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van het mislopen van de opdracht. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen omdat ook in het scenario dat de opdracht niet aan de Combinatie zou zijn gegund, er ook een intransparante aanbestedingsprocedure zou zijn geweest en er daarom een nieuwe aanbesteding had moeten worden uitgeschreven met onzekere uitkomst. Het causaal verband tussen de onrechtmatige daad van VWS en de gestelde schade van CTS is daarom doorbroken. Hierover oordeelde het hof in hoger beroep anders. Het hof wees ook de verweren van VWS af dat achteraf gezien ook CTS had moeten worden uitgesloten wegens een ernstige beroepsfout en dat de onrechtmatige daad van VWS niet aan de Staat kan worden toegerekend. De Staat voert tegen deze oordelen rechtsklachten en motiveringsklachten aan. Ik meen dat geen van die klachten doel treft.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.2.
De aanbestedingsprocedure die de aanleiding vormt voor deze bodemprocedure
2.2
Deze zaak houdt verband met een in 2012 door VWS uitgeschreven openbare Europese aanbestedingsprocedure voor de gunning van een opdracht voor taxivervoer voor mensen met een mobiliteitsbeperking, bekend staand als het ‘Valys-vervoer’ (hierna: de aanbestedingsprocedure). De opdracht had een minimale looptijd van drie jaar en negen maanden en kon door VWS met maximaal drie jaar worden verlengd.
2.3
Ten tijde van de aanbestedingsprocedure was Richtlijn 2004/18/EG3.(hierna: Richtlijn 2004/18) van toepassing.4.In art. 45 lid 2, eerste alinea, onder d, van die richtlijn is een uitsluitingsgrond opgenomen voor ‘ernstige beroepsfouten’. Het tweede lid van art. 45 bepaalde:
“2. Van deelneming aan een opdracht kan worden uitgesloten iedere ondernemer:
[…]
d) die in de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout heeft begaan, vastgesteld op elke grond die de aanbestedende diensten aannemelijk kunnen maken;
[…]
De lidstaten bepalen overeenkomstig hun nationaal recht en onder eerbiediging van het communautair recht de voorwaarden voor de toepassing van dit lid.”5.
2.4
Richtlijn 2004/18 is geïmplementeerd in het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (hierna: Bao) dat ten tijde van de aanbestedingsprocedure van toepassing was.6.Op grond van art. 45 lid 3, onder d, Bao kan een aanbestedende dienst van deelneming aan een overheidsopdracht uitsluiten iedere ondernemer:
“d. die in de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout heeft begaan, vastgesteld op een grond die de aanbestedende dienst aannemelijk kan maken;”
2.5
De nota van toelichting bij het Bao vermeldt met betrekking tot art. 45 lid 3 onder meer:7.
“De beoordeling of daadwerkelijk tot uitsluiting wordt overgegaan en voor hoe lang die uitsluiting geldt, dient gelet op de algemene uitgangspunten van de aanbestedingsrichtlijnen steeds proportioneel en niet-discriminatoir te zijn. Proportioneel houdt in dat de uitsluiting en de duur van die uitsluiting in verhouding moeten staan tot de ernst van de onregelmatige gedraging. Ook moeten de uitsluiting en de duur daarvan in verhouding staan tot de omvang van de overheidsopdracht. Het vaststellen van een absolute termijn waarbinnen een bedrijf dat onregelmatig heeft gehandeld op voorhand moet worden uitgesloten van iedere aanbestedingsprocedure van de rijksoverheid, verhoudt zich aldus niet met het proportionaliteitsvereiste. Dit betekent ook dat er steeds sprake is van maatwerk, omdat elke aanbestedende dienst per opdracht moet nagaan of hij in het concrete geval (afhankelijk van de aard en omvang van de opdracht, de aard en omvang van de fraude en wat voor maatregelen het bedrijf inmiddels genomen heeft) een bedrijf moet uitsluiten. […]”
2.6
De aanbestedingsprocedure is nader omschreven in een beschrijvend document (hierna: het Beschrijvend Document).8.In art. 3.1 daarvan staat onder meer:
“3. Uitsluitingsgronden en Geschiktheidseisen
3.1
Algemeen
[…]
Een Inschrijving waarop een Uitsluitingsgrond van toepassing is wordt terzijde gelegd en komt niet in aanmerking voor verdere (inhoudelijke) beoordeling.
[…].”
2.7
Voor de toepassing van de uitsluitingsgronden verwijst het Beschrijvend Document naar de bijlage ‘Uniforme eigen verklaring aanbestedingen’ (hierna: de Eigen Verklaring).9.De Eigen Verklaring moet door de inschrijvers worden ingevuld en als bijlage aan de inschrijving worden toegevoegd. De Eigen Verklaring verwijst naar art. 45 Bao en vermeldt welke uitsluitingsgronden van toepassing zijn op de aanbestedingsprocedure. Van een inschrijver wordt onder meer gevraagd te verklaren dat “zijn onderneming of een bestuurder ervan in de uitoefening van zijn beroep niet een ernstige fout heeft begaan.”
2.8
Aan de aanbestedingsprocedure namen zes ondernemingen deel, waaronder CTS en de Combinatie, die bestaat uit Transvision B.V., Rotterdam Mobiliteitscentrale RMC B.V. en Zorgvervoercentrale Nederland B.V. (hierna: Transvision, RMC en ZCN).
2.9
Bij brief van 8 oktober 2012 heeft VWS aan CTS meegedeeld dat haar inschrijving op de tweede plaats is geëindigd en dat het voornemen bestond de opdracht te gunnen aan de Combinatie. CTS is tegen die voorgenomen gunning opgekomen in kort geding. Bij vonnis van 18 december 2012 heeft de voorzieningenrechter haar vorderingen afgewezen.10.
2.10
Op 20 november 2012 heeft de toenmalige Nederlandse Mededingingsautoriteit (thans: de Autoriteit Consument en Markt, ACM) wegens overtredingen van art. 6 Mededingingswet met betrekking tot het taxivervoer in de regio Rotterdam boetes opgelegd aan RMC en aan de BIOS-groep, waarvan ZCN deel uitmaakt.11.Daarnaast zijn aan zes leidinggevenden van (onder meer) RMC en de BIOS-groep persoonlijk boetes opgelegd. De geconstateerde overtredingen bestonden uit afspraken over de verdeling van opdrachten tussen RMC en de BIOS-groep, gemaakt in de periode van 18 december 2007 tot 27 augustus 2010, en tussen RMC en een derde partij, gemaakt in de periode van 17 april 2009 tot 1 maart 2011. De Combinatie heeft VWS nog diezelfde dag op de hoogte gesteld van deze boetebesluiten.
2.11
Bij brief van 18 februari 2013 heeft VWS aan CTS en de andere inschrijvers meegedeeld van mening te zijn dat de aan de boetebesluiten ten grondslag liggende gedragingen van de Combinatie waren aan te merken als ernstige beroepsfout, maar dat uitsluiting van de Combinatie vanwege verschillende in die brief genoemde omstandigheden niet evenredig zou zijn. Bij gevolg werd de opdracht toch aan de Combinatie gegund. VWS heeft alle inschrijvers een termijn geboden om in kort geding tegen deze beslissing op te komen.
2.12
In een nieuw kort geding heeft CTS (primair) een verbod gevorderd om de opdracht te gunnen aan de Combinatie. CTS heeft daartoe aangevoerd dat VWS in strijd met het aanbestedingsrecht had gehandeld door de uitsluiting van CTS op evenredigheid te toetsen. De Combinatie is in het kort geding tussengekomen.
2.13
Bij vonnis van 17 april 201312.heeft de voorzieningenrechter13.de primaire vordering van CTS toegewezen en VWS verboden om de opdracht te gunnen aan de Combinatie. De voorzieningenrechter heeft daartoe overwogen dat het Beschrijvend Document noch het Bao aanknopingspunten biedt voor de door VWS toegepaste evenredigheidstoets. Als VWS een evenredigheidstoets had willen toepassen, dan had VWS deze moeten opnemen in het Beschrijvend Document. De vorderingen van de Combinatie werden afgewezen.
2.14
Zowel VWS als De Combinatie hebben van het vonnis van de voorzieningenrechter hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 3 september 2013 heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis vernietigd en de vorderingen van CTS afgewezen.14.Op vordering van de Combinatie heeft het gerechtshof aan VWS het gebod opgelegd om de opdracht aan de Combinatie te gunnen. Het overwoog dat VWS na de vaststelling dat sprake was van een ernstige beroepsfout nog ruimte had om een evenredigheidstoets uit te voeren. Kernvraag was, aldus het gerechtshof, of VWS in redelijkheid tot de conclusie had kunnen komen dat uitsluiting van de Combinatie onevenredig zou zijn. Die vraag werd bevestigend beantwoord.
2.15
VWS heeft op 28 oktober 2013 de opdracht definitief aan de Combinatie gegund en met ingang van 1 januari 2014 een vervoersovereenkomst gesloten met de Combinatie. Tot die tijd heeft CTS haar (oude) contract met VWS uitgevoerd.
2.16
CTS heeft cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. De Staat en de Combinatie stelden voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep in. Op 27 maart 2015 heeft de Hoge Raad een tussenarrest gewezen (hierna: het tussenarrest).15.Daarin neemt de Hoge Raad tot uitgangspunt dat art. 45 lid 3 Bao een aanbestedende dienst ertoe verplicht om bij toepasselijkheid van een in deze bepaling opgenomen uitsluitingsgrond aan de hand van het evenredigheidsbeginsel te bepalen of daadwerkelijk uitsluiting van de betrokken inschrijver moet volgen (rov. 3.5.7). De Hoge Raad stelt echter ook vast dat VWS in het Beschrijvend Document had opgenomen dat een inschrijving waarop een uitsluitingsgrond van toepassing is, terzijde wordt gelegd en niet in aanmerking komt voor verdere inhoudelijke beoordeling (rov. 3.5.2). De Hoge Raad overweegt dat op grond van de beginselen van gelijke behandeling en transparantie een aanbestedende dienst nauwgezet de door hemzelf vastgestelde voorwaarden in acht moet nemen (rov. 3.6.3). De Hoge Raad ziet aanleiding om daarover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie (par. 5), waaronder de volgende vragen:
“1.a. Verzet het Unierecht, in het bijzonder art. 45 lid 2 van de Richtlijn 2004/18/EG betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, zich ertegen dat het nationale recht een aanbestedende dienst verplicht met toepassing van het evenredigheidsbeginsel te beoordelen of daadwerkelijk uitsluiting moet volgen van een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan?
1.b. Is hierbij van belang dat een aanbestedende dienst in de aanbestedingsvoorwaarden heeft opgenomen dat een inschrijving waarop een uitsluitingsgrond van toepassing is, terzijde wordt gelegd en niet in aanmerking komt voor verdere inhoudelijke beoordeling?”
2.17
Bij arrest van 14 december 2016 heeft het Hof van Justitie de in 2.16 weergegeven vragen, na een andersluidende conclusie van de advocaat-generaal,16.als volgt beantwoord:17.
“1) Het Unierecht, in het bijzonder artikel 45, lid 2, van richtlijn 2004/18/EG (…) verzet zich er niet tegen dat een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding een aanbestedende dienst verplicht met toepassing van het evenredigheidsbeginsel te beoordelen of een gegadigde voor een overheidsopdracht die een ernstige beroepsfout heeft begaan, daadwerkelijk moet worden uitgesloten.
2) De bepalingen van richtlijn 2004/18, met name die van artikel 2 van deze richtlijn en van bijlage VIIA, punt 17, daarbij, gelezen tegen de achtergrond van het beginsel van gelijke behandeling en van de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een aanbestedende dienst besluit om een overheidsopdracht te gunnen aan een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan, op de grond dat uitsluiting van deze inschrijver van de aanbestedingsprocedure in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel, terwijl een inschrijver die een dergelijke beroepsfout heeft begaan volgens de aanbestedingsvoorwaarden voor deze opdracht zonder meer moest worden uitgesloten, zonder dat wordt nagegaan of deze sanctie al dan niet evenredig is.”
2.18
Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie heeft VWS besloten geen gebruik te maken van de contractuele optie om de (op 30 september 2017 aflopende) overeenkomst met de Combinatie met nog een termijn te verlengen. De Staatssecretaris van VWS heeft deze beslissing in zijn brief aan de Tweede Kamer van 24 februari 2017 als volgt toegelicht:18.
“In dit arrest heeft het Europese Hof van Justitie geoordeeld dat het Unierecht zich niet verzet tegen het uitvoeren van een proportionaliteitstoets, zoals die is toegepast bij de Combinatie. In de onderhavige aanbesteding is volgens het Europese Hof echter wel een intransparantie gecreëerd, waardoor potentiële inschrijvers die een ernstige beroepsfout hebben begaan en niet bekend zijn met de nationale regeling mogelijk niet hebben ingeschreven.
De huidige overeenkomst met de Combinatie heeft een looptijd van 3 jaar en 9 maanden en loopt af op 30 september 2017. De overeenkomst bevat de mogelijkheid om na afloop van de contractperiode nogmaals drie maal een jaar te verlengen. Gegeven de door het Hof geconstateerde intransparantie heb ik besloten een nieuwe aanbesteding te starten en geen gebruik te maken van de optie om de lopende overeenkomst met een jaar te verlengen.”
2.19
Op 6 juli 2018 heeft de Hoge Raad eindarrest gewezen (hierna: het eindarrest).19.De Hoge Raad heeft (in het principale beroep van CTS) het arrest van het hof vernietigd en de zaak zelf afgedaan door het vonnis van de voorzieningenrechter van 17 april 2013 (zie 2.13) te bekrachtigen. De Hoge Raad overweegt daartoe onder meer het volgende:
“3.2.1 In deze zaak staat vast (a) dat in de aanbestedingsvoorwaarden van de aanbestedende dienst (…) staat vermeld: “Een Inschrijving waarop een Uitsluitingsgrond van toepassing is wordt terzijde gelegd en komt niet in aanmerking voor verdere (inhoudelijke) beoordeling”, en (b) dat ingevolge het op deze aanbestedingsprocedure van toepassing zijnde ‘beschrijvend document’ onder meer een ernstige beroepsfout moet worden aangemerkt als een uitsluitingsgrond (rov. 3.1 onder (ii) en (iii) van het tussenarrest).
De zojuist bedoelde voorwaarden houden - zoals reeds besloten ligt in het tussenarrest van de Hoge Raad - onmiskenbaar in dat een inschrijver (zoals de Combinatie) die een ernstige beroepsfout heeft begaan, zonder meer van de opdracht wordt uitgesloten, derhalve zonder dat de beslissing tot uitsluiting nog door VWS op evenredigheid wordt getoetst.
3.2.2
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.1 is overwogen en op het hiervoor in 3.1.2 geciteerde antwoord onder 2) van het HvJEU [het antwoord op prejudiciële vraag 1b, A-G], is geen andere conclusie mogelijk dan dat VWS in strijd heeft gehandeld met het beginsel van gelijke behandeling en de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting, door op grond van een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel de opdracht aan de Combinatie te gunnen, hoewel was vastgesteld dat laatstgenoemde een ernstige beroepsfout had begaan. De daarop gerichte klachten van onderdeel 2.a, die opkomen tegen het andersluidende oordeel van het hof in rov. 3.7, zijn dan ook gegrond.
Uit het vorenstaande volgt dat het hof in rov. 3.7 ten onrechte heeft geoordeeld dat grief 6 van de Combinatie en grief 1 van de Staat slagen. Die grieven waren gericht tegen het – juiste – oordeel van de voorzieningenrechter dat VWS, nadat was vastgesteld dat aan de zijde van de Combinatie sprake was van een ernstige beroepsfout, geen ruimte had om een evenredigheidstoets uit te voeren.”
2.20
Met betrekking tot de beslissing tot bekrachtiging van het vonnis van de voorzieningenrechter overweegt de Hoge Raad het volgende:
“5.4 Ook de door de Staat in zijn nadere schriftelijke toelichting aangevoerde omstandigheid dat in 2016 bekend is geworden dat door een medewerker van Connexxion in de zomer van 2010 strafbare feiten zouden zijn gepleegd, staat niet in de weg aan bekrachtiging van het vonnis van de voorzieningenrechter. In de eerste plaats gaat het hier om een (gestelde) omstandigheid die ten tijde van de gunningsbeslissing van VWS niet bekend was, zodat VWS daarmee geen rekening kon of moest houden. Bovendien heeft de voorzieningenrechter in zijn vonnis de Staat (slechts) verboden de opdracht te gunnen aan de Combinatie. Dat verbod wordt niet geraakt door het gestelde handelen van een medewerker van Connexxion.”
Overige feiten
2.21
Op 20 januari 2016 maakte het Openbaar Ministerie (hierna: OM) in een persbericht bekend dat “Vervoersbedrijf Connexxion” een door het Functioneel Parket aangeboden transactie in de vorm van een boete van € 45.000,- had geaccepteerd.20.De strafbare feiten hadden plaats gevonden in de zomer van 2010 en waren aan het licht gekomen tijdens een controle door de Belastingdienst in 2014. De strafbare feiten bestonden eruit dat een medewerker van Connexxion met een onderwijsinstelling afspraken had gemaakt om de looptijd van een beroepsopleiding voor personeelsleden te verlengen. Hierdoor kon Connexxion extra belastingaftrek claimen. Het verlengen van de opleiding in opleidingsovereenkomsten en praktijkovereenkomsten kwam neer op valsheid in geschrifte, aldus het persbericht.
2.22
In het transactievoorstel van het OM van 27 november 2015 dat tot deze transactie heeft geleid (hierna: het Transactievoorstel), staat dat het voorstel is gedaan aan “Connexxion Nederland N.V. en haar dochters en deelnemingen” (in het Transactievoorstel samen genoemd: Connexxion)21.en dat Connexxion wordt verdacht van het meermalen medeplegen van valsheid in geschrifte in de periode juli 2010 tot en met september 2010. Volgens het Transactievoorstel zal Connexxion daarvoor niet vervolgd worden, onder de voorwaarde dat zij een boete van € 45.000,- betaalt én een bedrag van € 7.551.823,- betaalt ter aflossing van een fiscale claim op grond van de Wet Vermindering Afdracht Loonbelasting en Premie voor de Volksverzekeringen over de periode 2009 tot en met 2013.
2.23
Op 1 september 2017 heeft VWS een nieuwe aanbesteding uitgeschreven, met de intentie om op 1 januari 2018 een overeenkomst met een vervoerder te sluiten en na een implementatieperiode van zes maanden, met ingang van 1 juli 2018 met het vervoer te beginnen. De Combinatie heeft de nieuwe aanbesteding gewonnen en de opdracht gegund gekregen. CTS is op de tweede plaats geëindigd.22.
Procesverloop
2.24
Bij inleidende dagvaarding van 11 november 2019 heeft CTS de Staat gedagvaard. Kort samengevat, vordert CTS een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens CTS door de Combinatie niet uit te sluiten van de aanbesteding in 2012 en veroordeling van de Staat tot vergoeding van door haar als gevolg daarvan geleden schade. De rechtbank Den Haag heeft de vorderingen van CTS afgewezen bij vonnis van 4 mei 2022 (hierna: het vonnis).23.De rechtbank overweegt onder meer dat in het hypothetische scenario waarin de opdracht niet aan de Combinatie was gegund, nog steeds een intransparante aanbestedingsprocedure zou resteren zodat een nieuwe aanbesteding had moeten worden uitgeschreven waarvan de uitkomst niet zonder meer vaststond.
2.25
Bij appeldagvaarding van 26 juli 2022 is CTS van het vonnis in hoger beroep gekomen. Het hof Den Haag (hierna: het hof) heeft bij arrest van 23 januari 2024 (hierna: het arrest)24.het vonnis vernietigd, voor recht verklaard dat VWS onrechtmatig heeft gehandeld en VWS veroordeeld tot vergoeding van schade die CTS dientengevolge heeft geleden, zoals op te maken bij staat. Het hof heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende overwogen:
a) Anders dan de rechtbank en de Staat menen, verkeerde VWS niet in een klempositie vanwege de intransparante aanbestedingsprocedure. Dit kan ook niet uit de arresten van de Hoge Raad en het Hof van Justitie worden afgeleid. (rov. 6.1-6.2)
b) Het Hof van Justitie heeft specifiek het oog op de intransparantie, onzekerheid en ongelijke behandeling die ontstaan als een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan, op grond van een evenredigheidstoetsing tot de aanbesteding wordt toegelaten, terwijl in de aanbestedingsvoorwaarden is bepaald dat een ernstige beroepsfout zonder meer tot uitsluiting leidt. Ook de Hoge Raad beziet de intransparantie en ongelijkheid vanuit het perspectief van de inschrijvers die afgaan op de bepaling in de voorwaarden dat een ernstige beroepsfout zonder meer tot uitsluiting leidt. Uit de arresten van het Hof van Justitie en de Hoge Raad volgt dus niet dat ook als gunning aan de Combinatie achterwege was gebleven, nog steeds een intransparante aanbestedingsprocedure resteerde. (rov. 6.4-6.6)
c) De veronderstelde klempositie zou ook volgen uit het feit dat art. 45 lid 3 Bao dwingend recht was en dat VWS hoe dan ook verplicht was de uitsluiting van de Combinatie op evenredigheid te toetsen. Hoewel de Hoge Raad in zijn vraagstelling aan het Hof van Justitie uitgaat van het bestaan van een verplichting om een evenredigheidstoets toe te passen, volgt daaruit niet dat de Hoge Raad van oordeel is dat een aanbestedende dienst altijd een evenredigheidstoets moet toepassen en daar niet in de aanbestedingsvoorwaarden van mag afwijken. (rov. 6.7-6.9)
d) Indien VWS zich op 28 oktober 2013 bij gunning aan de Combinatie ervan bewust was geweest dat dit niet geoorloofd was, bestond er geen juridisch beletsel voor het gunnen van de opdracht aan CTS en bestond er geen verplichting over te gaan tot heraanbesteding. Van intransparantie zou geen sprake zijn geweest indien VWS de Combinatie zonder meer zou hebben uitgesloten op grond van een ernstige beroepsfout. In dat geval zou VWS immers de aanbestedingsvoorwaarden hebben toegepast waarvan alle (daadwerkelijke en potentiële) inschrijvers kennis hadden kunnen nemen. (rov. 6.10)
e) Het staat vast dat VWS onrechtmatig heeft gehandeld door de opdracht aan de Combinatie te gunnen. Voor causaal verband tussen de onrechtmatige daad van VWS en de gestelde schade van CTS is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de opdracht op 28 oktober 2013 aan CTS zou zijn gegund als VWS niet onrechtmatig zou hebben gehandeld. (rov. 6.12, eerste deel)
f) De opdracht zou in dat geval aan CTS zijn gegund. CTS was de eerstvolgende gegadigde. Zelfs indien heraanbesteding zou zijn geoorloofd, zou dit niet zijn gebeurd. Het aanbestede vervoer zou immers op 1 januari 2014 van start moeten gaan. (rov. 6.12, tweede deel en rov. 6.17)
g) VWS heeft zich onder meer verweerd met de stelling dat VWS hoe dan ook niet aan CTS zou kunnen gunnen omdat CTS zelf ook een ernstige beroepsfout heeft begaan. De Hoge Raad heeft in rov. 5.4 van het eindarrest uit 2018 (zie hiervóór onder 2.20) overwogen dat dit gaat om een omstandigheid die ten tijde van de gunningsbeslissing bij VWS niet bekend was. Dat CTS geen melding heeft gemaakt van de fraude kan de Staat ook niet baten. Er is geen sprake van een ernstige beroepsfout van CTS. Ook kan CTS niet worden verweten dat de fraude – die pas naar aanleiding van een controle door de Belastingdienst in 2014 aan het licht is gekomen – niet is gemeld in haar Eigen Verklaring. (rov. 6.13-6-16)
h) Het is aannemelijk dat CTS schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van VWS. (rov. 6.18)
i) Handelen in strijd met de wet of met wettelijke beginselen kan in het algemeen worden geweten aan de schuld van de dader, zeker als de dader een bestuursorgaan is. VWS heeft geen steekhoudende redenen aangevoerd waarom dat in dit geval anders zou zijn. Ook aan het relativiteitsvereiste is voldaan. De beginselen van gelijke behandeling en transparantie strekken mede tot bescherming van CTS. (rov. 6.19)
j) Het hof is niet in staat de schade te begroten en verwijst naar een schadestaatprocedure. (rov. 6.20)
2.26
De Staat heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. CTS voert verweer. Partijen lieten hun zaak schriftelijk toelichten. Vervolgens is gerepliceerd en gedupliceerd.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel start met een inleiding en duiding van wat volgens de Staat de kern is van deze zaak (onderdeel 1). De andere onderdelen kunnen als volgt worden samengevat:
- Onderdeel 2 bevat klachten over het oordeel van het hof dat zonder gunning aan de Combinatie de aanbestedingsprocedure wél transparant was geweest. De overwegingen van het Hof van Justitie en de Hoge Raad moeten anders worden gelezen dan het hof heeft gedaan.
- Onderdeel 3 voert klachten aan over het oordeel dat van een klempositie geen sprake was omdat VWS niet was gehouden een evenredigheidstoets uit te voeren. Ook in het geval dat in de aanbestedingsvoorwaarden staat dat een ernstige beroepsfout zonder meer tot uitsluiting leidt, was VWS verplicht te toetsen of uitsluiting evenredig was.
- Onderdeel 4 klaagt dat gelet op de stellingen van de Staat wel degelijk sprake was van een ernstige beroepsfout aan de zijde van CTS.
- Onderdeel 5 betoogt dat het hof uitgaat van een te strenge opvatting van het begrip schuld en dat het hof in het licht van de stellingen van de Staat het oordeel over schuld onvoldoende en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
- Onderdeel 6 tot slot bevat klachten over de weergave in het arrest van het procesverloop in hoger beroep en de feiten.
3.2
Ik houd bij de bespreking van de klachten de in het middel gehanteerde volgorde aan.
Onderdeel 2 - interpretatie arresten Hof van Justitie en Hoge Raad
3.3
De klachten zijn gericht tegen rov. 6.4 en 6.5.25.Deze rechtsoverwegingen, en de voorafgaande rov. 6.3, luiden als volgt (mijn onderstrepingen, ook in citaten hierna; A-G):
“6.3 Het Hof van Justitie heeft in antwoord op vraag 1a) van de Hoge Raad overwogen dat het Unierecht, in het bijzonder artikel 45 lid 2 van Richtlijn 2004/18, zich niet verzet tegen een verplichting om met toepassing van het evenredigheidsbeginsel te beoordelen of een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan, moet worden uitgesloten. Bij de beantwoording van deze vraag heeft het Hof van Justitie niet betrokken dat een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan, volgens de aanbestedingsvoorwaarden zonder meer moest worden uitgesloten. Met die bepaling in de aanbestedingsvoorwaarden heeft het Hof van Justitie wel rekening gehouden bij de beantwoording van vraag 1b). Uit het antwoord op die vraag volgt dat als een dergelijke bepaling in de aanbestedingsvoorwaarden is opgenomen, deze bepaling zich verzet tegen gunning aan een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan. In rov. 37 overweegt het Hof van Justitie met betrekking tot een dergelijke bepaling:
“Een dergelijke clausule, die is opgenomen in de aanbestedingstukken en ondubbelzinnig is geformuleerd - zoals dit in de aanbestedingsprocedure in het hoofdgeding het geval is - kan alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende ondernemers in staat stellen kennis te nemen van de vereisten van de aanbestedende dienst en de voorwaarden van de opdracht, opdat zij dienovereenkomstig kunnen handelen”.
Een dergelijke bepaling is dus naar het oordeel van het Hof van Justitie transparant. Als een dergelijke bepaling in de aanbestedingsvoorwaarden is opgenomen, mogen de (potentiële) inschrijvers verwachten dat een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan, zonder meer wordt uitgesloten. Toetsing van de uitsluiting aan het evenredigheidsbeginsel kan in dat geval naar het oordeel van het Hof van Justitie “(…) de belanghebbende ondernemers in onzekerheid brengen en het beginsel van gelijke behandeling en de eerbiediging van de verplichting tot transparantie ondermijnen” (rov. 43).
6.4
Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest dus specifiek het oog op de intransparantie (en onzekerheid en ongelijke behandeling) die ontstaan als een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan, op grond van een evenredigheidstoetsing tot de aanbesteding wordt toegelaten, terwijl in de aanbestedingsvoorwaarden is bepaald dat een ernstige beroepsfout zonder meer tot uitsluiting leidt.
6.5
De Hoge Raad overweegt vervolgens in zijn eindarrest dat op grond van het antwoord van het Hof van Justitie op vraag 1b) “(…) geen andere conclusie mogelijk is dan dat VWS in strijd heeft gehandeld met het beginsel van gelijke behandeling en de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting, door op grond van een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel de opdracht aan de Combinatie te gunnen, hoewel was vastgesteld dat laatstgenoemde een ernstige beroepsfout had begaan”. Ook de Hoge Raad beziet de intransparantie (en ongelijke behandeling) dus vanuit het perspectief van de inschrijvers die afgaan op de bepaling in de aanbestedingsvoorwaarden dat een ernstige beroepsfout zonder meer tot uitsluiting leidt, en vervolgens worden geconfronteerd met gunning van de opdracht aan een inschrijver die zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige beroepsfout, maar niet is uitgesloten op grond van een evenredigheidstoets.”
3.4
Volgens de eerste klacht is het oordeel van het hof in rov. 6.4 en 6.5 onjuist althans onbegrijpelijk, omdat het Hof van Justitie en de Hoge Raad de intransparantie en ongelijke behandeling niet alleen zouden bezien vanuit het perspectief van inschrijvers die zijn afgegaan op de bepaling in de aanbestedingsvoorwaarden en worden geconfronteerd met gunning aan een inschrijver op wie de uitsluitingsgrond ‘ernstige fout’ van toepassing is. Ook het perspectief van de inschrijver die wél geneigd zou kunnen zijn om in te schrijven, in de hoop om op grond van een evenredigheidstoets te worden vrijgesteld van uitsluiting, zou zijn betrokken bij de oordeelsvorming van het Hof van Justitie en de Hoge Raad.
3.5
De klacht faalt. Het Hof van Justitie baseert zijn oordeel wel degelijk op de onzekerheid waarmee inschrijvers te maken krijgen die ervan uitgaan dat de aanbestedingsvoorwaarden door VWS worden gevolgd. Het perspectief van inschrijvers die hopen op toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wordt wel benoemd, maar daaraan worden geen gevolgen verbonden. Dit betreft bovendien een hypothetische situatie die alleen kan bestaan indien VWS de uitsluiting op grond van een ernstige beroepsfout aan het evenredigheidsbeginsel mocht toetsen (zie hieronder het onderstreepte deel van de eerste zinnen van punten 41 en 42 van het prejudiciële arrest). Door te oordelen dat VWS zich hoe dan ook aan de aanbestedingsvoorwaarden had moeten houden – wat betekent: automatisch uitsluiten van inschrijvers die een ernstige beroepsfout hebben gemaakt – kon bij potentiële inschrijvers die een ernstige fout begingen dus ook geen hoop op een evenredigheidstoetsing bestaan. Het zou daarmee voor elke inschrijver duidelijk moeten zijn dat een ernstige beroepsfout tot uitsluiting zou leiden.
3.6
Ter adstructie van het voorgaande citeer ik de relevante overwegingen van het Hof van Justitie, waarop de Hoge Raad zich in zijn eindarrest heeft gebaseerd:
“36 Het kan niet worden uitgesloten dat de betrokken aanbestedende dienst na de opstelling van de desbetreffende aanbestedingsdocumenten van mening is dat, afhankelijk van de aard van de opdracht en het gevoelige karakter van de prestaties waarop deze betrekking heeft alsmede van de daaruit voortvloeiende vereisten op het gebied van professionele integriteit en betrouwbaarheid van de ondernemers, het begaan van een ernstige beroepsfout moet leiden tot de automatische weigering van de inschrijving en uitsluiting van de inschrijver die de fout beging, mits bij de beoordeling van de ernst van die fout het evenredigheidsbeginsel wordt geëerbiedigd.
37 Een dergelijke clausule, die is opgenomen in de aanbestedingsstukken en ondubbelzinnig is geformuleerd – zoals dit in de aanbestedingsprocedure in het hoofdgeding het geval is –, kan alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende ondernemers in staat stellen kennis te nemen van de vereisten van de aanbestedende dienst en de voorwaarden van de opdracht, opdat zij dienovereenkomstig kunnen handelen.
[…]
41 Aangaande de toetsing van de evenredigheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde uitsluiting zij opgemerkt dat bepaalde belanghebbende ondernemers, terwijl zij op de hoogte zijn van de in de aanbestedingsstukken opgenomen uitsluitingsgrond en weten dat zij een beroepsfout hebben begaan die als ernstig zou kunnen worden gekwalificeerd, geneigd zouden kunnen zijn een inschrijving in te dienen in de hoop te worden vrijgesteld van de uitsluiting op basis van een later onderzoek van hun situatie met toepassing van het evenredigheidsbeginsel, overeenkomstig de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, terwijl andere ondernemers, die zich in een vergelijkbare situatie bevinden, er daarentegen van zouden kunnen afzien een dergelijke inschrijving in te dienen, doordat zij af zijn gegaan op de termen van deze uitsluitingsgrond, die geen melding maken van een dergelijke evenredigheidstoetsing.
42 Deze laatste hypothese kan met name gevolgen hebben voor ondernemers van andere lidstaten, die minder bekend zijn met de termen en toepassingsvoorwaarden van de relevante nationale regeling. Dit geldt te meer in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin de verplichting voor de aanbestedende dienst om de evenredigheid te toetsen van een uitsluiting wegens een ernstige beroepsfout niet volgt uit de termen zelf van artikel 45, lid 3, van het Besluit, maar enkel uit de nota van toelichting bij deze bepaling. Volgens de gegevens die de Nederlandse regering in het kader van de procedure voor het Hof heeft verstrekt, is deze nota van toelichting op zichzelf niet bindend, maar dient zij enkel in aanmerking te worden genomen voor de uitlegging van voornoemde bepaling.
43 Derhalve kan de toetsing van de bewuste uitsluiting aan het evenredigheidsbeginsel, terwijl in de aanbestedingsvoorwaarden voor deze opdracht wordt bepaald dat inschrijvingen die onder een dergelijke uitsluitingsgrond vallen, zonder toetsing aan dit beginsel moeten worden uitgesloten, de belanghebbende ondernemers in onzekerheid brengen en het beginsel van gelijke behandeling en de eerbiediging van de verplichting tot transparantie ondermijnen.”
3.7
Volgens de tweede klacht blijkt uit de overwegingen van het Hof van Justitie (en de Hoge Raad) dat de aanbestedingsprocedure hoe dan ook in strijd was met het beginsel van gelijke behandeling en de transparantieverplichting, ook als de gunning aan de Combinatie achterwege was gebleven. Ik lees die beide uitspraken anders.
3.8
De uitleg die het Hof van Justitie geeft aan een norm van Unierecht geldt in beginsel steeds vanaf het tijdstip waarop die norm in werking is getreden.26.Een Unierechtelijke norm moet daarom worden geacht al die tijd de betekenis te hebben gehad die het Hof van Justitie in een prejudiciële beslissing daaraan geeft. Slechts bij uitzondering beperkt het Hof van Justitie de werking in de tijd van een prejudiciële beslissing. Dat is hier niet gebeurd. Voor deze zaak betekent het voorgaande dat in het licht van het arrest van het Hof van Justitie ervan moet worden uitgegaan dat alle inschrijvers – en VWS zelf – zich aan de door VWS gestelde aanbestedingsvoorwaarden moesten houden en dat daarom ingeval van een ernstige beroepsfout van een inschrijver deze moest worden uitgesloten zonder dat die uitsluiting aan het evenredigheidsbeginsel kon worden getoetst. Dat betekent dat VWS hoe dan ook moest overgaan tot uitsluiting van inschrijvers – lees: de Combinatie –van wie vóór de definitieve gunning bekend was dat die een ernstige beroepsfout hadden begaan. Door de aanbestedingsvoorwaarden te volgen, zou de aanbesteding wél transparant en niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel zijn geweest. Dit is af te leiden uit de hiervoor geciteerde punten 36, 37 en 43 van het arrest van het Hof van Justitie.
Onderdeel 3 - klempositie VWS
3.9
Subonderdeel 3.1 is gericht tegen rov. 6.2 t/m 6.10 van het arrest. Daarin motiveert het hof zijn – van het vonnis afwijkende – oordeel dat uit de arresten van het Hof van Justitie en de Hoge Raad niet kan worden afgeleid dat VWS in een klempositie verkeerde en tot heraanbesteding had moeten overgaan. De klacht luidt dat het hof heeft miskend dat VWS verplicht was te toetsen of uitsluiting evenredig was, ook als de aanbestedingsvoorwaarden bepaalden dat een ernstige beroepsfout zonder meer tot uitsluiting zou luiden. VWS wijst op art. 45 lid 3 Boa en op een aantal overwegingen uit het tussenarrest van de Hoge Raad.27.
3.10
De klacht faalt. Het Hof van Justitie heeft in het dictum onder 2 van zijn arrest beslist dat het Unierecht zich verzet tegen toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in een situatie waarin de aanbestedingsvoorwaarden bepalen dat een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan voor de opdracht zonder meer moest worden uitgesloten (zie het citaat in 2.17). Dat is het tegenovergestelde van wat het middel betoogt. De Hoge Raad heeft het antwoord van het Hof van Justitie overgenomen in rov. 3.2.2 van zijn eindarrest (zie het citaat in 2.19).
3.11
Subonderdeel 3.2 bestrijdt rov. 6.9. Deze overweging luidt als volgt:
“De Hoge Raad gaat in zijn vraagstelling aan het Hof van Justitie uit van het bestaan van een verplichting om op grond van artikel 45 lid 3 Bao. gelezen in samenhang met de Nota van toelichting, een evenredigheidstoets toe te passen. Daaruit volgt echter niet dat de Hoge Raad van oordeel is dat een aanbestedende dienst altijd een evenredigheidstoets moet toepassen, en daar niet in de aanbestedingsvoorwaarden van mag afwijken. Voor dat oordeel bestaat immers geen grond.Richtlijn 2004/18 laat lidstaten vrij om te bepalen dat een ondernemer die een ernstige beroepsfout heeft begaan, van een opdracht kan worden uitgesloten, en volgens hun nationale recht de voorwaarden voor de toepassing van deze bepaling vast te stellen (vgl. artikel 45 lid 2 van Richtlijn 2004/18). De Nederlandse wetgever heeft het aan de aanbestedende diensten overgelaten om die voorwaarden vast te stellen. Daarbij beschikken de aanbestedende diensten over een ruime beoordelingsvrijheid, zowel bij het verwerken van die voorwaarden in de aanbestedingsstukken als bij de toepassing ervan in de praktijk (vgl. rov. 36 van het arrest van het Hof van Justitie). Artikel 45 lid 3 Bao verzette zich er dus niet tegen dat VWS in de aanbestedingsvoorwaarden een bepaling opnam dat een ernstige beroepsfout automatisch tot uitsluiting zou leiden, en zou zich er ook niet tegen hebben verzet dat VWS de Combinatie op grond van die bepaling uitsloot toen bleek dat de Combinatie zich schuldig had gemaakt aan een ernstige beroepsfout.”
3.12
Volgens het middel heeft het hof geoordeeld dat geen grond bestaat voor het uitgangspunt dat het nationale recht verplicht tot het uitvoeren van een evenredigheidstoets, omdat de Nederlandse wetgever (kort gezegd) het stellen van voorwaarden voor toepassing van facultatieve uitsluitingsgronden zou hebben overgelaten aan aanbestedende diensten. Dit zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. De Nederlandse wetgever zou dit niet aan de aanbestedende diensten hebben overgelaten. VWS voegt daaraan toe dat zelfs als aanbestedende diensten wel een bepaalde mate van vrijheid zouden hebben, deze vrijheid niet zover gaat dat een aanbestedende dienst kan afzien van een evenredigheidstoetsing in de zin dat een ernstige beroepsfout leidt tot een automatische uitsluiting.
3.13
De missen feitelijke grondslag omdat het hof het uitgangspunt van een nationale verplichting niet in twijfel trekt. Het oordeelt echter met juistheid dat het aannemen door de Hoge Raad van een dergelijke verplichting niet uitsluit dat in de aanbestedingsvoorwaarden kan worden bepaald dat toch geen evenredigheidstoets plaats zal vinden. Bovendien is het sinds het arrest van het Hof van Justitie en het eindarrest van de Hoge Raad duidelijk dat art. 45 lid 3 Bao (gelezen in samenhang met de nota van toelichting) niet in de weg staat aan de (toepassing van de) door VWS gehanteerde aanbestedingsvoorwaarden. Het toepassen van een evenredigheidstoets (de nationale verplichting), ondanks het bestaan van de litigieuze voorwaarde, betekent in dit geval dat het Unierecht niet wordt nageleefd. Het Hof van Justitie heeft in dit specifieke geval beslist dat Unierechtelijke beginselen van gelijke behandeling en transparantie voorrang hebben op een nationale regeling die toetsing aan het evenredigheidsbeginsel voorschrijft.28.
3.14
De klachten in subonderdeel 3.3 bouwen voort op de vorige subonderdelen (“Zoals in onderdeel 3.1 en 3.2 is uiteengezet […]”) en falen in het voetspoor daarvan.
3.15
Slechts voor de volledigheid wijs ik erop dat onder het thans geldende aanbestedingsrecht de uitkomst van het geschil mogelijk een andere zou zijn omdat aanbestedende diensten meer ruimte wordt gelaten om een aanwezige uitsluitingsgrond niet toe te passen. Art. 57 lid 6 van de (opvolgende) Richtlijn 2014/24/EU29.luidt namelijk, voor zover hier van belang:
“6. Elke ondernemer die in een van de in de leden 1 [verplichte uitsluitingsgronden; AG] en 4 [facultatieve uitsluitingsgronden; AG] bedoelde situaties verkeert, mag bewijzen dat de maatregelen die de ondernemer heeft genomen voldoende zijn om zijn betrouwbaarheid aan te tonen ondanks de toepasselijke uitsluitingsgrond. Als dat bewijs toereikend wordt geacht, wordt de betrokken ondernemer niet uitgesloten van de aanbestedingsprocedure.
[…]
De door de ondernemers genomen maatregelen worden beoordeeld met inachtneming van de ernst en de bijzondere omstandigheden van de strafrechtelijke inbreuken of de beroepsfout. Wanneer de maatregelen onvoldoende worden geacht, worden aan de ondernemer de redenen daarvoor medegedeeld.
[…].”
3.16
Deze bepaling is omgezet in art. 2:87a lid 1 Aanbestedingswet 2012, dat luidt:
“Elke ondernemer die in een van de in [lid 4] bedoelde situaties verkeert, mag bewijzen dat de maatregelen die de ondernemer heeft genomen voldoende zijn om zijn betrouwbaarheid aan te tonen ondanks de toepasselijke uitsluitingsgrond. Als dat bewijs toereikend wordt geacht, wordt de betrokken ondernemer niet uitgesloten van de aanbestedingsprocedure.”
In aanvulling daarop bepaalt art. 2.88 Aw 2012 dat de aanbestedende dienst:
“[…] om dwingende redenen van algemeen belang, of omdat uitsluiting naar zijn oordeel niet proportioneel is, van daadwerkelijke uitsluiting op basis van een toepasselijke uitsluitingsgrond kan afzien.”
3.17
De aanbestedende dienst zal dus in het kader van een beoordeling of ten aanzien van een ondernemer een uitsluitingsgrond moet worden toegepast, proportioneel moeten handelen.30.Anders dan in de aanbestedingsprocedure in deze zaak het geval was, kan daaraan kan niet afdoen een bepaling in de aanbestedingsvoorwaarden die de aanbestedende dienst verplicht om, in het geval dat een facultatieve uitsluitingsgrond van toepassing is, automatisch tot uitsluiting over te gaan. Een dergelijke automatische uitsluiting, zoals aan de orde was in deze zaak, moet thans dus voor strijdig met het Unierecht worden gehouden, in gevallen waarin de inschrijver gebruik wil maken van de mogelijkheid toereikend bewijs te leveren en daartoe ook in staat is.
Onderdeel 4 - causaal verband
3.18
In subonderdeel 4.1 keert het middel zich tegen rov. 6.12-6.14. Dit subonderdeel bouwt voort op de falende onderdelen 2 en 3. De klachten delen daarom dit lot.
3.19
Subonderdeel 4.2 richt zich op rov. 6.13-6.17. Daarin geeft het hof een oordeel over het causaliteitsverweer van de Staat. Deze overwegingen luiden:
“6.13 VWS heeft twee redenen aangevoerd waarom desalniettemin geen causaal verband tussen de onrechtmatige daad van VWS en de gestelde schade van CTS kan worden aangenomen: (i) als VWS de opdracht niet aan de Combinatie had gegund, dan had VWS over moeten gaan tot heraanbesteding, vanwege de veronderstelde intransparantie, en (ii) VWS had de opdracht hoe dan ook niet aan CTS kunnen gunnen omdat CTS zelf ook een ernstige beroepsfout heeft begaan. In eerste aanleg heeft VWS daarnaast nog betwist dat de onrechtmatige daad te wijten was aan zijn schuld en dat de door hem geschonden norm (strijd met de beginselen van gelijke behandeling en transparantie) strekt tot bescherming tegen de (gestelde) schade geleden door CTS.
6.14
Uit de bespreking van grieven 1, 3 en 4 volgt dat de rechtbank het eerste verweer van VWS ten onrechte heeft gehonoreerd. Aan een beoordeling van het tweede verweer is de rechtbank niet toegekomen. In rov. 5.4 van het eindarrest overweegt de Hoge Raad echter dat het hier gaat om een omstandigheid die in 2016 bekend is geworden en dus ten tijde van de gunningsbeslissing van VWS niet bekend was, zodat VWS daarmee geen rekening kon of moest houden.
6.15
VWS verwijt CTS dat zij in de procedure bij de Hoge Raad in strijd met de waarheid heeft verklaard dat het strafbare feit niet op haar zag. Volgens VWS blijkt het tegendeel uit het transactievoorstel, dat is gericht aan “Connexxion Nederland N.V. en haar dochters en deelnemingen”, dus ook aan CTS (een 100% dochter van Connexxion Nederland B.V., die (indirect) een 100% dochter is van Connexxion Nederland N.V.). Verder stelt VWS dat niet beslissend is dat deze omstandigheid ten tijde van de gunningsbeslissing nog niet bij VWS bekend was, maar dat CTS, die zelf wel bekend was met deze fraude, daarvan geen melding heeft gemaakt in haar Eigen Verklaring in de aanbestedingsprocedure.
6.16
CTS heeft gesteld dat de fraude is gepleegd door een medewerker van een zustervennootschap, dat van de werknemers waarvoor ten onrechte een belastingkorting is gevraagd, slechts één werknemer in dienst was bij CTS, die bovendien bij een andere vennootschap was gedetacheerd toen de fraude werd gepleegd, en dat naar aanleiding van de fraude slechts een bedrag van € 3.000,- bij CTS is teruggevorderd. VWS heeft deze feiten en omstandigheden niet, althans niet gemotiveerd betwist. Naar het oordeel van het hof kan in het licht van deze feiten en omstandigheden niet van een ernstige beroepsfout van CTS worden gesproken, en kan CTS niet worden verweten dat zij deze fraude, die pas naar aanleiding van een controle door de Belastingdienst in 2014 aan het licht is gekomen, niet heeft gemeld in haar Eigen Verklaring. Dat het transactievoorstel is gericht aan “Connexxion Nederland N.V. en haar dochters en deelnemingen” en dus mede aan CTS, leidt niet tot een ander oordeel. Het is gebruikelijk om dergelijke transacties namens het hele concern aan te gaan, om te voorkomen dat op een later tijdstip alsnog tegen een andere vennootschap een onderzoek zou kunnen worden ingesteld. De vermelding van CTS in het transactievoorstel wijst dus niet op een actieve betrokkenheid van CTS bij de fraude, die verder gaat dan CTS heeft gesteld.
6.17
Ook het tweede verweer van VWS kan er dus niet toe leiden dat het causale verband tussen de onrechtmatige daad van VWS en de gestelde schade van CTS wordt doorbroken. Het hof gaat er daarom vanuit dat VWS de opdracht aan CTS zou hebben gegund, als zij niet onrechtmatig zou hebben gehandeld door de opdracht aan de Combinatie te gunnen. Ook grief 5 slaagt.”
3.20
Het subonderdeel voert zowel een rechtsklacht als een motiveringsklacht aan met betrekking tot het in rov. 6.13 aangeduide causaliteitsverweer (ii), de gestelde ernstige beroepsfout van CTS. Ten eerste zou het oordeel van het hof in rov. 6.16 blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting over de vraag wanneer sprake is van een ernstige beroepsfout of een andere uitsluitingsgrond. Ten tweede zou die beoordeling onvoldoende zijn gemotiveerd, gelet op de volgende stellingen van VWS:31.
(i) vanaf begin 2012, en dus ten tijde van de inschrijving, hebben de Belastingdienst, de Auditdienst Rijk, de Inspectie van het Onderwijs en een door Connexxion zelf ingeschakelde onafhankelijke onderzoeker onderzoek gedaan naar het, gedurende een langere periode, door middel van valsheid in geschrift ten onrechte terugvorderen en terugontvangen van loonbelasting;
(ii) de gebleken onregelmatigheden en strafbare feiten hebben ertoe geleid dat Connexxion met het OM heeft geschikt voor maar liefst € 7.551.823 ter betaling van een fiscale claim over 2009 t/m 2013. Uit het desbetreffende transactievoorstel blijkt dat CTS behoorde tot de vennootschappen waarmee is getransigeerd;
(iii) het niet hebben voldaan aan verplichtingen tot betaling van belastingen is ook een uitsluitingsgrond. VWS heeft toegelicht dat CTS deel uitmaakt van een concern met een geconsolideerde jaarrekening en een fiscale eenheid, waaronder het ontlopen van fiscale verplichtingen ten goede komt aan het geheel en daarmee toe te rekenen valt aan ieder deel van het geheel (art. 45 lid 3 sub f Bao).
3.21
Deze stellingen, waarvan het hof de feitelijke juistheid in het midden laat, kunnen volgens VWS de conclusie dragen dat ook CTS zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige beroepsfout. CTS heeft niet voldaan aan verplichtingen tot het betaling van belastingen en CTS heeft vals verklaard omdat zij in haar eigen verklaring voor de aanbestedingsprocedure geen melding heeft gemaakt van de uitsluitingsgronden (wat op zichzelf een uitsluitingsgrond is). Het middel acht verder in het licht van deze stellingen niet begrijpelijk waarom CTS bij het opstellen van de eigen verklaring niet op de hoogte zou zijn geweest van de fraude (laatste volledige zin op p. 10 van de procesinleiding).
3.22
De klachten falen.
3.23
De rechtsklacht is naar mijn mening onvoldoende precies over de vraag waarom volgens VWS sprake is van schending van het recht.32.De geschonden rechtsregel is in het middel zó algemeen geformuleerd, dat meer precisering nodig is om duidelijk te maken wat de klacht behelst. Bovendien ziet het oordeel van het hof niet op de vraag wanneer sprake is van een ernstige beroepsfout of een andere uitsluitingsgrond en welke maatstaf daartoe moet worden aangelegd, maar op de (feitelijke) vragen wie de fraude heeft gepleegd en wanneer dit aan CTS bekend is geworden. Het zojuist in 3.20 onder (i)-(iii) samengevatte betoog berust op feitelijke stellingen.
3.24
Voor de motiveringsklachten geldt het volgende. Het oordeel van het hof in rov. 6.16 dat VWS de stellingen van CTS onvoldoende heeft betwist, wordt in cassatie niet inhoudelijk bestreden. De door CTS gestelde feiten en omstandigheden staan daarom vast, waaronder het feit dat de fraude is gepleegd door een medewerker van een zustervennootschap en dat belastingkorting alleen voor een bij een andere vennootschap gedetacheerde werknemer van CTS is gevraagd. Het oordeel in rov. 6.16 dat de fraude pas naar aanleiding van een controle van de Belastingdienst in 2014 en dus na de aanbestedingsprocedure aan het licht is gekomen,33.is niet onbegrijpelijk. Het in stand blijven van dat oordeel (ontdekking pas in 2014) betekent dat de stellingen (i)-(iii) niet tot een ander oordeel kunnen leiden.
3.25
Voorts klaagt het middel dat het hof, gelet op het partijdebat, niet (zonder meer) kon aannemen dat de vermelding van CTS in het transactievoorstel niet zou wijzen op een (verdergaande) actieve betrokkenheid van CTS bij de fraude. CTS zou hebben volstaan met de opmerking dat het gebruikelijk is in dit soort kwesties dat wordt gekomen tot een afwikkeling voor de hele groep van vennootschappen. In het kader van haar betwisting had CTS meer moeten stellen, zeker nu informatie over de fraude in het domein van CTS ligt.
3.26
De klacht mist feitelijke grondslag. CTS heeft namelijk méér aangevoerd dan VWS in haar cassatiemiddel vermeldt. Ik citeer uit de pleitaantekeningen die de advocaat van CTS bij het hof heeft voorgedragen (cursivering in origineel, A-G):
“Vermeende uitsluitingsgrond
3.13.
In de eerste plaats is het zo dat Connexxion [hiermee wordt CTS bedoeld, A-G], in tegenstelling tot wat VWS suggereert, helemaal niet bekend was met een onderzoek van de Belastingdienst dat naar veel later is gebleken, in 2012 was ingesteld. Daarnaast heeft te gelden dat, zoals reeds door Connexxion verduidelijkt en niet weersproken door VWS, Connexxion geen feitelijke rol had in het handelen dat heeft geleid tot de transactie. VWS kan wel blijven volhouden dat de omstandigheid dat in het transactievoorstel wordt gesproken over “Connexxion Nederland N.V. en haar dochters en deelnemingen” ook zou betekenen dat Connexxion zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige fout, maar dat maakt het niet feitelijk juist.
3.14.
Het voorgaande geldt temeer, omdat er destijds uitsluitend aangifte is gedaan tegen Connexxion Openbaar Vervoer N.V. en niet ook tegen Connexxion of enige andere deelneming of dochteronderneming. Dat er vervolgens in het transactievoorstel wordt gesproken over “Connexxion Nederland N.V. en haar dochters en deelnemingen” is ook niet vreemd, het is gebruikelijk in dit soort kwesties om tot een afwikkeling te komen voor de hele groep. Het is namelijk, zoals VWS zelf ook al heeft geconstateerd, een theoretische mogelijkheid (die zich uitdrukkelijk niet heeft voorgedaan) dat er op basis van de afgegeven 403-verklaring of fiscale eenheid uitgeweken kan worden naar het hoofd van de groep. Je wil dus ook kwijting voor alle tot de groep behorende partijen bedingen. Dat betekent echter niet ook dat deze groepsvennootschappen zich schuldig hebben gemaakt aan enig feit. Integendeel, dat betekent hoogstens dat zij het slachtoffer zijn van daden van anderen. Bij de “ernstige fout” gaat het immers om fouten van de inschrijver zélf, die zodanig zijn dat de integriteit in twijfel moet worden getrokken.
3.15.
Daarnaast moeten we niet uit het oog verliezen dat het bij de toepassing van uitsluitingsgronden aan VWS is om aan te tonen dat er sprake is van een ernstig verwijt dat de integriteit van Connexxion doet betwijfelen. Het is niet aan Connexxion om aan te tonen dat er geen sprake is van een dergelijk verwijt. Dat kan ook niet van Connexxion worden gevraagd nu het leveren van bewijs van een negatief feit veelal onmogelijk is. Connexxion heeft bovendien inmiddels meermaals toegelicht dat ten aanzien van één van haar medewerkers, die was gedetacheerd bij Connexxion Openbaar Vervoer NV, ten onrechte subsidie is aangevraagd door deze zusteronderneming. Omdat de subsidietoekenning formeel via de werkgever loopt, heeft correctie van deze onjuiste aanvraag en toekenning bij Connexxion uiteindelijk geleid tot de hiervoor reeds genoemde naheffingsaanslag van € 2.946,-. Connexxion ziet niet in hoe deze feiten en omstandigheden een ernstige fout opleveren die haar integriteit doen betwijfelen.
3.16.
VWS komt in haar bewijslevering echter niet verder dan de letterlijke tekst van het transactievoorstel en houdt op geen enkele manier rekening met de feiten en omstandigheden die daaraan vooraf zijn gegaan en de bedoelingen van de partijen bij dat transactievoorstel. Een dergelijke beperkte, en bovendien onjuiste lezing is in de ogen van Connexxion onvoldoende voor de vaststelling van een ernstige fout.
3.17.
Tot slot verwijst Connexxion naar rechtsoverweging 5.4 van het arrest van de Hoge Raad, waarin de Hoge Raad oordeelt dat:
“… In de eerste plaats gaat het hier om een (gestelde) omstandigheid die ten tijde van de gunningsbeslissing van VWS niet bekend was, zodat VWS daar geen rekening kon of moest houden.”
3.18
Hieruit volgt dat, zélfs als er sprake zou zijn van een ernstige fout zijdens Connexxion, deze omstandigheid geen rol kan spelen in de discussie die vandaag voor ligt.”
3.27
VWS klaagt dat uit rov. 5.4 van het eindarrest van de Hoge Raad niet kan worden afgeleid dat de op CTS van toepassing zijnde uitsluitingsgronden niet in de weg staan aan toewijzing van de vorderingen van CTS.
3.28
VWS miskent hier dat het hof dit niet afleidt uit het arrest van de Hoge Raad. Het hof overweegt alleen dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat VWS ten tijde van de gunningsbeslissing niet wist van de gestelde fraude. Dat oordeel is juist, zoals VWS ook erkent in de procesinleiding. De klacht mist daarmee feitelijke grondslag.
3.29
In voetnoot 16 van de procesinleiding zit ook nog een klacht verstopt. De stellingen van VWS zijn onbegrijpelijk uitgelegd indien het hof heeft miskend dat VWS niet alleen heeft aangevoerd dat CTS een ernstige beroepsfout heeft begaan (feit), maar ook dat het niet hebben voldaan aan verplichtingen tot betaling van belastingen een uitsluitingsgrond vormt (kwalificatie). Ook heeft CTS vals verklaard, wat eveneens een uitsluitingsgrond oplevert.
3.30
Deze klacht slaagt evenmin. Het niet betalen van belastingen is een direct gevolg van de gestelde belastingfraude, zodat het hof niet was gehouden dat laatste als aparte uitsluitingsgrond te vermelden. Het argument van de vermeend valse verklaring heeft het hof uitgebreid behandeld (rov. 6.15, derde zin en rov. 6.16).
3.31
De conclusie is dat ook onderdeel 4 faalt.
Onderdeel 5 - toerekenbaarheid
3.32
Dit onderdeel bestaat uit twee subonderdelen. Subonderdeel 5.1 is gericht tegen rov. 6.19 en subonderdeel 2 tegen rov. 6.10.
Subonderdeel 1
3.33
Rov. 6.19 luidt als volgt:
“Met betrekking tot het verweer van VWS dat de onrechtmatige daad niet te wijten was aan zijn schuld en dat de door hem geschonden norm (de beginselen van gelijke behandeling en transparantie) niet strekt tot bescherming tegen de (gestelde) schade geleden door CTS, overweegt het hof het volgende. In het algemeen kan handelen in strijd met de wet of met wettelijke beginselen worden geweten aan de schuld van de dader, zeker als de dader een bestuursorgaan is. VWS heeft geen steekhoudende redenen aangevoerd waarom dat in dit geval anders zou zijn. Ook het beroep op het relativiteitsvereiste faalt. De beginselen van gelijke behandeling en transparantie strekken mede tot bescherming van CTS, die in aanmerking zou zijn gekomen voor gunning van de opdracht als VWS die niet in strijd met de aanbestedingsvoorwaarden aan de Combinatie zou hebben gegund.”
3.34
Het subonderdeel voert in de eerste plaats een rechtsklacht aan. Volgens het middel heeft het hof in de door mij in dit citaat onderstreepte zinsdelen blijk gegeven van een onjuiste, want een voor VWS te strenge, opvatting van het begrip ‘schuld’ in de zin van art. 6:162 lid 3 BW.
3.35
Deze klacht geeft mij aanleiding tot enkele beschouwingen over de voorwaarden die kunnen worden gesteld aan een vordering tot schadevergoeding na het mislopen van een opdracht als gevolg van onrechtmatig handelen van een aanbestedende dienst die een overheidslichaam is. Dit onderwerp wordt voor een deel beheerst door het Unierecht. Ik zal daarmee beginnen.
a. Unierechtelijke voorwaarden voor rechtsbescherming in aanbestedingszaken
3.36
Op de aanbestedingsprocedure in deze zaak is temporeel van toepassing Richtlijn 89/665/EEG (hierna: Rechtsbeschermingsrichtlijn34.), zoals gewijzigd bij Richtlijn 2007/66/EG.35.De Rechtsbeschermingsrichtlijn heeft dezelfde materiële werkingssfeer als Richtlijn 2004/18/EG, de algemene aanbestedingsrichtlijn.36.Ook opdrachten voor diensten, zoals hier aan de orde, vallen daarom onder de Rechtsbeschermingsrichtlijn.
3.37
De Rechtsbeschermingsrichtlijn verplicht lidstaten ervoor te zorgen dat doeltreffende en snelle rechtsmiddelen voor ondernemers ter beschikking staan wanneer die zich benadeeld achten door een beslissing van een aanbestedende dienst. Het gaat daarbij om de minimumvoorwaarden waaraan nationale procedures moeten voldoen om verenigbaar te zijn met de Unierechtelijke regels inzake overheidsopdrachten.37.Art. 2 lid 1, onder c, Rechtsbeschermingsrichtlijn verplicht de lidstaten te voorzien in een maatregel tot toekenning van schadevergoeding aan benadeelde inschrijvers. De wetgever zag geen noodzaak om deze bepaling te implementeren omdat de Nederlandse wetgeving al voldeed aan de eisen die de Rechtsbeschermingsrichtlijn op dit punt stelt.38.
3.38
De voorwaarden voor toekenning van schadevergoeding zijn in de richtlijn niet uitputtend geharmoniseerd. Aanvullende nationale regels van materiële en processuele aard die gelden in een procedure waarin de naleving van aan het Unierecht ontleende aanspraken wordt afgedwongen, kunnen daarom worden toegepast, mits zij voldoen aan de vereisten van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid.39.
3.39
Het Hof van Justitie heeft het voorgaande bevestigd in het arrest Strabag40.uit 2010, dat betrekking heeft op de effectiviteit van het recht op toekenning van schadevergoeding als bedoeld in art. 2 lid 1, onder c, Rechtsbeschermingsrichtlijn. Het Hof oordeelde dat die bepaling zich verzet tegen een nationale regeling die de toekenning van schadevergoeding afhankelijk stelt van schuld van de aanbestedende dienst:41.
“39 […] [H]et in artikel 2, lid 1, sub c, van richtlijn 89/665 bepaalde beroep tot schadevergoeding [kan] in voorkomend geval slechts een procedureel alternatief vormen dat verenigbaar is met het effectiviteitsbeginsel dat ten grondslag ligt aan de door die richtlijn nagestreefde doelstelling van doeltreffendheid van de beroepen […], indien de mogelijkheid om schadevergoeding toe te kennen bij schending van de regels inzake overheidsopdrachten evenmin als de overige in artikel 2, lid 1, bepaalde beroepsprocedures afhangt van de vaststelling dat de aanbestedende dienst schuld treft.
40 Zoals de Europese Commissie heeft aangevoerd, is het in dit verband weinig relevant dat, anders dan de nationale regeling waarop het reeds aangehaalde arrest van 14 oktober 2004, Commissie/Portugal, betrekking heeft, de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling de gelaedeerde niet belast met het bewijs dat de aanbestedende dienst schuld treft, maar de aanbestedende dienst verplicht het op hem rustende vermoeden van schuld te weerleggen en de daartoe inroepbare gronden beperkt.
41 Laatstgenoemde regeling houdt immers ook het gevaar in dat de inschrijver die door een onrechtmatig besluit van een aanbestedende dienst is gelaedeerd, toch het recht op vergoeding van de door dat besluit veroorzaakte schade wordt ontnomen indien de aanbestedende dienst erin slaagt het op hem rustende vermoeden van schuld te weerleggen. […].”
In het arrest Commissie/Portugal uit 2004, waarnaar wordt verwezen in het geciteerde punt 40, had het Hof al geoordeeld dat schuld in deze context niet als vereiste kan worden gesteld.42.
3.40
Uit het voorgaande volgt dat voor het recht op schadevergoeding wegens schending van de regels voor Europese aanbestedingen43.die schending aan de aanbestedende dienst toe te rekenen moet zijn, maar dat schuld niet de enige grond voor toerekenbaarheid mag zijn.
b. Nationaal aansprakelijkheidsrecht: toerekening onrechtmatig handelen aan overheid
3.41
Toerekening vormt de schakel tussen de daad en de dader. Op grond van art. 6:162 lid 3 BW kan onrechtmatig handelen op drie gronden aan de dader worden toegerekend: op grond van schuld van de dader, krachtens een (specifieke) wettelijke bepaling, of op grond van de in het verkeer geldende opvattingen.44.Met deze drie toerekeningsgronden is beoogd aansluiting te zoeken bij de in de rechtspraak onder het oude BW tot ontwikkeling gekomen verruiming van het schuldbegrip met risico-elementen.45.Omdat daardoor het schuldbegrip was opgerekt, zijn in het Nieuw BW de verkeersopvattingen als grond voor toerekening geïntroduceerd.46.De verkeersopvattingen zijn in art. 6:162 lid 3 BW opgenomen om buiten twijfel te stellen dat ook als een onrechtmatige daad niet verwijtbaar is aan de concrete dader er redenen kunnen zijn haar toch aan die dader toe te rekenen en dus voor diens risico te laten komen. In de praktijk staat schuld als grond voor toerekening nog wel voorop. De verkeersopvattingen fungeren vaak als ‘vangnet’ als schuld niet kan worden vastgesteld.47.
3.42
Het begrip ‘schuld’ in de zin van art. 6:162 lid 3 BW vereist namelijk dat iemand een verwijt kan worden gemaakt van een gebeurtenis die nadelige gevolgen heeft. Iemand wordt verantwoordelijk gehouden voor deze nadelige gevolgen, wat impliceert dat deze persoon anders had kunnen en moeten handelen dan hij heeft gedaan.48.Het schuldvereiste ziet op de verwijtbaarheid van de concrete dader en moet in subjectieve zin worden opgevat.49.Aan het leggen van een schuldverband tussen de dader en zijn gedraging kan bijvoorbeeld de afwezigheid van kennis en/of ervaring in de weg staan.50.Rechtsdwaling echter zal doorgaans voor risico komen van de partij die een onrechtmatige daad heeft gepleegd en hoeft in zijn algemeenheid niet aan het aannemen van schuld in de weg te staan.
3.43
Ik zal mijn betoog verder toespitsen op onrechtmatig handelen van een overheidslichaam. Rechtsdwaling kan doorgaans aan een overheidslichaam worden toegerekend krachtens de in het verkeer geldende opvattingen.51.In haar verhouding tot de burger draagt de overheid het risico van een door haar gegeven maar later door de rechter onjuist bevonden uitleg van de wet. In zo’n geval dient de hoedanigheid van de dader (de overheid) als grond voor toerekening, omdat die hoedanigheid meebrengt dat de dader deskundig kan worden geacht ten aanzien van het onderwerp waaromtrent hij dwaalt en/of omdat hij de schade die het gevolg is van zijn dwaling voor rekening kan brengen van een groot aantal personen, wat vaak redelijker wordt geacht dan de schade voor rekening te laten komen van een individuele burger of onderneming.52.Aan toerekenbaarheid van schade wegens een onrechtmatig besluit staat niet in de weg dat de rechter bij zijn beslissing het besluit te vernietigen is uitgegaan van een rechtsopvatting die ten tijde van het vaststellen van het bestreden besluit voor het overheidslichaam niet voorzienbaar was.53.In de literatuur is daar kritiek op geuit.54.
3.44
De regel dat de overheid het risico draagt van haar handelen is overigens niet beperkt tot ‘besluitenaansprakelijkheid’. Het is mijns inziens niet goed voorstelbaar dat in andere gevallen van onrechtmatig overheidshandelen een onjuiste opvatting van wat rechtens geldt niet voor rekening van de overheid zou behoren te komen.55.Ook in dat geval berust de toerekening niet op schuld (verwijtbaarheid) maar op de in het verkeer geldende opvattingen. Daartoe verwijs ik naar het arrest Staat/[…]56.uit 2015. Daar ging het om schade als gevolg van een onjuiste implementatie van bepalingen uit een Europese richtlijn in een wet in formele zin. De Hoge Raad overwoog:
“3.5.1 Het onderdeel bevat voorts de klacht dat het hof ten onrechte is uitgegaan van de regel van het arrest Staat/[…], dat in beginsel de schuld is gegeven van het overheidslichaam dat het met een hogere regeling strijdig voorschrift heeft uitgevaardigd.
3.5.2
Deze klacht faalt. In het arrest Staat/[…] is beslist dat indien een overheidslichaam een onrechtmatige daad pleegt door een met een hogere regeling strijdig voorschrift uit te vaardigen en op grond van dit voorschrift te handelen, daarmee in beginsel de schuld van het overheidslichaam is gegeven (lees thans: de toerekenbaarheid aan het overheidslichaam is gegeven). Er bestaat onvoldoende grond om deze regel niet toe te passen ingeval wetgeving in formele zin strijdt met rechtstreeks werkend internationaal recht of met de verplichting tot implementatie van een Europese richtlijn. De wetgever in formele zin en dus de Staat draagt immers de verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de door hem uitgevaardigde wetgeving daarmee in overeenstemming is. Het ligt op de weg van de Staat de feiten en omstandigheden te stellen die in het voorliggende geval een uitzondering op het in dat arrest genoemde beginsel rechtvaardigen.”
Het door mij onderstreepte zinsdeel illustreert in zekere zin de overgang van oud BW naar het huidige BW: ging het voorheen alleen om schuld als voorwaarde voor aansprakelijkheid voor onrechtmatig handelen, thans komt het aan op de toerekenbaarheid en die kan ook worden gefundeerd op de verkeersopvattingen.
3.45
Ik zie niet in waarom de toerekening op grond van de verkeersopvattingen niet ook in beginsel gegeven is wanneer de overheid in het kader van privaatrechtelijk optreden onrechtmatig handelt, bijvoorbeeld door in een aanbestedingsprocedure een met de wet en/of het Unierecht strijdige gunningsbeslissing te nemen. De toerekenbaarheid aan een overheidslichaam is niet zonder meer in alle gevallen een vaststaand gegeven. Indien het onrechtmatig handelen bestaat in schending van een rechtsregel van Unierecht (zoals in deze zaak) kan het bijvoorbeeld relevant zijn als het overheidslichaam zich daarbij heeft geconformeerd aan het standpunt van de Europese Commissie dat een bepaalde regel moet worden uitgelegd volgens uitleg A, terwijl later het Hof van Justitie beslist dat uitleg B de juiste uitleg is. Een dergelijke situatie doet zich in deze zaak echter niet voor.
c. Bespreking van de klacht
3.46
Ik stel voorop dat in deze procedure vaststaat dat VWS onrechtmatig heeft gehandeld jegens CTS door in 2013 de opdracht te gunnen aan de Combinatie (rov. 4.2 van het vonnis en rov. 6.12 van het bestreden arrest). De vraag die daarmee aan de orde is, is of dit onrechtmatig handelen op grond van art. 6:162 lid 3 BW aan de Staat kan worden toegerekend.
3.47
In rov. 6.19 van het arrest neemt het hof voorshands aan dat de schuld van VWS gegeven is: “In het algemeen kan handelen in strijd met de wet of met wettelijke beginselen worden geweten aan de schuld van de dader, zeker als de dader een bestuursorgaan is.” Vervolgens overweegt het hof dat “VWS […] geen steekhoudende redenen [heeft] aangevoerd waarom dat in dit geval anders zou zijn.”
3.48
Het oordeel van het hof strekt zich niet, althans niet expliciet, uit tot de vraag of in het voorliggende geval op grond van de geldende verkeersopvattingen kan worden aangenomen dat het onrechtmatig handelen aan de Staat moet worden toegerekend. Rov. 6.19 vermeldt enkel ‘schuld’ als grond voor toerekening. Gelet op de voorafgaande uiteenzetting (zie onder b.) meen ik dat in het voorliggende geval de verkeersopvattingen een alternatieve grond voor toerekenbaarheid vormen nu de overheid het risico draagt van een onjuiste uitleg van de wet en het Unierecht. Om die reden heeft VWS geen belang bij haar rechtsklacht over de uitleg die het hof in rov. 6.19 heeft gegeven van schuld als grond voor toerekening. Ik licht dit nader toe.
3.49
Op grond van art. 25 Rv kan (en moet) de Hoge Raad zo nodig de rechtsgronden aanvullen van het oordeel van het hof dat het onrechtmatig handelen kan worden toegerekend aan de Staat door de toerekenbaarheid te baseren op de verkeersopvattingen. Indien de inhoud van de verkeersopvattingen aan de hand van objectieve aanknopingspunten wordt vastgesteld, is de vraag naar hetgeen de verkeersopvattingen meebrengen een rechtsvraag en kan de rechter daarover ambtshalve oordelen.57.Voor die beoordeling is geen feitelijk onderzoek nodig. De rechter kan zijn oordeel geven op grond van wat in de procedure is vast komen te staan. De verkeersopvattingen zijn in dit geval zodanig uitgekristalliseerd (zie nogmaals 3.43 e.v.) dat zij in deze zaak niet tot een ander oordeel kunnen leiden – ook niet na vernietiging en verwijzing – dan dat het onrechtmatig handelen van VWS aan de Staat moet worden toegerekend. De Hoge Raad kan hier zelf de toepasselijke verkeersopvatting formuleren.58.
3.50
De slotzin van de in 3.44 geciteerde rov. 3.5.2 van het arrest Staat/[…] doet aan het voorgaande niet af. Daar wordt ruimte gelaten voor ‘tegenbewijs’ van de Staat, maar volgens het hof heeft VWS in deze zaak “geen steekhoudende redenen aangevoerd waarom dat in dit geval anders zou zijn”. VWS heeft zijn verweer op het punt van de toerekenbaarheid van het onrechtmatig handelen niet beperkt tot een verweer tegen het aannemen van schuld.59.Met het zojuist geciteerde zinsdeel heeft het hof impliciet gerespondeerd op het verweer van de Staat dat toerekening (ook) niet op de verkeersopvattingen kan worden gebaseerd.
3.51
VWS heeft dan ook geen belang bij de rechtsklacht tegen de aangevochten passage uit rov. 6.19.60.Dat betekent dat, ook indien de tegen rov. 6.19 gerichte rechtsklacht met betrekking tot het aannemen van schuld als grond voor toerekenbaarheid terecht zou zijn voorgesteld, die klacht wegens gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden.
3.52
In de zojuist verdedigde benadering waarin de toerekening wordt gebaseerd op de verkeersopvattingen, wordt tevens een richtlijnconforme uitleg gegeven van art. 6:162 lid 3 BW. Het Unierecht vereist een bepaald resultaat, in dit geval: dat een vordering tot schadevergoeding van een onderneming die ten onrechte een Europees aanbestede opdracht heeft misgelopen niet kan stranden op het ontbreken van schuld van de aanbestedende dienst en daarom op een andere grond aan deze moet kunnen worden toegerekend. Dat resultaat wordt hier bereikt omdat toerekening kan worden gebaseerd op de in het verkeer geldende opvattingen.61.
3.53
Slotsom is dat de rechtsklacht van subonderdeel 5.1 geen doel treft.
3.54
Subonderdeel 5.1 richt in de tweede plaats motiveringsklachten tegen rov. 6.19 en wijst daarbij op de volgende omstandigheden:62.
(i) Na de gunning aan de Combinatie is CTS geïnformeerd. Er is tijd gegund om een kort geding te starten. Dit heeft CTS gedaan. De Combinatie is tussengekomen.
(ii) De voorzieningenrechter verbood de opdracht aan de Combinatie te gunnen, maar gebood niet om de opdracht aan CTS te gunnen.
(iii) De Combinatie (en VWS) stelden spoedappel in. De Combinatie vorderde een gebod om de opdracht aan haar te gunnen.
(iv) De gebodsvordering van de Combinatie werd door het hof, na vernietiging en opnieuw rechtdoende, toegewezen.63.
(v) VWS heeft conform dit gebod de opdracht op 28 oktober 2013 aan de Combinatie gegund. Een andere keuze had VWS niet. Het vervoer moest worden uitgevoerd.
3.55
Gelet op deze stellingen, waarvan het hof de juistheid in het midden laat, valt volgens VWS niet in te zien dat VWS een (relevant) verwijt kan worden gemaakt van de gunning. VWS had geen andere mogelijkheid. Daarmee gaat VWS er dus van uit dat schuld in de zin van art. 6:162 BW veronderstelt dat een mogelijkheid tot anders handelen bestaat.
3.56
Gelet op het voorgaande faalt de klacht bij gebrek aan belang. Nu toerekening in dit geval (in elk geval) kan worden gebaseerd op de verkeersopvatting, wat ik zojuist heb toegelicht, doen de verschillende redenen waarom VWS geen verwijt kan worden gemaakt, niet meer ter zake voor de vraag of de onrechtmatige daad aan de Staat kan worden toegerekend.
3.57
VWS betoogt verder dat een nadere motivering van het oordeel over toerekening op grond van schuld was geboden.
3.58
Die klacht strandt om dezelfde reden bij gebrek aan belang.
3.59
VWS klaagt tot slot dat zonder nadere motivering niet valt in te zien dat VWS zou kunnen worden verweten dat zij de opdracht niet aan CTS heeft gegund in de periode tussen het kortgedingvonnis en de vernietiging daarvan door het hof.
3.60
Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft dat namelijk niet geoordeeld.
Subonderdeel 5.2
3.61
Subonderdeel 5.2 is gericht op rov. 6.10. Deze overweging luidt:
“6.10 Uit het voorgaande volgt dat grieven 1, 3 en 4 van CTS slagen. Indien VWS zich, toen zij op 28 oktober 2013 de opdracht aan de Combinatie gunde, ervan bewust was geweest dat dit niet geoorloofd was, bestond er geen juridisch beletsel voor het gunnen van de opdracht aan CTS en bestond er meer in het bijzonder geen verplichting over te gaan tot heraanbesteding. Van intransparantie zou geen sprake zijn geweest indien VWS de Combinatie zonder meer zou hebben uitgesloten op grond van een ernstige beroepsfout. In dat geval zou VWS immers de aanbestedingsvoorwaarden hebben toegepast waarvan alle (daadwerkelijke en potentiële) inschrijvers kennis hadden kunnen nemen. Potentiële inschrijvers die een ernstige beroepsfout hebben gepleegd en, afgaande op de voorwaarden van de aanbesteding, van inschrijving hebben afgezien, hebben dat terecht gedaan, want (ook) zij hadden zonder meer van inschrijving moeten worden uitgesloten. Inschrijvers die een ernstige beroepsfout hebben gepleegd en, afgaande op artikel 45 lid 3 Boa, hebben gespeculeerd op toepassing van een evenredigheidstoets, zijn in die
verwachting mogelijk teleurgesteld omdat het Hof van Justitie en de Hoge Raad hebben beslist dat die toets voor deze aanbestedingsprocedure niet mocht worden uitgevoerd, maar enige intransparantie is daarin niet gelegen. Grief 2 hoeft in dit licht niet meer te worden besproken.”
3.62
Het door mij onderstreepte oordeel in deze rechtsoverweging is volgens VWS onbegrijpelijk in het licht van de in de procesinleiding op p. 12 onder (a)-(g) genoemde stellingen, die allen gaan over de wisselende oordelen in de rechtsgang na het definitieve gunningsbesluit, ter illustratie van de stelling dat aan de Staat geen verwijt kan worden gemaakt. VWS was op 28 oktober 2013 gehouden het arrest van het hof van 3 september 2013 na te leven. Dit vormde een juridisch beletsel voor gunning aan CTS, aldus de klacht.
3.63
De klacht gaat niet op omdat het hof een hypothetische situatie schetst, erin bestaande dat VWS, niettegenstaande het arrest van 3 september 2013, wist dat gunning aan de Combinatie juridisch niet mogelijk zou zijn (omdat de Combinatie hoe dan ook moest worden uitgesloten). Genoemd arrest was op het punt van het gebod de opdracht te gunnen aan de Combinatie niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de cassatietermijn van acht weken in kort geding eindigde op dinsdag 29 oktober 2013. Op maandag 28 oktober 2013 kon de naleving van het arrest van 3 september 2013 dus niet worden afgedwongen. In zoverre was VWS dus ook niet gehouden aan het gebod. Het rechtsmiddel van cassatie, dat de tenuitvoerlegging zou schorsen (art. 404 Rv), kon nog in stelling worden gebracht en de opdracht kon dan aan CTS worden gegund. In de door het hof geschetste hypothetische situatie bestond er dus een alternatief voor VWS, in de zin dat er geen juridisch beletsel bestond voor het gunnen van de opdracht aan CTS.
3.64
Gelet op al het voorgaande slaagt onderdeel 5 niet.
Onderdeel 6 - feitelijkheden
3.65
De klachten in het zesde en laatste onderdeel zijn gericht tegen rov. 2.1-2.2 (onder het kopje: ‘Procesverloop in hoger beroep’) en rov. 3.22 (onder het kopje: ‘Feitelijke achtergrond’). Deze overwegingen luiden:
“2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 26 juli 2022, waarmee CTS in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 mei 2022 (hierna: het vonnis);
- de memorie van grieven van CTS;
- de memorie van antwoord van VWS, met producties;
- de productie die CTS ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
2.2
Op 6 november 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
[…]
3.22
Op 1 september 2017 heeft VWS een nieuwe aanbesteding uitgeschreven, met de intentie om op 1 januari 2018 een overeenkomst met de nieuwe vervoerder te sluiten en na een implementatieperiode van zes maanden, met ingang van 1 juli 2018 met het vervoer te beginnen. Op de nieuwe aanbesteding hebben (alleen) CTS en de Combinatie ingeschreven. De Combinatie heeft de nieuwe aanbesteding gewonnen en de opdracht (opnieuw) gegund gekregen. CTS is op de tweede plaats geëindigd.”
3.66
In subonderdeel 6.1 klaagt VWS over de onbegrijpelijkheid van de vermeldingen dat CTS ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 6 november 2023 producties heeft ingediend (rov. 2.1, laatste streepje), dat de advocaat van VWS pleitaantekeningen zou hebben overgelegd (rov. 2.2, eerste zin) en dat van de mondelinge behandeling een proces-verbaal is opgemaakt (rov. 2.2, tweede zin). Deze producties, pleitaantekeningen en dat proces-verbaal zijn respectievelijk niet ingediend, overgelegd of opgemaakt, aldus VWS.
3.67
De klacht treft geen doel. Het hof doelt kennelijk op productie 20 zijdens de Staat die op 6 oktober 2023 met een H12-formulier is ingediend voor de roldatum 6 november 2023 (procesdossier Staat, nr. 15). Dat was de datum van de mondelinge behandeling. Blijkens het wel degelijk opgemaakte proces-verbaal maakt de voorzitter van de combinatie van raadsheren aan het begin van de mondelinge behandeling melding van de ontvangst van productie 20, van het feit dat dit stuk bij partijen bekend is en deel uitmaakt van het procesdossier (p. 1 onderaan en p. 2 bovenaan). Voor zover de klacht zich richt op de overweging dat de advocaat van VWS pleitaantekeningen zou hebben overgelegd, kan aan VWS worden toegegeven dat dit niet blijkt uit het proces-verbaal.64.Het belang bij cassatie op grond van dit punt ontgaat mij echter ten ene male.
3.68
Subonderdeel 6.2 bevat een rechtsklacht en een motiveringsklacht. De vaststelling van het hof in rov. 3.22 dat alleen CTS en de Combinatie hebben ingeschreven op de nieuwe aanbesteding in 2017 zou in strijd met art. 24 Rv en/of art. 149 Rv. Bovendien is die vaststelling onbegrijpelijk. Geen van de partijen heeft dit gesteld en het is ook feitelijk onjuist. Voor zover deze vaststelling is overgenomen van rov. 2.24 van het vonnis, miskent het hof dat VWS niet gehouden was hiertegen te grieven. Het aantal inschrijvers op de aanbesteding in 2017 is volgens VWS relevant voor een eventuele schadebegroting, zo betoogt VWS.
3.69
Ook bij deze klacht ontbreekt belang. Wat er ook zij van de (on)juistheid van de vaststelling van het hof over het aantal inschrijvers, dit is geen bindende eindbeslissing waaraan de rechter in de schadestaatprocedure is gebonden.65.Het betreft namelijk – ook volgens de eigen stelling van VWS – niet een geschilpunt dat partijen verdeeld houdt en waarover het hof heeft beslist. In de schadestaatprocedure kan de rechter dus van dit oordeel afwijken. Dat er een verband zou bestaan tussen het aantal inschrijvers op de aanbesteding in 2017 en de omvang van de schade van CTS wegens het mislopen van de opdracht in 2013 spreekt overigens niet van zelf.
Slotsom
3.70
Ik kom tot de slotsom dat geen van de klachten slaagt.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑02‑2025
CTS is onderdeel van een groep die in Nederland ook regionaal busvervoer en ambulancevervoer aanbiedt.
De feiten en het procesverloop zijn gebaseerd op par. 2 t/m 5 van het bestreden arrest: Hof Den Haag 23 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:135.
Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PbEG L 134 van 30 april 2004, p. 114-240). Deze richtlijn is meermaals aangepast, maar het voor deze zaak relevante art. 45 heeft geen wijziging ondergaan.
Richtlijn 2004/18/EG is per 18 april 2016 ingetrokken en vervangen door Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PbEU L 94 van 18 maart 2014, p. 65-242).
De woorden ‘onder eerbiediging van het communautaire recht’ kunnen ook zien op het evenredigheidsbeginsel, dat een Unierechtelijk rechtsbeginsel is.
Besluit van 16 juli 2005, houdende regels betreffende de procedures voor het gunnen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (Stb. 2005, 408). Nadien is het Bao meermaals gewijzigd, maar niet het in deze zaak relevante art. 45. Het Bao is per 1 april 2013 komen te vervallen met de inwerkingtreding van de Aanbestedingswet 2012: Stb. 2012, 542 (regeling) en Stb. 2013/57 (inwerkingtreding).
Besluit van 16 juli 2005, houdende regels betreffende de procedures voor het gunnen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, Stb. 2005, 408, p. 79 onderaan, overlopend naar p. 80.
Productie 1 bij de inleidende dagvaarding.
De namens CTS in 2012 ingevulde en ondertekende Eigen Verklaring is in eerste aanleg bij akte houdende overlegging producties van 29 maart 2022 door de Staat overlegd als productie 12.
Rb. Den Haag (vzr.) 18 december 2012, zaak- en rolnummer: 429610 / KG ZA 12-1164 (niet gepubliceerd; overgelegd als productie 4 bij de inleidende dagvaarding).
https://www.acm.nl/nl/publicaties/publicatie/11222/Boete-kartel-aanbesteding-taxivervoer-RMC-en-BIOS-groep-Rijnmond. De Combinatie c.s. heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. De Rb Rotterdam vernietigde het besluit van de ACM (ECLI:NL:RBROT:2016:7663). ACM is daartegen in hoger beroep gegaan. Bij uitspraak van 23 april 2019 heeft het CBb de uitspraak in eerste aanleg vernietigd (ECLI:NL:CBB:2019:151).
Rb. Den Haag (vzr.) 17 april 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ7736, JAAN 2013/124 m.nt. W.M. Ritsema van Eck.
Het vonnis is gewezen door dezelfde voorzieningenrechter als in het eerste kort geding. Het nieuwe feit van de ernstige beroepsfout heeft klaarblijkelijk diens beoordeling doen kantelen in het nadeel van de Combinatie.
Hof Den Haag 3 september 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3723, JAAN 2013/172 m.nt. M.G.J. van der Velden.
HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:757, NJ 2015/169 met redactionele aantekening, AB 2015/277 m.nt. E. van Dam & A. Drahmann, JAAN 2015/89 m.nt. G. Verberne & P.W. Juttmann. Dit arrest is ook besproken in: M.M. Fimerius & H.P.C. Goedegebure, ‘Annotatie bij prejudiciële vragen van de Hoge Raad bij arrest van 27 maart 2015’, TA 2015/58.
Conclusie van A-G Campos Sánchez-Bordona van 30 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:506.
HvJ 14 december 2016, C-171/15, ECLI:EU:C:2016:948, NJ 2018/206 m.nt. C.E.C. Jansen, JAAN 2017/2 m.nt. A.C.M. Fischer-Braams. Zie ook: G. Bouwman, ‘Vrij verkeer - Spanning tussen het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheids- en transparantiebeginsel bij het uitsluiten van ondernemingen in het aanbestedingsrecht’, NtEr 2017/3.3 en M.M. Fimerius & H.P.C. Goedegebure, ‘Annotatie bij HvJ EU 14 december 2016, C-171/15, ECLI:EU:C:2016:948’, TA 2017/40. Verder noem ik de volgende bijdragen in buitenlandse tijdschriften: S. Smith, ‘Optional Ground for Exclusion for Grave Professional Misconduct and the Requirements for Proportionality, Equal Treatment and Transparency: C-171/15 Connexxion Taxi Services’, Public Procurement Law Review 2017, p. 86-90; J. Byok, ‘Vergaberecht - Verhältnismäßigkeitsprüfung beim Ausschluss eines Bieters’, Recht der internationalen Wirtschaft 2017, p. 124-125; E. Daniel, ‘Exclusion d'un soumissionnaire pour faute professionnelle’, Europe Février Comm. 2017, no. 2, p. 24-25.
Kamerstukken II 2016-2017, 25 847, nr. 133, tweede en derde alinea.
HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1096, NJ 2018/383.
Het Transactievoorstel is door de Staat overgelegd als productie 11 bij de memorie van antwoord.
Uit het dossier blijkt niet dat deze nieuwe aanbesteding aanleiding heeft gegeven tot procedures tussen de bij deze zaak betrokken partijen.
Rb. Den Haag 4 mei 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:4332, JAAN 2022/100 m.nt. A.J. van Heeswijck.
Hof Den Haag 23 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:135, JAAN 2024/73 m.nt. J.W.A. Meesters onder nr. 7.
Het onderdeel start met het noemen van rov. 6.6 en 6.10, met de toevoeging dat deze overwegingen gebaseerd zijn op rov. 6.3 t/m 6.5. Volgens de Staat is ‘deze oordeelsvorming’ onjuist althans onbegrijpelijk (procesinleiding, p. 5). De eigenlijke klachten richten zich vervolgens alleen op rov. 6.4 en 6.5 (procesinleiding, p. 6).
Dit is vaste rechtspraak. Zie verder: K. Lenaerts & P. van Nuffel, Europees recht, Antwerpen: Intersentia 2023, nr. 832 (p. 674) met een verwijzing naar HvJ (Grote Kamer) 6 maart 2007, C-292/04, ECLI:EU:C:2007:132, FED 2007/40 m.nt. D.S. Smit, NTFR 2007/523 m.nt. D. van Beelen (Meilicke e.a.), punt 34 en M. Broberg & N. Fenger, Broberg and Fenger on Preliminary References to the European Court of Justice, Oxford: Oxford University Press 2021, p. 411 (onder 5.1 ‘The Main Rule’) met een verwijzing naar o.a. HvJ 7 augustus 2018, C-300/17, ECLI:EU:C:2018:635, RvdW 2018/1262 (Hochtief), punt 55.
In de procesinleiding worden de volgende overwegingen geciteerd: 3.5.6-3.5.7, 3.7.1-3.7.3, 3.7.6 en de eerste prejudiciële vraag.
Zie G. Bouwman, ‘Vrij verkeer - Spanning tussen het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheids- en transparantiebeginsel bij het uitsluiten van ondernemingen in het aanbestedingsrecht’, NtEr 2017/3, p. 57 en ook J. Byok, ‘Vergaberecht - Verhältnismäßigkeitsprüfung beim Ausschluss eines Bieters’, Recht der internationalen Wirtschaft 2017, p. 124 (II.2. aan het einde): “[…] Die Kollision zwischen unionsrechtlich zugelassener nationalrechtlicher Verhältnismäβigkeitsprüfung und unionsrechtlichem Gleichbehandlungsgebot löst der EuGH zugunsten des Letzteren. Darin kommt der Vorrang des Unionsrechtes zum Ausdruck.”
Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG, Pb 2014, L 94/65 (sindsdien gewijzigd).
Zie bij de NJ-noot van C.E.C. Jansen, onder 8 en 9, en de noot van A.C.M. Fischer-Braams, JAAN 2017/2, p. 28.
Deze stellingen zijn te vinden in de memorie van antwoord zijdens VWS, in respectievelijk de volgende randnummers: 3.3 en 3.11; 3.2, 3.7 t/m 3.10 en 3.14; 3.5 en 3.10.
Zie over dit vereiste bij rechtsklachten o.m. B.T.M. van der Wiel, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/106; W.D.H. Asser, Civiele cassatie, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2018, p. 90 (tweede helft).
Dit oordeel strookt met wat bij de mondelinge behandeling bij het hof in repliek door de advocaat van CTS is gezegd (proces-verbaal, p. 4, derde streepje onder het kopje ‘Tweede termijn’): “VWS meet met twee maten. Zij verwijt CTS in 2012 een valse verklaring te hebben afgelegd. De Belastingdienst is eerst zelf bij ROCs gaan kijken naar opleidingssubsidies. Het eerste moment dat Connexxion hoorde dat er wat speelde was eind 2014. VWS verwijt CTS dus een valse verklaring te hebben afgelegd op een tijdstip waarop Connexxion nog niet wist dat er een onderzoek liep. Aan de Combinatie heeft VWS nooit verweten dat zij een valse verklaring heeft afgelegd. Terwijl de Combinatie al ruimschoots op de hoogte was van het onderzoek van de NMa op het moment van inschrijving.”
Meer precies gaat het om de Rechtsbeschermingsrichtlijn voor de ‘klassieke sectoren’. Daarnaast is er de Rechtsbeschermingsrichtlijn nutssectoren die hier niet relevant is.
Richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken (Pb 1989, L 395, p. 33), zoals gewijzigd bij Richtlijn 2007/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van de richtlijnen 89/665/EEG en 92/13/EEG van de Raad met betrekking tot de verhoging van de doeltreffendheid van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten (Pb 2007, L 335, p. 31).
Zie art. 1 lid 1 van de in deze zaak van toepassing zijnde versie van de Rechtsbeschermingsrichtlijn, zoals gewijzigd door Richtlijn 2007/66/EG.
Zie bijv. HvJ 15 september 2016, C-434/14 en C-488/14, ECLI:EU:C:2016:688, RvdW 2016/1121 (Star Storage/ICI), punt 42. Zie ook het (op dit punt nog steeds actuele) handboek van E.H. Pijnacker Hordijk, G.W. van der Bend en J.E. van Nouhuys, Aanbestedingsrecht, Den Haag: SDU 2009 (vierde druk), par. 24.2.1.
Kamerstukken II 1991/92, 22 669, nr. 3 (MvT), p. 4 (tweede alinea van par. 2.2) en p. 6-7 (par. 5). Dit is op het punt van schadevergoeding ook zo gebleven, zie bijv. Kamerstukken II 2008/09, 32 027, nr. 3 (MvT), p. 3 (eerste alinea) en p. 4 (par. 2.2) waarin wordt verwezen naar art. 6:162 BW.
Asser/Hartkamp 3-I 2023/111. Zie, in verband met de Rechtsbeschermingsrichtlijn en toegespitst op de voorwaarden voor het bepalen van de omvang van de schade, HvJ 9 december 2010, C-568/08, ECLI:EU:C:2010:751, NJ 2011/118 m.nt. M.R. Mok (Spijker Infrabouw/Provincie Drenthe), punt 92: “[…] Bij gebreke van Unierechtelijke bepalingen ter zake dient de interne rechtsorde van elke lidstaat, wanneer eenmaal aan deze voorwaarden is voldaan, de maatstaven te bepalen aan de hand waarvan de schade die het gevolg is van schending van het Unierecht inzake het plaatsen van overheidsopdrachten, moet worden vastgesteld en begroot, mits het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen.” Zie ook A.J. van Heeswijck, Rechtsbescherming van ondernemers in aanbestedingsprocedures (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2013, R&P nr. VG7 2013/3.2.5.4.
HvJ 30 september 2010, C-314/09, ECLI:EU:C:2010:567 (Stadt Graz/Strabag c.s.). Zie over dat arrest: T. Kotsonis, ‘The Basis on which the Remedy of Damages must be Made Available under the Remedies Directive: Stadt Graz v Strabag AG (C-314/09)’, Public Procurement Law Review 2011/3 p. 59-63.
Zie ook A.J. van Heeswijck, a.w. noot 39, 2013/4.2.3.3.
HvJ 14 oktober 2004, C-275/03, ECLI:EU:C:2004:632 (Commissie/Portugal), punt 32: “Dès lors, en n’abrogeant pas le décretloi n° 48 051, subordonnant l’octroi de dommagesintérêts aux personnes lésées par une violation du droit communautaire des marchés publics ou des règles nationales le transposant à la preuve d’une faute ou d’un dol, la République portugaise a manqué aux obligations qui lui incombent en vertu des articles 1er, paragraphe 1, et 2, paragraphe 1, sous c), de la directive 89/665.” (Nederlandse vertaling niet beschikbaar). Zie ook R. Caranta, ‘The interplay between EU legislation and effectiveness, effective judicial protection and the right to an effective remedy in EU public procurement law’, REALaw 2019/2, p.63-93 (p. 88-89).
Hetzelfde geldt niet zonder meer voor nationale aanbestedingen of voor aanbestedingen door particulieren.
Van Zeben, Du Pon & Olthof (red.), Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 606 en 619 (Toelichting Meijers).
Zie o.a. K.J.O. Jansen, in: GS Onrechtmatige Daad onder 11.1.4.2 en 9.1.2.
K.J.O. Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 11.1.4.1 (bijgewerkt t/m 30 december 2024), die erop wijst dat dit in lijn lijkt met de bedoeling van de wetgever. Zie daarover Reehuis & Slob (red.), Parl. Gesch. BW Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), 1990, p. 1347 (V.C. II Inv.), waar de Minister opmerkt: “Overigens kan de wenselijkheid van terughoudendheid bij de toepassing van het slot van artikel 6.3.1.1, lid 3, in het algemeen worden onderschreven. Het gaat hierbij om uitzonderingsgevallen, zoals ook uit de toelichting blijkt.”
Asser/Sieburgh 6-IV 2023/100. Zie ook T. Hartlief e.a., Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding, 2024, par. 68.
Zie rov. 5.2 van HR 20 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2588, NJ 1998/526, m.nt. A.R. Bloembergen, AB 1998/231 m.nt. T.G. Drupsteen, BNB 1998/207 m.nt. P.J. Wattel, FED 1998/357 m.nt. F.J. Streppel (B./Staat, voorlopige belastingaanslagen). Zie ook rov. 3.4 van HR 17 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3879, NJ 2000/88 m.nt. A.R. Bloembergen, (Castricum/Fatels) “[…] In cassatie is niet bestreden dat het primaire besluit — het besluit tot aanhouding van de beslissing op het verzoek om een aanlegvergunning — berust op een onjuiste uitleg van de wet en derhalve onrechtmatig is. Een zodanig onrechtmatig handelen moet steeds aan het betrokken overheidslichaam worden toegerekend. In dat geval is immers sprake van een oorzaak welke — in de bewoordingen van art. 6:162 lid 3 BW — krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van dat lichaam komt […].” Zie recenter: HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:115, NJ 2022/182 m.nt. L.A.D. Keus, AB 2022/377 m.nt. G.A. van der Veen, JB 2022/70 m.nt. C.N.J. Kortmann (X B.V./Gemeente Waalre), rov. 4.2.3: “(…) Voorts ligt in het oordeel van het hof besloten dat de stellingen van de Gemeente die er op neerkomen dat zij, net als [eiseres], heeft gedwaald ten aanzien van de begrenzing van de GHS, niet aan toerekening in de weg staan, omdat die dwaling op grond van de verkeersopvattingen voor haar rekening komt. Ook dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.”
Zie in deze zin HR 26 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9505, NJ 1987/253 m.nt. M. Scheltema, AB 1987/70 m.nt. F.H. van der Burg (Staat/[…]), rov. 3, derde alinea. Zie ook HR 30 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5523, NJ 1988/89 m.nt. M. Scheltema (Blaricum/Roozen), rov. 4.3.
De rechtspraak over risicotoerekening aan de overheid in geval van vernietigde besluiten is bekritiseerd door Di Bella. Onder verwijzing naar het profijtbeginsel pleit zij voor een onderscheid tussen overheidsbesluiten in het algemeen belang en overheidsbesluiten ten behoeve van particuliere belangen. Zie L. Di Bella, De toepassing van de vereisten van causaliteit, relativiteit en toerekening bij de onrechtmatige overheidsdaad (diss. Leiden), 2014, p. 159 e.v. Eveneens kritisch is Schutgens, die in essentie betoogt dat in geval van een koerswijziging in de rechtspraak geen plaats zou moeten zijn voor risicotoerekening aan de overheid. R.J.B. Schutgens, ‘Automatische toerekening revisited’, in: C.J.H. Jansen e.a. (red.), Nijmeegs Europees privaatrecht (bundel C.H. Sieburgh), Deventer: Kluwer 2018, p. 95-121. Zie voor een verder overzicht van bijdragen over dit onderwerp: K.J.O. Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 11.4.5.2 (bijgewerkt t/m 30 december 2024).
In deze zin Asser/Sieburgh 6-IV 2023/360. Zie ook G. Snijders, Overheidsprivaatrecht, bijzonder deel (Mon. BW nr. A26b) 2015/26a.
HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2722, NJ 2016, 166 m.nt. S.D. Lindenbergh, AB 2016, 30 m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, JB 2015/181 m.nt. D.G.J. Sanderink, O&A 2015/90 m.nt. J. Uzman, JAR 2015/257 m.nt. J.R. Vos (Staat/[…]).
Asser/Sieburgh 6-IV 2023/107 (aan het einde) en nr. 126.
Dit is eerder gebeurd bij toerekening aan de Staat van een onjuiste uitleg van de wet, zoals gesignaleerd in K.J.O. Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 11.1.7 (bijgewerkt t/m 30 december 2024) met een verwijzing naar HR 20 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2588, NJ 1998/526, m.nt. A.R. Bloembergen, AB 1998/231 m.nt. T.G. Drupsteen, BNB 1998/207 m.nt. P.J. Wattel, FED 1998/357 m.nt. F.J. Streppel (B./Staat, voorlopige belastingaanslagen), rov. 5.2.
Het hof heeft aan het begin van rov. 6.19 overwogen dat de Staat betoogt dat de onrechtmatige daad niet te wijten was aan zijn schuld. Dit lijkt te verklaren doordat CTS zich van meet af aan op het standpunt heeft gesteld dat toegerekend kan worden op grond van schuld (inleidende dagvaarding, onder 43). VWS heeft in eerste aanleg bepleit dat schuld ontbreekt (conclusie van antwoord, onder 3.4-3.6), maar in appel zich beroepen op een gebrek aan ‘toerekenbaarheid’ in zijn algemeenheid (memorie van antwoord onder 2.22, aan het einde).
Vergelijk, zij het in een geheel andere feitelijke context: HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1797, RvdW 2025/43, AA 2025/129 m.nt. A.J.M. Nuytinck, JERF 2025/14 m.nt. W.D. Kolkman, rov. 3.7.
Zie ook het proefschrift van Van Heeswijck, a.w., 2013/2.3.3: “Het door het HvJ in Strabag voorgeschreven resultaat van automatische toerekening van schendingen van aanbestedingsregels aan de aanbestedende dienst kan in het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht worden bereikt door het begrip ‘verkeersopvattingen’ in artikel 6:162 lid 3 BW richtlijnconform te interpreteren.”
Deze stellingen zijn te vinden in de MvA zijdens de Staat, onder respectievelijk: 2.13 en 2.15; 2.17; 2.18; 2.19-2.20; 2.22.
In voetnoot 27 van de procesinleiding stelt VWS dat het hof (in 2013) ‘zijn veroordeling’ uitvoerbaar bij voorraad had verklaard. Ik lees dat anders. Het hof verklaarde in het laatste gedachtestreepje van het dictum van het arrest van 3 september 2013 (ECLI:NL:GHDHA:2013:3723) de proceskostenveroordeling en de veroordeling tot terugbetaling uitvoerbaar bij voorraad (“verklaart voormelde proceskostenveroordeling en voormelde veroordeling tot terugbetaling uitvoerbaar bij voorraad”), maar niet tevens het gebod de opdracht aan De Combinatie te gunnen.
Voor wat betreft onderdeel 6 refereert CTS zich aan het oordeel van de Hoge Raad (schriftelijke toelichting nr. 2.63).
T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14) 2024/5.5: “Uitgangspunt is dat de rechter in de schadestaatprocedure is gebonden aan beslissingen in de hoofdprocedure. […] De binding geldt slechts voor zover het om een bindende eindbeslissing gaat. […].”
Beroepschrift 22‑04‑2024
PROCESINLEIDING VORDERINGSPROCEDURE HOGE RAAD
Algemeen
Gerecht: | Hoge Raad der Nederlanden |
Adres: | Korte Voorhout 8 |
2511 EK DEN HAAG | |
Datum indiening: | 22 april 2024 |
Uiterste verschijndatum verweerster: | 23 mei 2024 |
De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in art. 15a Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10:00 uur.
Partijen en advocaten
Eiser tot cassatie
Naam en vestigingsplaats: | de Staat der Nederlanden (ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), |
zetelend in Den Haag, | |
hierna: VWS, | |
Advocaat bij de Hoge Raad: | mr. J.W. de Jong, die door eiser is aangewezen om hem in cassatie te vertegenwoordigen |
Kantoor en kantooradres advocaat: | Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V. |
Bezuidenhoutseweg 57 | |
2594 AC DEN HAAG |
Verweerster in cassatie
Naam en vestigingsplaats: | Connexxion Taxi Services B.V., |
gevestigd in IJsselmuiden, | |
hierna: CTS, | |
Advocaat laatste feitelijke instantie: | mr. J.F. van Nouhuys |
Kantoor en kantooradres advocaat: | Straatman Koster Advocaten |
Weena 690 | |
3012 CN ROTTERDAM |
Bestreden uitspraak
Instantie: | Gerechtshof Den Haag |
Datum: | 23 januari 2024 |
Zaaknummer: | 200.317.674/01 |
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van het vormvereiste van een toereikende motivering doordat het hof heeft geoordeeld als in het bestreden arrest, dit ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen redenen:
1. Inleiding en kern van de zaak
1.1
Deze zaak is een vervolg op HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:757, NJ 2015/169 en HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1096, NJ 2018/383. Na een prejudiciële procedure bij het HvJ EU, oordeelde de Hoge Raad in laatstgenoemd arrest dat VWS in strijd heeft gehandeld met het beginsel van gelijke behandeling en de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting, door op grond van een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel een opdracht voor taxivervoer voor mensen met een mobiliteitsbeperking te gunnen aan een combinatie van drie taxibedrijven (hierna: de Combinatie), hoewel was vastgesteld dat de Combinatie een ernstige beroepsfout had begaan.
1.2
De opdrachtverstrekking aan de Combinatie was het gevolg van een veroordeling door het hof Den Haag om de opdracht juist wél aan de Combinatie te gunnen, omdat uitsluiting onder de voormelde evenredigheidstoets onevenredig zou zijn geweest.1. In de onderhavige procedure vordert CTS, die in de aanbestedingsprocedure als tweede was geëindigd, schadevergoeding vanwege onrechtmatige gunning. CTS stelt zich op het standpunt dat zij de opdracht zou hebben verkregen als VWS de Combinatie zou hebben uitgesloten. CTS begroot haar schade, vanwege onder meer misgelopen winst, op meer dan € 89 miljoen.
1.3
Het hof heeft CTS in het gelijk gesteld, met dien verstande dat het zich niet in staat achtte om de schade te begroten. Het hof heeft VWS daarom veroordeeld tot vergoeding van de schade die CTS zou hebben geleden, nader op te maken bij staat.
1.4
VWS meent dat deze beslissing niet in stand kan blijven. Het hof passeert namelijk ten onrechte, onder meer, het verweer van VWS dat de aanbestedingsvoorwaarden niet de nationaalrechtelijke verplichting wegnamen om de uitsluiting van de Combinatie op evenredigheid te toetsen. Het hof oordeelt daarmee tegengesteld aan de Hoge Raad, die in zijn hiervoor genoemde tussenarrest uit 2015 herhaaldelijk heeft overwogen dat het nationale recht wel degelijk verplicht tot het uitvoeren van een evenredigheidstoets:
‘Zoals hiervoor (…) is overwogen, verplicht het nationale recht de aanbestedende dienst om na de vaststelling dat een ernstige beroepsfout is begaan, met toepassing van het evenredigheidsbeginsel te bepalen of daadwerkelijk uitsluiting moet volgen.’2.
1.5
Dat het nationale recht verplicht tot een evenredigheidstoets lag ook ten grondslag aan de door de Hoge Raad aan het HvJ EU gestelde vraag 1a:
- ‘1.a.
Verzet het Unierecht, in het bijzonder art. 45 lid 2 van de Richtlijn 2004/18/EG betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, zich ertegen dat het nationale recht een aanbestedende dienst verplicht met toepassing van het evenredigheidsbeginsel te beoordelen of daadwerkelijk uitsluiting moet volgen van een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan?’
1.6
Uit het antwoord van het HvJ EU op deze vraag bleek dat het Unierecht zich er niet tegen verzet dat het nationale recht een aanbestedende dienst verplicht met toepassing van het evenredigheidsbeginsel te beoordelen of daadwerkelijk uitsluiting moet volgen van een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan.3. Een dergelijke verplichting dient dus tot uitgangspunt te worden genomen.
1.7
Op de vraag of een verplichting tot het uitvoeren van een evenredigheidstoets wordt geraakt door een aanbestedingsvoorwaarde die behelst dat een inschrijving waarop een uitsluitingsgrond van toepassing is terzijde wordt gelegd (vraag 1b), antwoordde het HvJ EU om te beginnen dat een dergelijke ondubbelzinnige clausule inschrijvers in staat stelt kennis te nemen van de voorwaarden van de opdracht opdat zij dienovereenkomstig kunnen handelen.4. Vervolgens overwoog het HvJ EU evenwel dat bepaalde ondernemers geneigd zouden kunnen zijn geweest een inschrijving in te dienen in de hoop te worden vrijgesteld van de uitsluiting op grond van de evenredigheidstoets, overeenkomstig de nationale regeling. Andere ondernemers, met name uit andere lidstaten, kunnen daarvan juist wél hebben afgezien op basis van de aanbestedingsvoorwaarden.5.
1.8
Omdat aldus inschrijvers legitiem van verschillende uitgangspunten kunnen zijn uitgegaan, concludeert het HvJ EU dat derhalve sprake was van strijd met het gelijkheids- en transparantiebeginsel.6. Deze conclusie — in rov. 43 — vormde de basis voor het antwoord op vraag 1b, dat strijd met het gelijkheids- en transparantiebeginsel in de weg staat aan gunning na toepassing van een evenredigheidstoets.7. Dit antwoord van het HvJ EU vormde vervolgens de grondslag voor het oordeel van de Hoge Raad, in zijn eindarrest uit 2018, dat geen andere conclusie mogelijk was dan dat VWS in strijd heeft gehandeld met het beginsel van gelijke behandeling en de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting.8.
1.9
Waar een evenredigheidstoets, ook dus volgens de Hoge Raad, op grond van het nationale recht wel verplicht was, zou de enige remedie voor deze strijd met het gelijkheids- en transparantiebeginsel zijn geweest dat VWS de opdracht opnieuw zou hebben aanbesteed (een heraanbesteding). Gunning van de opdracht aan nummer twee CTS, op basis van de bestaande aanbestedingsvoorwaarden, zou immers evenzeer in strijd zijn gekomen met het gelijkheids- en transparantiebeginsel.
1.10
Het oordeel van het hof dat de aanbesteding zonder gunning aan de Combinatie wél transparant zou zijn geweest, wordt bestreden in onderdeel 2. Onderdeel 3 klaagt over het oordeel dat VWS niet gehouden zou zijn geweest om een evenredigheidstoets uit te voeren alvorens de Combinatie te mogen uitsluiten en dat daarom geen sprake was van een klempositie. Onderdeel 4 klaagt dat het hof (daarom) ook ten onrechte aanneemt dat tussen de gunning van de opdracht aan de Combinatie en de door CTS gestelde schade causaal verband bestaat. Onderdeel 5 klaagt dat het hof ten onrechte meent dat VWS, ondanks het gebod daartoe van het hof in kort geding, schuld heeft aan de gunning aan de Combinatie. Onderdeel 6 stelt enkele feitelijke onjuistheden in het arrest aan de orde.
2. De aanbestedingsprocedure zou ook zonder gunning aan de Combinatie intransparant zijn geweest
2.1
In rov. 6.6 en 6.10 oordeelt het hof dat noch het arrest van het HvJ EU, noch de arresten van de Hoge Raad, het door de rechtbank als juist beoordeelde standpunt van VWS rechtvaardigen dat ook als gunning aan de Combinatie achterwege was gebleven, nog steeds een intransparante aanbestedingsprocedure resteerde. Het hof baseert dit oordeel op wat het in rov. 6.3 t/m 6.5 over deze arresten heeft overwogen.
Deze oordeelsvorming geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is gelet op de arresten van het HvJ EU en de Hoge Raad onbegrijpelijk. Prejudiciële vraag 1b stelde aan de orde of de nationaalrechtelijke verplichting tot het uitvoeren van een evenredigheidstoets wordt geraakt door een aanbestedingsvoorwaarde die behelst dat een inschrijving waarop een uitsluitingsgrond van toepassing is, terzijde wordt gelegd. Naar aanleiding van deze vraag overwoog het HvJ EU, in rov. 37, eerst dat een dergelijke ondubbelzinnige clausule inschrijvers in staat stelt kennis te nemen van de voorwaarden van de opdracht, opdat zij dienovereenkomstig kunnen handelen. In rov. 41 overwoog het HvJ EU vervolgens evenwel dat bepaalde ondernemers geneigd zouden kunnen zijn om een inschrijving in te dienen in de hoop te worden vrijgesteld van uitsluiting, op basis van een later onderzoek van hun situatie met toepassing van het evenredigheidsbeginsel, overeenkomstig de nationale regeling. Andere ondernemers kunnen echter ervan hebben afgezien om een inschrijving in te dienen, doordat zij zijn afgegaan op de termen van de uitsluitingsgrond ernstige beroepsfout, die geen melding maakten van een evenredigheidstoets. Dat laatste geldt, aldus het HvJ EU in rov. 42, vooral voor ondernemers uit andere lidstaten die minder bekend zijn met de relevante nationale regeling. Omdat aldus inschrijvers legitiem van verschillende uitgangspunten kunnen zijn uitgegaan, concludeert het HvJ EU, in rov. 43, dat sprake is van strijd met het gelijkheid- en transparantiebeginsel. Het is deze conclusie die de basis vormt voor het antwoord van het HvJ EU op vraag 1b, in rov. 44, dat de bepalingen van Richtlijn 2004/18, gelezen tegen de achtergrond van het beginsel van gelijke behandeling en van de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting, zich ertegen verzetten dat een aanbestedende dienst besluit om een overheidsopdracht te gunnen aan een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan (hier: de Combinatie) op de grond dat de uitsluiting van deze inschrijver in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel, terwijl een inschrijver die een dergelijke beroepsfout heeft begaan volgens de aanbestedingsvoorwaarden zonder meer moest worden uitgesloten. Dit antwoord van het HvJ EU vormde vervolgens de grondslag voor rov. 3.2.2 van het eindarrest van de Hoge Raad uit 2018, dat VWS in strijd heeft gehandeld met het beginsel van gelijke behandeling en de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting door op grond van een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel de opdracht aan de Combinatie te gunnen en dat de voorzieningenrechter met juistheid had geoordeeld dat VWS, nadat was vastgesteld dat aan de zijde van de Combinatie sprake was van een ernstige beroepsfout, geen ruimte had om een evenredigheidstoets uit te voeren.
Gelet op deze overwegingen van het HvJ EU en de Hoge Raad is in de eerste plaats onjuist, althans onbegrijpelijk, het oordeel van het hof, in rov. 6.4 en 6.5, dat het HvJ EU en de Hoge Raad de intransparantie (en ongelijke behandeling) (enkel) bezien vanuit het perspectief van inschrijvers die zijn afgegaan op de bepaling in de aanbestedingsvoorwaarden en vervolgens worden geconfronteerd met gunning van de opdracht aan een inschrijver waarop een ernstige fout van toepassing is, maar die na uitvoering van een evenredigheidstoets niet van de aanbesteding is uitgesloten. Het HvJ EU en de Hoge Raad bezien de intransparantie onmiskenbaar óók vanuit het perspectief van inschrijvers die wél geneigd zouden kunnen zijn om in te schrijven, in de hoop om op grond van een evenredigheidstoets te worden vrijgesteld van uitsluiting.
Uit voornoemde overwegingen van het HvJ EU en de Hoge Raad blijkt daarnaast, anders dan het hof oordeelt, juist dat de aanbestedingsprocedure hoe dan ook in strijd was met het beginsel van gelijke behandeling en de transparantieverplichting, dus ook als gunning aan de Combinatie achterwege was gebleven, omdat de ene groep belanghebbende ondernemers die een ernstige beroepsfout had begaan op grond van de aanbestedingsvoorwaarden van inschrijving kan hebben afgezien, aangezien zij ervan uitging dat een ernstige beroepsfout zonder meer tot uitsluiting zou leiden, terwijl de andere groep, die ondanks de aanbestedingsvoorwaarden uitging van een evenredigheidstoets wél geneigd kon zijn in te schrijven omdat zij er legitiem vanuit mocht gaan dat de Staat zijn nationaalrechtelijke verplichting zou nakomen. Niet is in te zien dat deze intransparantie was weggevallen als VWS de opdracht niet aan de Combinatie had gegund. Integendeel: uitsluiting van de Combinatie had voor de geconstateerde intransparantie geen verschil gemaakt.
3. VWS verkeerde in een klempositie; de aanbesteding was ook daarom intransparant
3.1
In rov. 6.2 t/m 6.10 motiveert het hof waarom de aanbestedingsprocedure naar zijn oordeel niet tot gevolg had dat VWS in een klempositie verkeerde. Het hof verwerpt in dit verband het standpunt van VWS dat art. 45 lid 3 Bao hem verplichtte om de uitsluiting van de Combinatie wegens een ernstige beroepsfout op evenredigheid te toetsen, ook in een situatie waarin in de aanbestedingsvoorwaarden was bepaald dat een ernstige beroepsfout zonder meer tot uitsluiting leidt (rov. 6.7 t/m 6.10).
Aldus heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof miskent dat VWS, óók in een geval als het onderhavige waarin (zoals in deze procedure vaststaat) de aanbestedingsvoorwaarden bepaalden dat een ernstige beroepsfout zonder meer tot uitsluiting zou leiden, verplicht was om te toetsen of uitsluiting evenredig was. Tot een evenredigheidstoets was VWS namelijk steeds, dus ook in dit geval, op grond van (onder meer) art. 45 lid 3 Bao gehouden, zodat uitsluiting rechtens niet zonder zodanige toetsing kon plaatsvinden. Dit blijkt, zoals gezegd, ook uit het tussenarrest van de Hoge Raad uit 2015. Zie de hierna opgenomen overwegingen uit dit arrest, alsmede prejudiciële vraag 1a:
‘3.5.6
In art. 45 lid 3 Bao zijn de facultatieve uitsluitingsgronden van art. 45 lid 2, eerste alinea, van de Richtlijn volledig overgenomen. De Nota van toelichting op art. 45 lid 3 Bao houdt omtrent de toepassing van die uitsluitingsgronden onder meer in dat de beoordeling of daadwerkelijk tot uitsluiting wordt overgegaan, gelet op de algemene uitgangspunten van de Richtlijn, steeds proportioneel en niet-discriminatoir dient te zijn; elke aanbestedende dienst behoort in het concrete geval na te gaan, afhankelijk van de aard en omvang van de opdracht, de aard en omvang van de fraude en de maatregelen die het bedrijf inmiddels heeft genomen, of een bedrijf van inschrijving moet worden uitgesloten (Stb. 2005/408, p. 79–80).
3.5.7
In het onderhavige geval is in de aanbestedingsvoorwaarden (onder meer) de facultatieve uitsluitingsgrond van art. 45 lid 3, onder d, Bao van toepassing verklaard (zie hiervoor in 3.1 onder (iii)). Gelet op hetgeen hiervoor in 3.5.6 is vermeld, verplicht het nationale recht een aanbestedende dienst ertoe om bij toepasselijkheid van een in art. 45 lid 3 Bao opgenomen facultatieve uitsluitingsgrond aan de hand van het evenredigheidsbeginsel te bepalen of daadwerkelijk uitsluiting van de betrokken inschrijver moet volgen.’
‘3.7.1
Het voorgaande illustreert enerzijds dat de aanbestedende dienst de door hemzelf vastgestelde criteria in de aanbestedingsvoorwaarden nauwgezet in acht dient te nemen, en anderzijds dat bij de toepassing van niet-verplichte uitsluitingsgronden niet alleen de beginselen van gelijke behandeling en transparantie moeten worden geëerbiedigd, maar ook betekenis toekomt aan het evenredigheidsbeginsel met inachtneming van de rechtszekerheid.’
‘3.7.2
Zoals hiervoor in 3.5.7 is overwogen, verplicht het nationale recht de aanbestedende dienst om na de vaststelling dat een ernstige beroepsfout is begaan, met toepassing van het evenredigheidsbeginsel te bepalen of daadwerkelijk uitsluiting moet volgen.
3.7.3
Gezien art. 45 lid 2, tweede alinea, van de Richtlijn kan de hiervoor in 3.7.2 bedoelde verplichting om een evenredigheidstoets te verrichten, worden beschouwd als een nationaalrechtelijke versoepeling van de criteria voor de toepassing van de facultatieve uitsluitingsgronden, zoals bedoeld in de hiervoor in 3.6.2 genoemde arresten van het HvJEU in de zaken La Cascina en Consorzio Stabile. Blijkens art. 45 lid 2, tweede alinea, van de Richtlijn dient een dergelijke nationaalrechtelijke versoepeling het Unierecht te eerbiedigen. Dit betekent met name dat de aanbestedende dienst bij het verrichten van de evenredigheidstoets met inachtneming van de rechtszekerheid de beginselen van gelijke behandeling en transparantie moet respecteren.’
‘3.7.6
In de rechtspraak van het HvJEU is evenwel nog niet de vraag beantwoord of het Unierecht, in het bijzonder art. 45 lid 2 van de Richtlijn, zich ertegen verzet dat een aanbestedende dienst naar nationaal recht verplicht is met toepassing van het evenredigheidsbeginsel te beoordelen of daadwerkelijk uitsluiting moet volgen van een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan.’
‘De vragen van uitleg van Unierecht waarvan de Hoge Raad — zoals blijkt uit hetgeen hiervoor in 3.5.1–3.7.6 en 3.9.1–3.9.4 is overwogen — beantwoording door het HvJEU nodig acht voor zijn beslissing op het cassatieberoep, zijn de volgende:
- 1.a.
Verzet het Unierecht, in het bijzonder art. 45 lid 2 van de Richtlijn 2004/18/EG betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, zich ertegen dat het nationale recht een aanbestedende dienst verplicht met toepassing van het evenredigheidsbeginsel te beoordelen of daadwerkelijk uitsluiting moet volgen van een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan?’
Aldus verkeerde VWS wel degelijk in de positie dat hij, enerzijds, op grond van (onder meer) art. 45 lid 3 Bao verplicht was om te toetsen of uitsluiting van de Combinatie evenredig was, terwijl, anderzijds, de aanbestedingsvoorwaarden inhielden dat een ernstige beroepsfout zonder meer tot uitsluiting zou leiden, zodat die voorwaarden voor het uitvoeren van een evenredigheidstoets geen ruimte boden — de door VWS bedoelde klempositie.9.
3.2
In dit verband oordeelt het hof, in rov. 6.9, dat geen grond bestaat voor het uitgangspunt dat het nationale recht verplicht tot het uitvoeren van een evenredigheidstoets, omdat de Nederlandse wetgever — kort gezegd — het stellen van voorwaarden voor toepassing van facultatieve uitsluitingsgronden zou hebben overgelaten aan aanbestedende diensten.
Ook dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Uit de toelichting op art. 45 lid 3 Bao blijkt dat de Nederlandse wetgever de vraag of wel of niet een evenredigheidstoets wordt uitgevoerd niet aan aanbestedende diensten heeft overgelaten. Blijkens de Nota van Toelichting dient een uitsluiting immers steeds proportioneel te zijn. Er dient steeds sprake te zijn van maatwerk en een aanbestedende dienst moet per opdracht nagaan of hij in het concrete geval (afhankelijk van de aard en omvang van de opdracht, de aard en omvang van de fraude en wat voor maatregelen het bedrijf inmiddels genomen heeft) een bedrijf moet uitsluiten. Om deze redenen is sprake van een nationaalrechtelijke verplichting.
Voor zover aanbestedende diensten wél/toch (een mate van) vrijheid zouden hebben om de voorwaarden vast te stellen voor toepassing van de bepaling dat een ondernemer die een ernstige beroepsfout heeft begaan van een opdracht kan worden uitgesloten, gaat die vrijheid althans, anders dan het hof aanneemt, niet zo ver dat een aanbestedende dienst geheel zou kunnen/mogen afzien van een evenredigheidstoets, in die zin dat een dergelijke ondernemer zonder (enige) evenredigheidstoets (automatisch) wordt uitgesloten. Het is uiteraard niet denkbaar (en daarmee niet transparant) dat de Staat zijn nationaalrechtelijke verplichtingen niet nakomt.
3.3
In rov. 6.6 en 6.10 verwerpt het hof, zoals gezegd, het standpunt van VWS dat, ook als gunning aan de Combinatie achterwege was gebleven, nog steeds een intransparante aanbestedingsprocedure resteerde. Dit oordeel geeft ook10. om de volgende reden blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is niet begrijpelijk. Zoals in onderdeel 3.1 en 3.2 is uiteengezet, was VWS op grond van het nationale recht verplicht om een evenredigheidstoets uit te voeren en namen de aanbestedingsvoorwaarden deze verplichting niet weg. Omdat de verplichting om een evenredigheidstoets uit te voeren evenwel niet bleek uit de aanbestedingsvoorwaarden, was de aanbestedingsprocedure intransparant, ook als gunning aan de Combinatie achterwege was gebleven.11. Het hof heeft dit miskend, althans zijn andersluidende oordeel onvoldoende inzichtelijk gemaakt.
4. Geen causaal verband tussen gunning aan de Combinatie en de schade van CTS
4.1
In rov. 6.12 oordeelt het hof dat de opdracht in beginsel aan CTS zou zijn gegund als VWS niet onrechtmatig zou hebben gehandeld door de opdracht aan de Combinatie te gunnen. CTS was immers de eerstvolgende gegadigde en, zelfs indien heraanbesteding geoorloofd zou zijn geweest, is volgens het hof geenszins aannemelijk dat VWS daartoe zou zijn overgegaan. Het aanbestede vervoer zou immers op 1 januari 2014 van start moeten gaan, aldus het hof. In rov. 6.13 en 6.14 verwerpt het hof vervolgens het verweer van VWS dat desalniettemin geen causaal verband kan worden aangenomen omdat VWS, als hij de opdracht niet aan de Combinatie zou hebben gegund, over had moeten gaan tot heraanbesteding vanwege de (in de woorden van het hof) veronderstelde intransparantie. Het hof verwijst daartoe naar zijn bespreking van de grieven 1, 3 en 4, in rov. 6.1 t/m 6.10.
Dit oordeel, en specifiek de dragende rov. 6.14, kan niet in stand blijven als onderdeel 2 en/of 3 slaagt. Dan moet er immers van worden uitgegaan dat, kort gezegd, de aanbestedingsprocedure hoe dan ook intransparant was en/of dat VWS wél in de door hem gestelde klempositie verkeerde, omdat hij een evenredigheidstoets moest uitvoeren. In dat geval is bovendien niet in te zien dat VWS, ook als het aanbestede vervoer (in beginsel) op 1 januari 2014 van start zou hebben moeten gaan,12. in strijd zou hebben gehandeld met zijn verplichting om een evenredigheidstoets uit te voeren. CTS heeft dit ook niet gesteld voor het geval VWS een evenredigheidstoets had moeten uitvoeren.13. VWS daarentegen heeft wél gesteld dat het belang van continuïteit van het vervoer geen schending rechtvaardigde van het transparantiebeginsel en dat VWS, als hij de verplichte evenredigheidstoets zou hebben genegeerd, een conflict had gekregen met de Combinatie.14. Als het hof heeft geoordeeld dat óók als een evenredigheidstoets wél verplicht was (wat zo was), het nog steeds niet aannemelijk is dat VWS tot heraanbesteding zou zijn overgegaan,15. is dit oordeel daarom onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, en bovendien in strijd met art. 24 Rv.
4.2
In rov. 6.13 t/m 6.17 bespreekt en verwerpt het hof het tweede causaliteitsverweer van VWS. Dit verweer hield in, kort gezegd, dat VWS de opdracht hoe dan ook niet aan CTS had kunnen gunnen, omdat CTS zelf ook een ernstige beroepsfout heeft begaan, althans ook op haar een uitsluitingsgrond van toepassing was.16. Volgens het hof heeft VWS onvoldoende betwist dat (zoals CTS heeft gesteld) de fraude is gepleegd door een medewerker van een zustervennootschap, dat van de werknemers waarvoor ten onrechte een belastingkorting is gevraagd slechts één werknemer in dienst was bij CTS, die bovendien bij een andere vennootschap was gedetacheerd toen de fraude werd gepleegd, en dat naar aanleiding van de fraude slechts een bedrag van € 3.000 is teruggevorderd. Gelet op een en ander kan niet van een ernstige beroepsfout worden gesproken en kan CTS niet worden verweten dat zij deze fraude, die pas naar aanleiding van een controle door de Belastingdienst in 2014 aan het licht is gekomen, niet heeft gemeld, aldus het hof.
Deze beoordeling geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent wanneer sprake is van een ernstige beroepsfout of een andere uitsluitingsgrond, althans is gelet op de stellingen van VWS ter zake ontoereikend gemotiveerd. VWS heeft erop gewezen dat:
- (i)
vanaf begin 2012, en dus ten tijde van de inschrijving, de Belastingdienst, de Rijksauditdienst (de Auditdienst Rijk), de Inspectie van het Onderwijs en een door Connexxion ingeschakelde onafhankelijke onderzoeker onderzoek hebben gedaan naar het, gedurende een langere periode, door middel van valsheid in geschrift ten onrechte terugvorderen en terugontvangen van loonbelasting;17.
- (ii)
de gebleken onregelmatigheden en strafbare feiten ertoe hebben geleid dat Connexxion heeft geschikt voor een bedrag van maar liefst € 7.551.823 ter betaling van een fiscale claim over 2009 t/m 2013. Uit het desbetreffende transactievoorstel blijkt dat CTS behoorde tot de vennootschappen (dochterondernemingen) waarmee is getransigeerd;18.
- (iii)
sprake is geweest van het niet hebben voldaan aan verplichtingen tot betaling van belastingen, wat evenzeer een uitsluitingsgrond is. VWS heeft toegelicht dat CTS deel uitmaakt van een concern met een geconsolideerde jaarrekening en een fiscale eenheid, waaronder het ontlopen van fiscale verplichtingen ten goede komt aan het geheel en daarmee toe te rekenen valt aan ieder van het geheel (art. 45 lid 3 sub f Bao).19.
Deze stellingen, waarvan het hof de juistheid in het midden laat, kunnen de conclusie dragen dat (ook) CTS (zelf) zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige beroepsfout, niet heeft voldaan aan verplichtingen tot betaling van belastingen en dat door in haar Eigen Verklaring geen melding te maken van die uitsluitingsgronden tevens sprake is van een valse verklaring van CTS, wat op zich zelf een uitsluittingsgrond is.20. In het licht van deze stellingen is in het bijzonder onbegrijpelijk dat, zoals het hof kennelijk meent, CTS niet al ten tijde van de inschrijving c.q. haar Eigen Verklaring in 2012 van de fraude op de hoogte zou zijn geweest. Hierbij komt dat uit de door het hof, in rov. 6.14, genoemde rov. 5.4 van het eindarrest van de Hoge Raad niet kan worden afgeleid dat de op Connexxion van toepassing zijnde uitsluitingsgronden niet in de weg staan aan toewijzing van haar vorderingen. Een cassatieprocedure is immers geen feitelijke instantie waarin (nieuwe) feiten worden gewogen. De taak van de Hoge Raad is, kort gezegd, om te beoordelen of de lagere rechter het recht juist heeft toegepast gegeven de destijds bekende feiten. Het is juist dat bij de beoordeling van de gunningsbeslissing door de voorzieningenrechter de uitsluitingsgronden van Connexxion nog niet bij VWS of de voorzieningenrechter bekend waren (omdat Connexxion die voor zich had gehouden), zodat VWS in zijn gunningsbeslissing en de voorzieningenrechter in zijn vonnis daarmee geen rekening hebben kunnen houden. In die zin heeft de voorzieningenrechter het recht goed toegepast en is het oordeel van de Hoge Raad begrijpelijk. Verder hoefde de Hoge Raad ook niet te gaan omdat een gebod te gunnen aan Connexxion niet voorlag. De voorzieningenrechter had immers, zoals de Hoge Raad benadrukte, ‘slechts verboden de opdracht te gunnen aan de Combinatie’ en daarvoor was een ernstige fout van Connexxion niet relevant. Voorts kon het hof, gelet op het partijdebat, niet (zonder meer) aannemen dat de vermelding van CTS in het transactievoorstel niet zou wijzen op een (verdergaande) actieve betrokkenheid van CTS bij de fraude; tegenover het duidelijke transactievoorstel heeft CTS volstaan met de niet onderbouwde opmerking dat het ‘gebruikelijk’ zou zijn in dit soort kwestie om te komen tot een afwikkeling voor de hele groep. Hierbij is van belang dat de betrokkenheid van CTS bij de fraude bij uitstek lag in het domein van CTS, zodat van CTS verwacht mocht worden dat zij haar betwisting ter zake (verdergaand) onderbouwde, terwijl dit laatste voor VWS juist niet (goed) mogelijk was, althans (meer) bezwaarlijk.
5. Geen toerekenbaarheid (schuld) van VWS
5.1
In rov. 6.19 verwerpt het hof eerst het verweer van VWS dat de onrechtmatige daad — gunning van de opdracht aan de Combinatie — niet te wijten was aan zijn schuld. Volgens het hof kan handelen in strijd met de wet of met wettelijke beginselen in het algemeen worden geweten aan de schuld van de dader, zeker als de dader een bestuursorgaan is, en heeft VWS geen steekhoudende redenen aangevoerd waarom dat in dit geval anders zou zijn.
Dit oordeel geeft blijk van een onjuiste, want voor de gedaagde (hier: VWS) te strenge, opvatting omtrent het begrip ‘schuld’ in art. 6:162 lid 3 BW, althans is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. VWS heeft erop gewezen dat:
- (i)
hij na zijn beslissing om de opdracht (na een evenredigheidstoets) aan de Combinatie te gunnen, CTS en de andere inschrijvers daarover uitvoerig heeft geïnformeerd en alle inschrijvers een termijn heeft geboden om in kort geding tegen deze beslissing op te komen.21. CTS heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. De Combinatie is in dit kort geding tussengekomen;22.
- (ii)
De voorzieningenrechter VWS heeft verboden om de opdracht aan de Combinatie te gunnen, maar niet oordeelde dat de opdracht aan CTS moest worden gegund. Dit laatste is nog cens onderstreept in het arrest van de Hoge Raad van 6 juli 2018. Uit het vonnis in kort geding volgde dus geenszins dat de opdracht aan CTS moest worden gegund;23.
- (iii)
De Combinatie binnen drie werkdagen spoedappel instelde en een incidentele voorziening vorderde om VWS te verbieden enig besluit te nemen omtrent de gunning van de opdracht totdat het hof arrest in de hoofdzaak zou hebben gewezen. In de hoofdzaak vorderde de Combinatie veroordeling van VWS om de opdracht aan haar te gunnen;24.
- (iv)
VWS, onder meer om tegenstrijdige uitspraken te voorkomen, ook hoger beroep heeft ingesteld.25. Bij arrest van 3 september 2013 heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd, de vorderingen van CTS alsnog afgewezen en de vordering van de Combinatie tot gunning van de opdracht aan haar toegewezen;26.
- (v)
VWS de opdracht op 28 oktober 2013, conform dit gebod van het hof, aan de Combinatie heeft gegund. Een andere keus had VWS niet, mede omdat een cassatieprocedure niet kon worden afgewacht omdat het vervoer moest worden uitgevoerd.27.
Gelet op deze stellingen, waarvan het hof de feitelijke juistheid in het midden laat, is niet in te zien dat VWS een (relevant) verwijt treft dat hij de opdracht op 28 oktober 2013 aan de Combinatie heeft gegund. VWS had toen immers geen andere mogelijkheid. Zonder nadere motivering, die het hof niet geeft, is evenmin in te zien dat VWS, die eerst gehouden was om het vonnis in eerste aanleg af te wachten, verweten zou kunnen worden dat hij de opdracht niet na het vonnis, maar vóór de uitspraak van het hof in kort geding aan CTS heeft gegund. VWS was daartoe toen niet gehouden en het was veeleer juist (extra) zorgvuldig van VWS om (ook) de uitkomst van het hoger beroep af te wachten, alvorens de opdracht te gunnen. Dit geldt des te meer, nu blijkens het verloop van het kort geding, ook ná het arrest van 3 september 2013, minstens voor redelijke twijfel vatbaar was of gunning (na een evenredigheidstoets) aan de Combinatie was aangewezen, althans toegestaan.
‘Zie in dit verband het onderstaande overzicht:
- (a)
De voorzieningenrechter verbood VWS eerst om aan de Combinatie te gunnen;
- (b)
Het hof gebood VWS daarentegen juist om aan de Combinatie te gunnen;
- (c)
In het cassatieberoep van CTS tegen deze veroordeling, concludeerde A-G Keus tot verwerping. Hij meende, net als het hof, dat VWS, na een evenredigheidstoets, de opdracht aan de Combinatie mocht gunnen (zie ECLI:NL:PHR:2014:2001);
- (d)
De Hoge Raad stelde prejudiciële vragen aan het HvJ EU omdat, kort gezegd, redelijke twijfel bestond of, gegeven de aanbestedingsvoorwaarden, op grond van een evenredigheidstoets gunning aan de Combinatie kon plaatsvinden (zie HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:757, NJ 2015/169);
- (e)
A-G Campos Sánchez-Bordona meende, evenals het hof en A-G Keus, dat het beschrijvend document toetsing aan het evenredigheidsbeginsel niet verhinderde, zodat VWS inderdaad aan de Combinatie mocht gunnen (ECLI:EU:C:2016:506);
- (f)
Het arrest van het HvJ EU kwam er daarentegen weer op neer dat gunning aan de Combinatie wél strijdig was met het beginsel van gelijke behandeling en de transparantieverplichting, zodat die gunning niet mocht plaatsvinden (zie HvJ EU 14 december 2016, ECLI:EU:C:2016:948, NJ 2018/206);
- (g)
De Hoge Raad heeft het vonnis van de voorzieningenrechter uiteindelijk bekrachtigd, waarmee pas vaststond dat VWS niet aan de Combinatie mocht gunnen (zie HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1096, NJ 2018/383).’
In ieder geval had het hof, gelet op de achter (i) t/m (v) genoemde stellingen van VWS, (nader) moeten motiveren waarom VWS geen steekhoudende redenen zou hebben aangevoerd waarom zijn handelen, dat — uiteindelijk, na de prejudiciële procedure — in strijd is gebleken met het gelijkheids- en het transparantiebeginsel, niet te wijten zou zijn aan zijn schuld. Zonder zodanige motivering is niet in te zien waarom deze stellingen niet (kunnen) meebrengen dat VWS in dit (bijzondere) geval geen (relevante) schuld treft.
5.2
In het licht van de in onderdeel 5.1 achter (i) t/m (v) genoemde stellingen van VWS is bovendien onbegrijpelijk dat het hof, in rov. 6.10, oordeelt dat, indien VWS zich, toen hij op 28 oktober 2013 de opdracht aan de Combinatie gunde, ervan bewust was geweest dat dit niet geoorloofd was, geen juridisch beletsel bestond voor het gunnen van de opdracht aan CTS. VWS diende toen immers het arrest van het hof van 3 september 2013 na te leven. Dit arrest vormde onmiskenbaar een juridisch beletsel om de opdracht aan CTS te gunnen.
6. Feitelijke onjuistheden
6.1
In rov. 2.1 en 2.2 vermeldt het hof dat (i) CTS ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 6 november 2023 producties heeft ingediend, (ii) ook de advocaat van VWS pleitaantekeningen heeft overgelegd en (iii) van de mondelinge behandeling een proces-verbaal is opgemaakt. Deze vermeldingen zijn onbegrijpelijk. Deze producties, pleitaantekeningen en dat proces-verbaal zijn niet ingediend, overgelegd, respectievelijk opgemaakt. Zij maken dan ook geen deel uit van de processtukken/het procesdossier. Voorts is in de slotzin van rov. 6.20 ‘VWS’ vermeld waar dat ‘CTS’ moet zijn.
6.2
In rov. 3.22 stelt het hof vast dat op de nieuwe aanbesteding, in 2017, alleen CTS en de Combinatie hebben ingeschreven. Dit geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 24 en/of 149 Rv, althans is onbegrijpelijk. Geen van partijen heeft gesteld dat op de nieuwe aanbesteding alleen CTS en de Combinatie zouden hebben ingeschreven (wat ook niet zo is, omdat vijf partijen hebben ingeschreven). Dat dit vermeende feit anderszins, op rechtens relevante wijze, in het geding aan het hof ter kennis is gekomen, is evenmin in te zien; voor zover het hof heeft gemeend het aantal inschrijvers over te kunnen nemen uit rov. 2.24 van het vonnis van 4 mei 2022, heeft het miskend dat VWS niet gehouden was om tegen deze vaststelling te grieven, aangezien hij in eerste aanleg in het gelijk was gesteld. Het hof heeft dit vermeende feit (dan) ook niet (begrijpelijk) uit de gedingstukken kunnen afleiden. VWS merkt hierbij op dat het aantal inschrijvers op de aanbesteding in 2017 relevant kan zijn voor een eventuele schadebegroting.
Conclusie
VWS vordert vernietiging van het bestreden arrest met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad passend acht, met veroordeling van CTS in de kosten van het geding, met de bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het door de Hoge Raad te wijzen arrest.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 22‑04‑2024
Zie hof Den Haag 3 september 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3723.
Zie HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:757, NJ 2015/757, rov. 3.7.2. In dezelfde zin rov. 3.4, 3.5.6, 3.5.7, 3.7.1, 3.7.3 en 3.7.6.
Zie HvJ EU 14 december 2016, zaak C-171/15, ECLI:EU:C:2016:948, NJ 2018/206.
Zie HvJ EU 14 december 2016, zaak C-171/15, ECLI:EU:C:2016:948, NJ 2018/206, rov. 37.
Zie HvJ EU 14 december 2016, zaak C-171/15, ECLI:EU:C:2016:948, NJ 2018/206, rov. 41 en 42.
Zie HvJ EU 14 december 2016, zaak C-171/15, ECLI:EU:C:2016:948, NJ 2018/206, rov. 43.
Zie HvJ EU 14 december 2016, zaak C-171/15, ECLI:EU:C:2016:948, NJ 2018/206, rov. 44.
Zie HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1096, NJ 2018/383, rov. 3.2.2.
Zie MvA § 2.34, CvA § 2.1, 2.4, 3.6, 3.11.
Zie reeds onderdeel 2.
Zie MvA § 1.1, 1.2, 2.30, 2.34, 4.20, 4.21, 4.31, CvA § 1.33, 2.7 t/m 2.9, 3.1, 3.2, 3.6, 3.8, 3.11.
Over de ingangsdatum van 1 januari 2014 heeft geen partijdebat plaatsgevonden. CTS heeft slechts de in de volgende voetnoot opgenomen stelling ingenomen, dat geen tijd mocht worden verloren, zonder dit concreet te maken tot 1 januari 2014. Ook anderszins kan uit de gedingstukken niet volgen dat 1 januari 2014 een harde deadline zou zijn geweest, in die zin dat een latere ingang van de opdracht onmogelijk was (wat ook niet zo was). Als het hof dit toch heeft bedoeld, is dit oordeel daarom ook in strijd met art. 24 en/of art. 149 Rv.
CTS heeft juist (slechts) gesteld dat het niet geloofwaardig en onlogisch zou zijn geweest dat VWS de aanbestedingsprocedure zou hebben afgebroken, omdat ‘er geen enkele reden bestond om de procedure af te breken en opnieuw aan te besteden’, respectievelijk daartoe ‘inhoudelijk geen reden’ zou zijn geweest en er geen tijd mocht worden verloren. Zie Dagvaarding in eerste aanleg § 67.
Zie MvA § 4.13, CvA § 2.9, 3.11.
Gelet op rov. 6.14 leest VWS het arrest overigens niet zo.
Voor zover het hof dit laatste heeft miskend, heeft het de stellingen van VWS op dit punt onbegrijpelijk uitgelegd. Uit de hierna kort weergegeven stellingen blijkt onmiskenbaar dat VWS zich ook heeft beroepen op de in die stellingen genoemde andere uitsluitingsgronden dan een ernstige beroepsfout.
Zie MvA, § 3.3, 3.11.
Zie MvA, § 3.2, 3.7 t/m 3.10, 3.14.
Zie MvA § 3.5, 3.10.
Zie MvA § 3.1 t/m 3.17 en specifiek ten aanzien van de drie uitsluitingsgronden ‘ernstige fout’, ‘niet betalen van belastingen’ en ‘valse verklaring’ 3.5.
Zie MvA 2.13, CvA § 1.13, 1.14. Tot het bieden van die termijn was VWS ook gehouden gelet op art. 2.8.2 van het Beschrijvend document. Zie Dagvaarding in eerste aanleg, productie 1 (Beschrijvend document), en productie § 5 (brief van VWS aan CTS van 18 februari 2013 § 4.1). Zie ook HvJ EU 28 oktober 1999, ECLI:EU:C:1999:534, Alcatel/Siemens).
Zie MvA § 2.15, CvA § 1.15.
Zie MvA § 2.17, CvA § 1.16, 1.17.
Zie MvA § 2.18, CvA § 1.18.
Zie MvA § 2.19, CvA § 1.19.
Zie MvA § 2.20 en 2.21, CvA § 1.20 en 1.21.
Zie MvA § 2.22, CvA § 1.22, 3.6. Het hof had zijn veroordeling bovendien uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Zie MvA, productie 4.