De acting in concert-regeling inzake het verplicht bod op effecten
Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/11.5.3.1:11.5.3.1 Onweerlegbare vermoedens (huidig recht)
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/11.5.3.1
11.5.3.1 Onweerlegbare vermoedens (huidig recht)
Documentgegevens:
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS368826:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Voor de goede orde: inzake onweerlegbare vermoedens zelf is geen sprake van tegenbewijs. Niet omdat de wet dit uitsluit in de zin van art. 151 lid 2 Rv, maar omdat een dergelijk vermoeden bewijslevering overbodig maakt.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als gezegd zijn de thans in Nederland geldende acting in concert-vermoedens in concernverhoudingen onweerlegbaar. Dat betekent dat slechts de feiten waaraan het vermoeden het desbetreffende rechtsgevolg verbindt, kunnen worden weerlegd. Degene die zich beroept op het vermoeden, i.e. degene die zich beroept op de biedplicht, moet op grond van art. 150 Rv – bij betwisting – aannemelijk maken dat er sprake is van een groepsmaatschappij zoals bedoeld in art. 2:24b BW of een gecontroleerde onderneming zoals bedoeld in art. 1:1 Wft. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad hoeft degene die uit hoofde van de biedplicht aangesproken wordt de feiten die zij stelt ter motivering van zijn betwisting in beginsel niet te bewijzen; het zaaien van twijfel volstaat. Pas indien de rechter de door verzoeker(s) gestelde feiten voorshands bewezen acht, is er sprake van tegenbewijs ex art. 151 lid 2 Rv1 en gaat het niet om het zaaien van twijfel, maar om het zwaardere “ontzenuwen” van hetgeen door verzoeker is aangedragen.