Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.8.7.3.2:9.8.7.3.2 Feiten
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.8.7.3.2
9.8.7.3.2 Feiten
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648773:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam 11 juli 2013 (OK) JOR 2013/250, onder 5: “De gronden van de beslissing: algemene opmerkingen” opmerking nr. 5.11.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de schadeloosstellingsprocedure rondom SNS Bank en SNS Reaal was de casus – vereenvoudigd – als volgt. Verschillende schuldeisers hadden vorderingen op SNS Bank, de hoofdvorderingen. De schuldeisers waren met SNS Bank overeengekomen dat hun vorderingsrechten waren achtergesteld ten opzichte van de overige schuldeisers van SNS Bank. Uit hoofde van de 403-verklaring hadden de schuldeisers van SNS Bank een 403-vordering op SNS Reaal.
Wanneer SNS Bank en SNS Reaal in zwaar weer komen te verkeren, grijpt de Nederlandse staat in. De Nederlandsche Bank was van mening dat het onverantwoord was dat SNS Bank het bankbedrijf zou blijven uitoefenen, indien SNS Bank de kapitaalpositie niet kon versterken. Dat zou leiden tot intrekking van de bankvergunning of het aanvragen van de noodregeling. Door in te grijpen, hoopt de Nederlandse staat dat het omvallen van SNS Bank – en daarmee nog meer financieel leed – kan worden voorkomen. SNS Bank moet van haar schuldenlast af. Bij besluit van de minister van Financiën op 1 februari 2013 worden de hoofdvorderingen die derde partijen op SNS Bank hebben, onteigend. In het onteigeningsbesluit worden de 403-vorderingen niet genoemd. De vraag is derhalve of de schuldeisers, die hun hoofdvorderingen op SNS Bank zijn verloren, hun 403-vorderingen op SNS Reaal hebben behouden. Daarnaast is de vraag of de 403-vorderingen, net als de hoofdvorderingen, zijn aan te merken als achtergestelde vorderingen. Sterk vereenvoudigd ziet de casus er als volgt uit:
Figuur 25
Op 4 maart 2013 dient de minister van Financiën een verzoekschrift in bij de griffie van de Ondernemingskamer. Hierbij wordt de Ondernemingskamer verzocht om de schadeloosstelling voor de schuldeiser ten aanzien van de bij besluit van de minister van Financiën op 1 februari 2013 onteigende vorderingsrechten vast te stellen op nihil. De schuldeisers stellen zich op het standpunt dat zij hun 403-vorderingen op moedervennootschap SNS Reaal hebben behouden. De Ondernemingskamer dient een oordeel te geven over het bestaan van de 403-vorderingen en over de eventuele achterstelling van de 403-vorderingen ten opzichte van overige schuldeisers van SNS Reaal. In het kader van de beoordeling van deze vermogensrechtelijke vraagstukken, merkt de Ondernemingskamer het volgende op:1
“De Ondernemingskamer dient de vraag of de vorderingen zijn achtergesteld – voor zover dat relevant is voor de vaststelling van de schadeloosstelling – zelfstandig te beoordelen. De Ondernemingskamer geeft dat oordeel uitsluitend in het kader van de beoordeling van de schadeloosstelling. Het uiteindelijke oordeel of een bepaalde vordering al of niet is achtergesteld is aan de gewone burgerlijke rechter. Dat geldt ook voor de overige oordelen van de Ondernemingskamer over civielrechtelijke verhoudingen, zoals het oordeel over de hierna te behandelen kwestie met betrekking tot de 403-verklaring. In deze zin hebben deze oordelen van de Ondernemingskamer een voorlopig karakter.”