Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/7.6:7.6 Conclusie
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/7.6
7.6 Conclusie
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264466:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de periode 1798-1811 zijn er verschillende pogingen ondernomen om een codificatie te maken: het Ontwerp-Kreet, het Ontwerp-Van der Linden en het WNH. Geen van deze wetgevingsdocumenten kende een zelfstandige antichrese. Wel regelden zij allen het recht van pandgebruik.
De regelingen van het recht van pandgebruik waren inhoudelijk vrijwel gelijk. Zij sloten bovendien aan bij het Rooms-Hollandse recht. Een zekerheidsrecht op een vruchtgevend goed kende de pandhouder van rechtswege een recht van pandgebruik toe. Gaf een zaak natuurlijke vruchten, dan kon de pandhouder die vruchten onder zich nemen. Daarnaast was de pandhouder inningsbevoegd ten aanzien van burgerlijke vruchten. Een schuldeiser met een recht van pandgebruik op een onroerende zaak was bijvoorbeeld bevoegd om huurpenningen van huurders te innen. Een pandhouder van een vordering kon de rente, en zelfs de hoofdsom innen. Uitgangspunt was dat het recht van pandgebruik een aflossingsfunctie had. De pandgebruiker diende de waarde van de getrokken vruchten in mindering te brengen op de vordering waarvoor het pandrecht was gevestigd. In afwijking hierop konden partijen overeenkomen dat het recht van pandgebruik een rentefunctie had.
Toen de Fransen Nederland annexeerden en de Code civil invoerden, verdween het recht van pandgebruik uit de wet. In plaats daarvan kwam een zelfstandige antichrese. De regeling van deze antichrèse was onduidelijk en stond bekend als ongelukkig geformuleerd.
De Ontwerpen van 1816 en 1820 beoogden het Rooms-Hollandse recht van pandgebruik terug te brengen in de Nederlandse wet. Deze codificatiepogingen haalden de eindstreep echter niet. De wetgever van het BW van 1838 zocht geen aansluiting bij het Rooms-Hollandse recht. Het recht van pandgebruik keerde dan ook niet terug in deze codificatie. Wel stond het partijen vrij om een recht van pandgebruik overeen te komen. Het Franse recht van antichrèse werd evenmin in het BW van 1838 opgenomen. Zij was in onbruik geraakt. Dit was vermoedelijk te wijten aan de ongelukkige regeling uit de Code civil en de toenemende populariteit van vuistloze zekerheidsrechten.