Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.6.2
6.6.2 Samenwerking tussen gerechten
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS432987:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. art. 8 lid 3 HKbV 1996. Volgens de Practice Guide, p. 20, kunnen gerechten — al dan niet door tussenkomst van tolken — door middel van telefoon, e-mail of conference call overleg voeren over de vraag of voldaan is aan de voorwaarden voor de verwijzing.
Vgl. art. 31 sub a HKbV 1996; art. 28 e.v. HMbV 2000.
Vgl. art. 44 HKbV 1996.
TREMA 2006, p. 135.
Kamerstukken II 2004/05, 29980, nr. 3, p. 21-22 (MvT). Volgens de Practice Guide (p. 20) kan de Europese Justitiële Atlas op het gebied van burgerlijke zaken, te raadplegen via <www.europa.eu. int>, worden gebruikt om de relatief bevoegde rechter van een andere lidstaat te achterhalen.
M.i. wordt in Kamerstukken II 2004/05, 29 980, nr. 3, p. 21 (MvT) ten onrechte gesteld dat art. 44 HKbV 1996 de verdragsstaten verplicht hieromtrent een verklaring af te leggen. Zie Toel. Rapport Lagarde, HKbV 1996, nr. 159.
Bij een forum non conveniens-verwijzing zijn de betrokken gerechten van de lidstaten gehouden hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de centrale autoriteiten, samen te werken (art. 15 lid 6 Vo-BILIbis).1 De centrale autoriteiten hebben onder andere tot taak om alle passende maatregelen te nemen ter ondersteuning van de informatie-uitwisseling tussen de gerechten (art. 55 sub c Vo-BI:Ibis).2 In Nederland is de Minister van Justitie aangewezen als centrale autoriteit (art. 4 lid 1 Uitvoeringswet internationale kinderbescherming).3
Ingevolge de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming is in Nederland de zgn. 'liaison judge', oftewel verbindingsrechter, in het leven geroepen (art. 24).4 De Raad voor de Rechtspraak heeft bij besluit van 14 juli 2005 de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van de sector Familie- en jeugdrecht van de Haagse rechtbank als verbindingsrechter aangewezen.5 De verbindingsrechter is in het bijzonder belast met het faciliteren van contacten tussen rechters in Nederland en in het buitenland. Hij fungeert als aanspreekpunt voor zowel de Nederlandse als de buitenlandse gerechten die behoefte hebben aan consultatie. Hij kan op zijn beurt, zo nodig, een beroep doen op de centrale autoriteit 'met name als hij zelf niet kan nagaan welke gerechtelijke instantie in het buitenland hij moet benaderen.'6
De verbindingsrechter speelt een belangrijke rol bij de verwijzing van een zaak vanuit Nederland naar een buitenlands gerecht of de verwijzing van een zaak vanuit het buitenland naar een Nederlands gerecht. Art. 24 lid 6 Uitvoeringswet bepaalt dat de overdracht van een verzoek tot een forum non conveniens-verwijzing die gebaseerd is op de Vo-Brussel Ilbis door tussenkomst van de 'liaison judge' geschiedt. Voor de Nederlandse rechtspraktijk betekent dit dat het verzoek tot een overdracht van de bevoegdheid altijd moet worden ingediend bij de voorzitter, of diens plaatsvervanger, van de sector Familie- en jeugdrecht van de Rb. ' s-Gravenhage. Dat geldt ook voor het initiatief tot een forum non conveniens-verwijzing van het ten gronde bevoegde gerecht. Na ontvangst van een daartoe strekkend verzoek zal de 'liaison judge' deze ter kennisneming overdragen aan het ontvangende gerecht. Art. 24 lid 6 Uitvoeringswet geldt ook voor de forum non conveniens-procedure in art. 8 en 9 HKbV 1996, maar niet voor die in art. 8 HMbV 2000 of art. 4 lid 3 sub b Rv.
Wat te doen als een forum non conveniens-verzoek door partijen of een gerecht dan wel een initiatief van het ten gronde bevoegde gerecht niet via de verbindingsrechter, maar direct tot het ontvangende gerecht wordt gericht? Is de verwijzingsprocedure daarmee ongeldig? Ik zou menen van niet, omdat de verordening noch het verdrag de tussenkomst van een verbindingsrechter als 'hard' vereiste stelt. Art. 15 lid 6 VoBIIbis bepaalt slechts dat de gerechten voor de toepassing van dat artikel gehouden zijn om rechtstreeks dan wel via tussenkomst van centrale autoriteiten samen te werken. Art. 44 HKbV bepaalt dat de verdragsstaten de autoriteiten kunnen aanwijzen tot wie een forum non conveniens-verzoek dient te worden gericht.7