WFR 2026/66
Fiscale punten coalitieakkoord 2026-2030
Dr. F.J. Elsweier, datum 16-02-2026
- Datum
16-02-2026
- Auteur
Dr. F.J. Elsweier1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD46443:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Eigen woning
Vennootschapsbelasting / Innovatiebox
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Milieubelastingen / Vliegbelasting
Sociale zekerheid algemeen (V)
Fiscale wetsvoorstellen (V)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Belastingen van rechtsverkeer (V)
Staatsrecht / Bestuur
Milieubelastingen (V)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Belastingheffing van motorrijtuigen / Algemeen
- Wetingang
Art. 12aa tot en met 12ag, 12b en 15b Wet VPB 1969; art. 3.110, 3.31, 3.42, 3.42a, 5.1 Wet IB 2001; art. 2 Wet BRV, Belastingplan 2026, WNT, art. 14 EVRM, art. 1 Protocol 1 EVRM, Richtlijn (EU) 2017/952
Voetnoten
Voetnoten
Frank Elsweier is universitair docent en onderzoeker bij het Fiscaal Instituut van Tilburg University en werkzaam bij het Tax Knowledge Center van EY Belastingadviseurs B.V.
Een integrale behandeling van alle fiscale aspecten van het coalitieakkoord valt buiten het bestek van deze bijdrage. Zo blijven fiscale maatregelen op het terrein van klimaatbeleid grotendeels buiten beschouwing. Wel verdient vermelding dat het kabinet voornemens is de nationale CO₂-heffing af te schaffen en in te zetten op een verlaging van de elektriciteitskosten. Deze maatregelen worden gemotiveerd vanuit het streven bedrijven in staat te stellen te investeren in verduurzaming, een gelijk speelveld te bevorderen en te voorzien in stabiel langetermijnbeleid. Daarnaast wordt aangekondigd dat wordt gewerkt aan het afbouwen van financiële prikkels voor fossiele brandstoffen, bij voorkeur in Europees verband (Coalitieakkoord, p. 26). Enkele overige fiscaal-gerelateerde maatregelen worden besproken in paragraaf 2 (bijvoorbeeld met betrekking tot mobiliteit en luchtvaart). Voor de klimaatmaatregelen in het Belastingpakket 2026 verwijs ik naar M. Betjes, ‘Klimaatmaatregelen’, WFR 2025/289. Voor het coalitieakkoord en de bijbehorende budgettaire bijlage wordt verwezen naar https://www.kabinetsformatie2025.nl/documenten/2026/01/30/aan-de-slag---coalitieakkoord-2026-2030.
Voor een overzicht van fiscale standpunten van alle politieke partijen ten aanzien van een bepaald fiscaal thema zie https://www.ey.com/nl_nl/insights/tax/mogelijke-coalities-en-toekomstig-fiscaal-beleid.
Coalitieakkoord, p. 29.
Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 30 juni 2025, 2025-0000181369.
Het ligt voor de hand dat bij de verdere concretisering van deze hervormingsagenda wordt voortgebouwd op de verkenning van de SER-Adviescommissie Vereenvoudiging belasting- en toeslagenstelsel, waarin mogelijke vereenvoudigingsrichtingen voor het belasting- en toeslagenstelsel worden onderzocht (verwacht in 2026).
Coalitieakkoord, p. 66.
Coalitieakkoord, p. 45.
Hoewel deze systematiek voor veel burgers nauwelijks zichtbaar zal zijn in de uitvoering, vertaalt zij zich materieel wel in een hogere belastingdruk.
Coalitieakkoord, p. 44. Zie ook de budgettaire bijlage p. 7. Het maximum pensioengevend loon wordt per 2027 voor een periode van zes jaar niet geïndexeerd. Hierdoor blijft het maximum tot en met 2032 bevroren op € 137.800. Dit is het niveau van 2026.
Budgettaire bijlage coalitieakkoord, p. 8.
Coalitieakkoord, p. 8.
Budgettaire bijlage coalitieakkoord, p. 6.
Coalitieakkoord, p. 29.
Voor een kritische beschouwing over deze vrijheidsbijdrage zie S. Dusarduijn, ‘Bezwaard gemoed’, WFR 2025/332.
Voor een uiteenzetting van de Wet werkelijk rendement box 3 verwijs ik naar G.M.C.M. Staats, ‘Wetsvoorstel Wet Werkelijk Rendement’, TFO 2025/201.2 en R.P. van den Dool, ‘Vermogensaanwas-, vermogenswinstbelasting of een combinatie van beide?’, TFO 2025/200.3. Voor de laatste stand van zaken op parlementair gebied zie D.J.J. Altena, ‘Nieuwe box 3-stelsel bijna door de Tweede Kamer’, WFR 2026/55.
Coalitieakkoord, p. 28.
Voor een uiteenzetting van de fiscale wijzigingen in de laatste jaren zie T.C. Hoogwout, ‘De wijzigingen inzake de bedrijfsopvolgingsregelingen in de schenk- en erfbelasting’, TFO 2026/202.2.
Brief Staatssecretaris van Financiën, 11 juli 2025, kenmerk 2025-0000199872.
Coalitieakkoord, p. 61.
Coalitieakkoord, p. 25.
Tussenverslag D66, CDA, p. 16.
Zie hierover ook C. Overduin, ‘Belastingplan 2026 en het mkb: massa’s klein bier …’, WFR 2025/288.
Budgettaire bijlage coalitieakkoord, p. 8.
Coalitieakkoord, p. 62.
Budgettaire bijlage coalitieakkoord, p. 8. Opvallend is dat invoering van de suikerbelasting pas in 2030 mogelijk wordt geacht; een voor de hand liggende verklaring daarvoor lijkt te zijn gelegen in de uitvoeringstechnische (on)mogelijkheden bij de Belastingdienst.
Brief Staatssecretaris van Financiën, 11 juli 2025, kenmerk 2025-0000184009.
Brief Staatssecretaris van Financiën, 21 april 2023, kenmerk 2023-0000099517.
Brief Staatssecretaris van Financiën, 29 augustus 2025, kenmerk 2025-0000345751.
Coalitieakkoord, p. 28.
Coalitieakkoord, p. 29.
Dat terwijl naar aanleiding van het Side-by-Side pakket daartoe alle aanleiding is. Zie ook de Kamervragen over het Side-by-Side pakket en de antwoorden van de staatssecretaris in Brief Staatssecretaris van Financiën, 3 februari 2026, kenmerk 2026-0000023398. Zie verder M. Velthoven, R. Bane, ‘Het verdienvermogen verbeteren à la Wennink? Pak door op de minimumbelasting!’, NLF-Opinies 2026/4, een reactie hierop van S. Pancham, ‘Minimumbelasting: toch niet doorpakken met de Side-by-Side Safe Harbour voor Nederlandse multinationals?’, NLF-Opinies 2026/5 en van G. Fibbe, L. Jacobs, ‘America First, the Netherlands Second: Pijler 2 als strategische investeringskans’, NLF-Opinies 2026/6.
Coalitieakkoord, p. 28.
HR 21 maart 2025, rolnr. 21/04202, BNB 2025/94.
Coalitieakkoord, p. 28 en 29.
Brief Staatssecretaris van Financiën, 17 december 2025, kenmerk 2025-0000612534.
Zie hierover ook F.J. Elsweier, ‘Fiscale hervormingen in Duitsland’, WFR 2025/210, onderdeel 4.2.
Coalitieakkoord, p. 29.
Uit de planning van de Commissie van Financiën 2026 blijkt dat in september 2026 het Voorstel voor Wet aandelenopties startups en scale-ups kan worden verwacht.
Coalitieakkoord, p. 29.
Coalitieakkoord, p. 19.
Tussenverslag D66, CDA, 2 december 2025, p. 16.
Uit de planning van de commissie van Financiën is terug te vinden dat in maart 2026 het rapport ‘Onderzoek 30-jaarstermijn hypotheekrenteaftrek’ verschijnt.
De verwezenlijking van een dergelijke afbouw stuit naar verwachting op aanzienlijke politieke weerstand, mede gelet op de uitgesproken positie van de VVD tegen het tornen aan de hypotheekrenteaftrek.
Zie Hof Amsterdam 21 oktober 2025, nr. 24/3831 en Rb. Den Haag 5 januari 2026, nr. SGR 25/4874.
Zie F.J. Elsweier, ‘Fiscaliteit in de verkiezingsprogramma’s’, WFR 2025/258, onderdeel 5.4.
Zie Brief Staatssecretaris van Financiën, 9 september 2025, kenmerk 2025-0000432084, p. 3. Zie ook Brief Staatssecretaris van Financiën, 20 mei 2025, kenmerk 2025-0000348422, dilemmanotitie huurbevriezing Raad Fysieke Leefomgeving (RFL) 20 mei 2025.
Coalitieakkoord, p. 18.
Het zou kunnen gaan om wijzigingen of afschaffing van de Wet betaalbare huur, of mogelijke aanpassingen, uitzonderingen in box 3 ten aanzien van verhuur van woningen.
Zie F.J. Elsweier, ‘Fiscaliteit in de verkiezingsprogramma’s’, WFR 2025/258, onderdeel 5.3.
Coalitieakkoord, p. 19.
Volledigheidshalve merk ik op dat op 2 september 2025 bij de Fiscale verzamelwet 2026 een amendement is aangenomen waarin het voor gemeenten via een wijziging in de Gemeentewet mogelijk wordt een leegstandsheffing in te voeren.
Budgettaire bijlage coalitieakkoord, p. 11.
Coalitieakkoord, p. 44 en budgettaire bijlage coalitieakkoord, p. 8.
Coalitieakkoord, p. 29 en 43.
Coalitieakkoord, p. 38.
In deze bijdrage gaat de auteur in op de fiscale onderdelen uit het coalitieakkoord 2026-2030 van het minderheidskabinet D66, VVD en CDA en de mogelijke gevolgen daarvan voor burgers, bedrijven en de woning- en arbeidsmarkt. Voor burgers wordt onder meer gewezen op de spanning tussen de uitgesproken ambitie om het belasting- en toeslagenstelsel te vereenvoudigen en maatregelen die juist leiden tot indirecte lastenverzwaring en toenemende complexiteit, zoals de vrijheidsbijdrage via beperkte indexatie. Voor het bedrijfsleven kenmerkt het akkoord zich door terughoudendheid. Ingrijpende wijzigingen blijven uit en het kabinet zet vooral in op rust, stabiliteit en een voorspelbaar vestigingsklimaat. Daarnaast worden enkele fiscale maatregelen besproken die relevant zijn voor de woningmarkt en de arbeidsmarkt. De auteur concludeert dat het coalitieakkoord fiscale voorzichtigheid uitstraalt, maar dat de vraag blijft of deze aanpak voldoende ambitieus is om structurele tekortkomingen van het belastingstelsel daadwerkelijk te adresseren.
1. Inleiding
Op 30 januari 2026 presenteerden D66, VVD en CDA hun coalitieakkoord 2026-2030 met de titel ‘Aan de slag: Bouwen aan een beter Nederland’. Het akkoord bevat beleidsvoornemens op uiteenlopende terreinen, waaronder economie, arbeidsmarkt, woningmarkt, klimaat en overheidsfinanciën. Fiscaliteit vormt daarin een belangrijk instrument om beleidsdoelen te realiseren en het economische en sociale beleid vorm te geven. Fiscale maatregelen raken immers niet alleen de rijksbegroting, maar ook de positie van ondernemingen, de koopkracht van burgers en de effectiviteit van beleid op terreinen zoals innovatie, duurzaamheid en wonen.
In deze bijdrage worden de fiscale onderdelen van het coalitieakkoord geanalyseerd.2 Paragraaf 2 behandelt fiscale thema’s die met name relevant zijn voor burgers. Daarbij wordt onder meer ingegaan op het belasting- en toeslagenstelsel in brede zin, de vrijheidsbijdrage, de belastingheffing over vermogen, de bedrijfsopvolgingsregeling, rekeningrijden, de vliegbelasting en een mogelijke suikertaks. In paragraaf 3 staan de potentiële fiscale implicaties voor ondernemingen centraal, waaronder voorgenomen wijzigingen in de vennootschapsbelasting, de vrijheidsbijdrage, het vestigingsklimaat en innovatiebeleid. Paragraaf 4 bespreekt de fiscale voornemens ten aanzien van de woningmarkt, met aandacht voor de hypotheekrenteaftrek, de fiscale positie van woningcorporaties, de planbatenheffing en de overdrachtsbelasting. In paragraaf 5 wordt kort stilgestaan bij enkele fiscale maatregelen die relevant zijn voor de arbeidsmarkt. Paragraaf 6 bevat de slotbeschouwing.
Het is relevant te vermelden dat D66, VVD en CDA als minderheidskabinet opereren, waardoor de realisatie van de aangekondigde fiscale voorstellen afhankelijk is van wisselende steun van oppositiepartijen in zowel Tweede als Eerste Kamer. De daadwerkelijke impact van de voorgenomen maatregelen zal daarmee mede worden bepaald door politieke haalbaarheid en mogelijke aanpassingen tijdens het wetgevingsproces.3
2. Burgers
2.1 Hervorming belastingen en toeslagen
Het Nederlandse belasting- en toeslagenstelsel wordt reeds geruime tijd gekenmerkt door een hoge mate van complexiteit. Burgers worden geconfronteerd met een cumulatie van fiscale regelingen, inkomensafhankelijke heffingskortingen en toeslagen, die een centrale rol spelen in het inkomensbeleid. Deze gelaagdheid leidt niet alleen tot aanzienlijke uitvoeringsdruk bij de Belastingdienst, maar ook tot rechts- en inkomensonzekerheid voor burgers. Het vorige kabinet had het voornemen wetgeving voor te bereiden ter hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel, maar slaagde er – wederom – niet in om gedurende de kabinetsperiode tot een concreet wetsvoorstel te komen. In de aanloop naar de verkiezingen van 2025 bleek uit de verkiezingsprogramma’s dat een brede politieke consensus bestaat over de noodzaak van fiscale hervorming. Algemeen wordt onderkend dat het huidige stelsel tekortschiet ten aanzien van eenvoud, transparantie en rechtvaardigheid. Hoewel politieke partijen verschillen in hun oplossingsrichtingen, zoeken zij naar nieuwe evenwichten tussen lastenverdeling, inkomensondersteuning en uitvoerbaarheid.
In het coalitieakkoord is opgenomen dat de Aanpak Regeldruk wordt doorgezet. Het kabinet beoogt jaarlijks minimaal 500 regels te schrappen of te vereenvoudigen. Daarnaast stelt het kabinet ambitieuze regelreductietargets vast per ministerie, onder coördinatie van de Minister van Economische Zaken, en wil het alle wet- en regelgeving laten doorlichten, met het oog op het schrappen van regels die hoge lasten met zich brengen en/of niet goed functioneren.4 Uit het coalitieakkoord blijkt evenwel niet in hoeverre en op welke wijze fiscale regelgeving concreet in deze aanpak wordt betrokken. Evenmin wordt duidelijk of bijvoorbeeld expliciet aansluiting wordt gezocht bij het rapport Kansen voor lagere tarieven en beter beleid: Aanpak Fiscale Regelingen voor een eenvoudiger en beter belastingstelsel.5
Op fiscaal gebied kondigt het kabinet wel een stapsgewijze vereenvoudiging aan van het fiscale, socialezekerheids- en toeslagenstelsel te willen, waarbij met name wordt ingezet op het beperken van de veelheid aan inkomensafhankelijke regelingen binnen de fiscaliteit, te beginnen bij de heffingskortingen.6 Deze voornemens zullen worden uitgewerkt in een hervormingsagenda die uiterlijk eind 2026 wordt gepresenteerd. Als leidende uitgangspunten worden genoemd eenvoud in de uitvoering, duidelijkheid en voorspelbaarheid voor burgers.7 Het kabinet merkt ook op dat het ook moet kunnen lonen om meer uren te werken. Het kabinet wil daartoe onorthodoxe maatregelen onderzoeken om dit te realiseren, zoals het versoepelen van de Wet onderscheid arbeidsduur (voltijdsbonus), een arbeidskorting per uur en een meerurenvoordeel.8
Hoewel deze voornemens ambitieus zijn geformuleerd, rijst de vraag in hoeverre de beoogde hervormingen uitvoeringstechnisch, budgettair en politiek haalbaar zijn. Opvallend is voorts dat het kabinet in hetzelfde coalitieakkoord – in de budgettaire bijlage – voorstelt de vrijheidsbijdrage voor burgers vorm te geven via een beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor in de inkomstenbelasting. Dat lijkt juist een voorbeeld van toenemende complexiteit,9 waarbij op een ondoorzichtige wijze een hogere inkomstenbelastingdruk voor burgers wordt gerealiseerd (zie ook onderdeel 2.2).
Voorts bevat het coalitieakkoord enkele opmerkingen die relevant zijn voor specifieke groepen belastingplichtigen. Zo wordt onder meer opgemerkt dat de fiscale subsidiëring van aanvullend pensioen voor hogere inkomens in de komende zes jaar geleidelijk wordt verminderd,10 dat de aftrek specifieke zorgkosten en de tegemoetkoming specifieke zorgkosten per 2028 volledig worden afgeschaft,11 dat giften fiscaal aantrekkelijk worden gehouden12 en dat het verlaagde btw-tarief (9%) voor de levering van sierteeltproducten met ingang van het jaar 2028 wordt afgeschaft.13 Voor directeur-grootaandeelhouders wordt aangekondigd dat de belastingdruk ‘in evenwicht’ moet zijn,14 zonder dat nader wordt gespecificeerd welke fiscale maatregelen of herijkingen hiermee worden beoogd.
2.2 Vrijheidsbijdrage
Het coalitieakkoord introduceert een zogenoemde vrijheidsbijdrage voor burgers en bedrijven.15 Voor burgers krijgt deze bijdrage concreet gestalte via een beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor in de inkomstenbelasting in de jaren 2027 en 2028. Deze maatregel brengt mee dat inflatie slechts gedeeltelijk wordt verdisconteerd in fiscale parameters. Dit resulteert feitelijk in een lastenverzwaring voor belastingplichtigen, doordat fiscale drempelbedragen en grenswaarden in mindere mate worden geïndexeerd. De gevolgen van een beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor strekken zich uit over diverse onderdelen van de inkomstenbelasting, waaronder de hoogte en afbouw van heffingskortingen, de schijfgrenzen die bepalend zijn voor het toepasselijke tarief en verschillende grensbedragen en drempels, zoals die binnen de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. Tegen deze achtergrond kan worden gesproken van een meer indirecte of ‘sluipende’ belastingverhoging, nu de maatregel niet primair bestaat uit een tariefaanpassing, maar uit het beperken van de gebruikelijke inflatiecorrectie.
Opvallend is dat een beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor ook al in het Belastingplan 2026 is toegepast. Omdat het afschaffen en versoberen van fiscale regelingen en het aanpakken van fiscale constructies onvoldoende budgettaire opbrengst genereerden en omdat de voorgenomen verhoging van het btw-tarief op cultuur, media en sport geen doorgang heeft gevonden, zijn als dekkingsmaatregel belastingschijven en heffingskortingen binnen de inkomstenbelasting slechts beperkt aangepast aan de inflatie (1,53% in plaats van 2,9%). Indien het aan het nieuwe kabinet ligt, zal deze systematiek in 2027 en 2028 worden voortgezet.
2.3 Belasting op vermogen
De behandeling in de Tweede Kamer op 19 januari 2026 van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 maakte reeds duidelijk dat de opvattingen verdeeld zijn over de wijze waarop inkomsten in box 3 vanaf 1 januari 2028 moeten worden belast. Het wetsvoorstel, waarin wordt uitgegaan van een combinatie van vermogensaanwasbelasting en vermogenswinstbelasting, lijkt op een meerderheid te kunnen rekenen, zij het met duidelijke terughoudendheid.16 Diverse fracties benadrukken dat hun steun in belangrijke mate voortvloeit uit het ontbreken van haalbare alternatieven en de aanzienlijke budgettaire consequenties van verder uitstel. De coalitie geeft aan te willen inzetten op een verdere ontwikkeling van het stelsel op basis van werkelijk rendement, met als richting een vermogenswinstsystematiek.17 Tevens wil de coalitie burgers stimuleren om spaargeld productiever in te zetten binnen de Nederlandse en Europese economie, onder meer door de introductie van een EU-beleggingsrekening en het verkennen van een zogenoemde win-winlening, waarvan de concrete fiscale vormgeving vooralsnog onduidelijk is.
Ongeacht de vraag of het wenselijk is een vermogensaanwasbelasting, een vermogenswinstbelasting of een combinatie daarvan in te voeren, valt op dat – primair om budgettaire redenen – een nieuw stelsel lijkt te worden geïntroduceerd (dat om uitvoeringstechnische redenen pas in 2028 in werking treedt), terwijl het nieuwe kabinet voornemens is dit stelsel vervolgens verder door te ontwikkelen richting een andere systematiek. Deze benadering staat op gespannen voet met het kabinetsvoornemen om te komen tot eenvoudig, duidelijk en voorspelbaar fiscaal beleid voor burgers.
Voorts valt op dat het coalitieakkoord geen aandacht besteedt aan de schenk- en erfbelasting. Tegen de achtergrond van vergrijzing, de concentratie van vermogen bij oudere generaties en de verwachte grootschalige vermogensoverdracht via nalatenschappen, staat deze belastingsoort nadrukkelijk in de politieke en maatschappelijke belangstelling. Zowel D66 als het CDA heeft in het verkiezingsprogramma opgenomen de mogelijkheid van schenken op papier te willen afschaffen. Daarnaast bepleit D66 onder meer om de tarieven in de erf- en schenkbelasting onafhankelijk te maken van de relatie tot de schenker of erflater. Het CDA stelt voor de tarieven in de schenkbelasting te verlagen en die in de erfbelasting te verhogen. De VVD heeft in het verkiezingsprogramma opgenomen geen hogere erf- en schenkbelasting te willen.
Eveneens wordt in het coalitieakkoord niet gesproken over (de alsmaar toenemende) vermogensongelijkheid, of een vermogensbelasting. D66 spreekt zich in het door het CPB doorgerekende verkiezingsprogramma uit voor de introductie van een vermogensbelasting voor box 3-vermogens boven € 1 miljoen. Het CDA beperkt zich tot een voorstel tot verhoging van het tarief in box 3, terwijl de VVD aangeeft geen verhogingen van de belastingen op sparen (box 3) te willen.
2.4 Bedrijfsopvolgingsregeling
Familiebedrijven worden door de coalitie als essentieel voor de economie aangemerkt, hetgeen zich vertaalt in de expliciete keuze om de bedrijfsopvolgingsregeling en de doorschuifregeling niet verder te versoberen. Per 1 januari 2026 zijn de resterende wijzigingen die voortvloeien uit de Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2025 in werking getreden.18 In het coalitieakkoord wordt verder niet concreet ingegaan op deze wijzigingen.
2.5 Auto
De Staatssecretaris van Financiën heeft op 11 juli 2025 in een contourenbrief de uitgangspunten en overwegingen geschetst voor een mogelijke hervorming van de autobelastingen. Doelstellingen daarbij zijn het betaalbaar houden van mobiliteit, het realiseren van klimaat-, energie- en stikstofdoelen, het waarborgen van houdbare overheidsfinanciën en het bevorderen van de bereikbaarheid van Nederland. De contourenbrief bevat geen concreet nieuw beleid, maar presenteert opties en analyses ter voorbereiding op beleidskeuzes die dit kabinet zal moeten maken.19
In het coalitieakkoord wordt niet expliciet op deze contourenbrief ingegaan. De coalitie geeft in algemene zin aan een toekomstbestendige hervorming van de autobelastingen te willen onderzoeken, onder meer door een mogelijke verschuiving binnen de mrb naar een heffing op basis van oppervlakte of omvang van voertuigen. Daarbij geldt als randvoorwaarde dat automobilisten er niet op achteruit mogen gaan en dat rekening wordt gehouden met mogelijke effecten voor burgers en bedrijven in plattelandsregio’s.20 Tegelijkertijd wordt ingezet op het aantrekkelijk houden van elektrisch rijden en het stimuleren van alternatieve mobiliteitsvormen, zoals deelauto’s, fietsen en openbaar vervoer.21 De concrete fiscale uitwerking hiervan blijft onduidelijk. Opvallend is dat een systeem van rekeningrijden niet wordt genoemd in het coalitieakkoord, ondanks eerdere politieke discussies hierover. In het tussenverslag van D66 en CDA werd juist gepleit voor een hervorming van de autobelastingen in het licht van de overstap naar elektrisch rijden en voor invoering van een systeem van betalen naar gebruik, plaats en tijd.22
Daarnaast bevat het coalitieakkoord geen passages over de zogenoemde pseudo-eindheffing. In het Belastingplan 2026 is opgenomen dat vanaf 1 januari 2027 voor alle nieuwe fossiele brandstofpersonenauto’s die door de werkgever ook voor privédoeleinden ter beschikking worden gesteld een pseudo-eindheffing van 12% geldt over de waarde van de auto. Deze heffing komt boven op de reguliere bijtelling voor privégebruik van de auto van de zaak.23
Wel is in het coalitieakkoord opgenomen dat de tijdelijke verlaging van de brandstofaccijns op benzine (opnieuw) wordt verlengd tot en met 2027, waarbij de tarieven in dat jaar worden bevroren op het niveau van 2026.24
2.6 Vliegen
Eind 2025 is de Wet differentiatie tarief vliegbelasting (onderdeel van het Belastingpakket 2026) aangenomen. Deze wet bepaalt dat per 1 januari 2027 een progressief gedifferentieerd tarief wordt gehanteerd op basis van de eindbestemming van passagiers: een laag tarief van € 29,40, een middentarief van € 47,24 en een hoog tarief van € 70,86 per passagier. Thans geldt een vlak tarief van € 29,40 voor vluchten vanaf een in Nederland gelegen luchthaven. In het coalitieakkoord is opgenomen dat de coalitie wil inzetten op invoering van een Europese vliegtaks ter vervanging van de nationale ticketbelasting, met als doel een gelijk speelveld binnen de Europese Unie te creëren en schonere vliegtuigtypes te stimuleren.25 Onduidelijk blijft evenwel hoe deze voornemens zich verhouden tot de reeds ingevoerde nationale maatregelen en het differentiatiemechanisme binnen de huidige vliegbelasting.
2.7 Suikertaks
Ten aanzien van gezondheids- en consumptiegerelateerde belastingen introduceert de coalitie een taakstellende heffing op basis van het suikergehalte in bepaalde voedingsmiddelen, die vanaf 2030 van toepassing zal zijn op producenten van voorverpakte producten met een suikergehalte van ten minste 6%.26 Hoewel de belasting formeel wordt geheven bij producenten, ligt prijsdoorwerking richting consumenten voor de hand, waardoor de maatregel ook indirect gevolgen kan hebben voor huishoudens. Hoewel het inzetten van fiscale instrumenten ter bevordering van gezonder consumptiegedrag vanuit maatschappelijk perspectief begrijpelijk kan worden geacht, roept deze benadering tegelijkertijd vragen op, met name in het licht van het kabinetsstreven naar een minder complex belastingstelsel en een vermindering van de bureaucratische lasten voor ondernemers. Daarnaast valt op dat in het coalitieakkoord geen aandacht wordt besteed aan een verbruiksbelasting op e-sigaretten, terwijl zowel D66, VVD als het CDA een dergelijke maatregel hebben opgenomen in de door het CPB doorgerekende verkiezingsprogramma’s.
3. Bedrijven
3.1 Vennootschapsbelasting
De schijfgrens (€ 200.000) en de tarieven in de vennootschapsbelasting (19% en 25,8%) zijn sinds 2023 ongewijzigd. Hoewel uit de evaluatie van het lage vennootschapsbelastingtarief is gebleken dat de regeling geen duidelijke doelstelling heeft, heeft de staatssecretaris aangegeven dat het (demissionaire) kabinet de regeling niet zal aanpassen, onder meer vanwege mogelijke negatieve effecten op het vestigingsklimaat en de lastendruk voor bedrijven.27 De staatssecretaris is tevens ingegaan op het mogelijk belasten van overwinsten in de winstbelasting. In 2023 werd gesproken over een algemene solidariteitsbijdrage voor bedrijven die onevenredig profiteren van een crisis,28 en in 2025 over een belastingheffing op overwinsten binnen de wapenindustrie.29 Daarbij is onder meer aangegeven dat een aanvullende belasting op overwinsten juridisch, uitvoeringstechnisch en economisch onwenselijk en complex kan zijn, met name vanwege de moeilijkheid om uitzonderlijke omstandigheden eenduidig te koppelen aan behaalde overwinsten. Naast het toepasselijke tarief is voor ondernemingen tevens van belang in hoeverre de belastinggrondslag jaarlijks wijzigt, of voldoende aandacht wordt besteed aan het fiscale vestigingsklimaat en op welke wijze belastingontwijking wordt aangepakt.
De coalitie spreekt uit dat de vennootschapsbelasting niet wordt verhoogd, met als doel een gelijk speelveld binnen Europa te behouden.30 Onduidelijk blijft of dit betrekking heeft op de opbrengst van de vennootschapsbelasting dan wel op de tarieven, en of dit zowel het reguliere als het verlaagde tarief omvat, temeer nu eerdere evaluaties kritisch waren over de effectiviteit van het lage tarief. In het coalitieakkoord wordt tevens opgemerkt dat voor directeur-grootaandeelhouders de belastingdruk ‘in evenwicht’ moet zijn.31 Mogelijk dient deze passage te worden gelezen in samenhang met het voornemen om de vennootschapsbelasting niet te verhogen.
Voorts is opmerkelijk dat in het coalitieakkoord niet wordt ingegaan op de rol van de winstbelasting op de lange termijn. Evenmin wordt ingegaan op de Wet minimumbelasting 2024, de verdere Europese ontwikkeling van de minimumbelasting en het Nederlandse standpunt dienaangaande.32
3.2 Vrijheidsbijdrage voor bedrijven
De coalitie introduceert een zogenoemde vrijheidsbijdrage voor burgers en bedrijven. Voor bedrijven krijgt deze bijdrage concreet gestalte via een taakstellende verhoging van de arbeidsongeschiktheidsfonds-premie (aof-premie),33 de verplichte bijdrage die werkgevers betalen ter financiering van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, waaronder de WIA en WAO. Over de precieze invulling van de voorgenomen verhoging van de aof-premie zal overleg plaatsvinden met ondernemersorganisaties, mede in het licht van het vestigingsklimaat.
De aof-premie lijkt daarmee in toenemende mate te fungeren als een budgettair instrument dat wordt ingezet om financiële tegenvallers elders op te vangen. Zo is recentelijk eveneens gebruikgemaakt van een verhoging van de aof-premie met 0,08% ter dekking van een budgettair tekort dat was ontstaan naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 inzake de liquidatieverliesregeling en de uitleg van de zogenoemde ‘enigerlei-tegemoetkoming-eis’.34
3.3 Vestigingsklimaat en belastingontwijking
Het coalitieakkoord 2026-2030 bevat diverse fiscale en beleidsmatige voornemens die zijn gericht op het versterken van het ondernemingsklimaat en het bevorderen van economische groei, waarbij nadrukkelijk wordt ingezet op rust, stabiliteit en voorspelbaarheid voor bedrijven. De coalitie benadrukt dat investeringsbeslissingen een lange tijdshorizon kennen en dat vertrouwen in het Nederlandse vestigingsklimaat essentieel is om werken, ondernemen en investeren aantrekkelijk te houden, met als expliciete ambitie Nederland te positioneren als een van de sterkste economieën van Europa.35 In dat kader kiest de coalitie voor een fiscaal stabiel vestigingsklimaat, hetgeen impliceert dat grote stelselwijzigingen of ingrijpende fiscale herzieningen voor ondernemingen vooralsnog niet voor de hand liggen.
De coalitie benadrukt dat ondernemers gebaat zijn bij stabiel beleid en stabiele belastingregels en kiest er daarom nadrukkelijk voor om een aantal – vaak ter discussie staande – fiscale faciliteiten die van belang worden geacht voor het bedrijfsleven te behouden, waaronder de expatregeling, de innovatiebox, de WBSO, de verliesverrekening, de deelnemingsvrijstelling en de bedrijfsopvolgingsregeling. Deze keuze sluit mijns inziens tevens aan bij de technische en uitvoeringsrealiteit, nu de Belastingdienst de komende jaren reeds in belangrijke mate wordt belast met omvangrijke wijzigingen, zoals de hervorming van box 3 en naar verwachting bredere aanpassingen in het inkomstenbelasting- en toeslagenstelsel.
Tegelijkertijd wordt ingezet op vereenvoudiging van bestaande ondernemersregelingen, waarbij met name de WBSO en de werkkostenregeling minder complex moeten worden gemaakt en administratieve lasten voor werkgevers en ondernemingen worden verminderd. Wat dit concreet inhoudt, wordt niet nader toegelicht.
Opvallend is dat de coalitie expliciet bevestigt dat bepaalde regelingen – zoals de expatregeling – worden behouden, zonder nader in te gaan op reeds ingevoerde versoberingen, waaronder de verlaging van het maximale belastingvrije percentage en de aangekondigde aanscherping van de salarisgrens vanaf 2027.
Eveneens opvallend is dat juist de verliesverrekening en deelnemingsvrijstelling expliciet worden genoemd. Dit hangt mogelijk samen met recent onderzoek naar verschillen tussen commerciële en fiscale winsten, waaruit bleek dat het belastbare bedrag aanzienlijk lager kan uitvallen (in vergelijking met de commerciële winst) door de deelnemingsvrijstelling en verliesverrekening.36 Opvallend vind ik voorts dat het fiscale-eenheidsregime niet expliciet wordt genoemd als regeling die ongewijzigd blijft. Dit kan erop duiden dat het nieuwe kabinet ruimte wil laten voor nadere verkenning van een alternatieve groepsregeling, maar evenzeer dat de consultatie uit de zomer van 2019 over een nieuwe groepsregeling in de vennootschapsbelasting thans geen prominente plaats meer inneemt in de beleidsagenda. Gelet op de omvang en urgentie van andere fiscale dossiers, alsmede de omstandigheid dat de praktijk vooralsnog werkbaar lijkt te functioneren met de getroffen spoedreparatiemaatregelen, ligt de laatstgenoemde verklaring het meest voor de hand.
Voorts is vermeldenswaardig dat de coalitie vereenvoudiging voor bedrijven wil realiseren door onnodige nationale koppen op Europese regelgeving te schrappen en Europese richtlijnen zoveel mogelijk een-op-een en sneller te implementeren. In het coalitieakkoord wordt niet toegelicht welke fiscale bepalingen dit concreet betreft en welke gevolgen dit heeft voor reeds ingevoerde maatregelen die voortvloeien uit onder meer ATAD1, ATAD2 en Pijler 2. Mogelijk wordt hiermee mede gedoeld op de samenloop van antimisbruikmaatregelen, de reikwijdte van de hybride mismatchmaatregelen (ATAD2) in art. 12aa tot en met 12ag Wet VPB 1969 en de relatief vergaande toepassing van de earningsstrippingmaatregel (art. 15b Wet VPB 1969), die op onderdelen verder gaat dan de Europese minimumnormen.37 Uit de planning van de TK-Commissie van Financiën 2026 blijkt overigens dat in april 2026 een Kamerbrief is voorzien met het vervolgonderzoek naar grondslaguitholling via renteaftrek.
Ten slotte valt op dat het coalitieakkoord geen expliciete passages bevat over het tegengaan van belastingontwijking of belastingontduiking. De nadruk lijkt daarmee primair te liggen op het ondersteunen van het vestigingsklimaat, al sluit een dergelijke beleidsfocus niet uit dat ook maatregelen tegen belastingontwijking kunnen worden genomen.
3.4 Innovatie
Het kabinet beoogt bedrijven te ondersteunen bij investeringen die aansluiten bij de economie van de toekomst, onder meer door een uitbreiding van de WBSO gericht op de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie en andere technologische innovaties, het behoud van de innovatiebox en de voortzetting van de expatregeling. Daarnaast wordt beoogd bestaande investeringsfaciliteiten, zoals de EIA, MIA en VAMIL, waar mogelijk samen te voegen tot één robuuste en overzichtelijke investeringsregeling, teneinde de uitvoerbaarheid en toegankelijkheid te vergroten.38
Voorts zet de coalitie in op een aantrekkelijk klimaat voor startups en scale-ups, onder meer door het eenvoudiger te maken medewerkers (deels) in aandelen of aandelenopties te belonen en door uitbreiding van mogelijkheden voor fiscaal gefaciliteerde vormen van financiële medewerkersparticipatie, waarbij reeds een wetsvoorstel voor aandelenopties in voorbereiding is.39 Ook duurzaam en verantwoord ondernemerschap krijgt expliciete aandacht, met het voornemen de ‘rentmeestervennootschap’ als nieuwe rechtsvorm wettelijk te verankeren en administratieve lasten en kosten te verlagen voor ondernemingen die duurzaam opereren.40
4. Woningmarkt
4.1 Fiscale behandeling eigen woning
Volgens het kabinet blijft de fiscale behandeling van de eigen woning ongewijzigd.41 In het verkiezingsprogramma van de VVD is als belangrijk uitgangspunt opgenomen dat de hypotheekrenteaftrek niet zou worden gewijzigd. D66 en het CDA hebben daarentegen wel een wijziging bepleit. In het tussenverslag wordt expliciet vermeld dat beide partijen de woningmarkt toegankelijker willen maken door de eigenwoningregelingen aan te passen. Volgens deze partijen omvat dit onder meer een geleidelijke afbouw van de hypotheekrenteaftrek, zodra dit uitvoeringstechnisch mogelijk wordt geacht, met een terugsluis via de inkomstenbelasting.42
Het is niet uitgesloten dat het kabinet alsnog actie onderneemt in verband met het aflopen van de 30-jaarstermijn. In 2001 heeft de wetgever bepaald dat hypotheekrente gedurende maximaal 30 jaar in aftrek kan worden gebracht. De Belastingdienst heeft echter geen volledige gegevens bijgehouden over de resterende aftrektermijnen, terwijl het is te verwachten dat ook veel belastingplichtigen zelf niet nauwkeurig hebben geregistreerd wanneer het recht op renteaftrek eindigt. Een mogelijke beleidsoptie is het schrappen van de 30-jaarstermijn voor de hypotheekrenteaftrek.43 Gezien het aanzienlijke budgettaire belang en de maatschappelijke discussie rond de hypotheekrenteaftrek in de afgelopen jaren, ligt het echter meer voor de hand dat de aftrekmogelijkheid van hypotheekrente (alsnog) geleidelijk wordt afgebouwd.44
Het voorlopig ongemoeid laten van de fiscale behandeling van de eigen woning impliceert dat hypotheekrente aftrekbaar blijft tegen maximaal het ‘tweede tarief’ in de inkomstenbelasting. Tevens blijft het eigenwoningforfait ongewijzigd. Uit recente rechtspraak volgt dat zowel het verhoogde eigenwoningforfait voor woningen met een hoge eigenwoningwaarde als de afbouw van de Hillen-regeling niet in strijd is met art. 14 EVRM of art. 1 EP EVRM.45 De versnelde afbouw van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (Wet Hillen) was reeds opgenomen in het Belastingpakket 2026. In verband met de benodigde budgettaire dekking voor het niet doorgaan van de verhoging van het forfait overige bezittingen in box 3 is het jaarlijkse afbouwpercentage van de Wet Hillen verhoogd van 3 1/3%-punt naar 4,8%-punt. Als gevolg hiervan wordt de aftrek volledig beëindigd in 2041, in plaats van in 2048.
4.2 Woningcorporaties
De fiscale status van woningcorporaties staat reeds geruime tijd ter discussie. In diverse verkiezingsprogramma’s is voorgesteld de vennootschapsbelastingplicht voor (bepaalde) woningcorporaties af te schaffen. In andere programma’s is opgenomen dat de herbestedingsreserve opnieuw zou moeten worden ingevoerd, dan wel dat de earningsstrippingmaatregel (generieke renteaftrekbeperking) niet langer op woningcorporaties van toepassing zou moeten zijn.46 Uit de budgettaire bijlage van het coalitieakkoord blijkt dat het kabinet voornemens is de investeringscapaciteit van woningcorporaties vanaf 2028 uit te breiden via een faciliteit in de vennootschapsbelasting. Welke faciliteit dit betreft, wordt niet expliciet vermeld. Het zou kunnen gaan om een herinvoering van de per 1 januari 2012 afgeschafte herbestedingsreserve. Deze herbestedingsreserve vormde een fiscale faciliteit waarmee woningcorporaties behaalde boekwinsten op de verkoop van woningen konden reserveren ten behoeve van herinvestering, zonder dat daarover onmiddellijk vennootschapsbelasting verschuldigd was. Het zou ook kunnen gaan om een verduurzamingsaftrek.47 Het invoeren van een faciliteit voor woningcorporaties vereist overigens nog wel afstemming met de Europese Commissie om het staatssteunrisico te beperken.
Voorts merkt het kabinet op dat wet- en regelgeving, alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt, zodanig zullen worden vormgegeven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van huurwoningen kan toenemen.48 Een nadere inhoudelijke toelichting op de concrete invulling en reikwijdte van deze voornemens ontbreekt vooralsnog.49
4.3 Planbatenheffing
In meerdere verkiezingsprogramma’s hebben politieke partijen zich uitgesproken over de invoering van een leegstandsheffing, een speculatiebelasting of een planbatenheffing. Opvallend is dat deze begrippen in de programma’s soms door elkaar worden gebruikt, terwijl zij naar aard en doelstelling van elkaar verschillen. De leegstandsheffing vormt primair een directe prikkel om langdurige leegstand en het onbenut laten van vastgoed tegen te gaan. De speculatiebelasting is daarentegen gericht op het ontmoedigen van prijsopdrijvende handelspraktijken en kortetermijnspeculatie. De planbatenheffing betreft in essentie een instrument voor herverdeling van planologische waardestijgingen (planbaten) die voortvloeien uit overheidsbesluiten.50
In het coalitieakkoord wordt in algemene bewoordingen gesteld dat gemeenten meer mogelijkheden krijgen om een actief grondbeleid te voeren. De coalitie beoogt daarbij prijsopdrijvende effecten als gevolg van toenemende vraag te beperken. Volgens het akkoord kan tevens een instrument worden ingezet waarmee private winsten van grondeigenaren in sterkere mate publiek kunnen worden aangewend, bijvoorbeeld voor woningbouw en infrastructuur, waarbij uitbreiding van het kostenverhaal als het snelst en meest geschikte middel wordt genoemd.51 Dit duidt mogelijk op de invoering van een vorm van planbatenheffing. Welk concreet instrument de coalitie voor ogen heeft en hoe dit juridisch en fiscaal zal worden vormgegeven, blijft vooralsnog onduidelijk. Over een eventuele leegstandsheffing bevat het coalitieakkoord geen nadere passages.52
4.4 Overdrachtsbelasting
De tariefstructuur binnen de overdrachtsbelasting kenmerkt zich door een aanzienlijke mate van complexiteit, als gevolg van het bestaan van meerdere tarieven, uiteenlopende doelgroepen en specifieke definities die in wet- en regelgeving zijn verankerd. Voor woningen geldt in beginsel een gedifferentieerd stelsel, waarbij onder meer onderscheid wordt gemaakt tussen starters, natuurlijke personen die de woning als hoofdverblijf gaan gebruiken, en verkrijgers die de woning niet zelf zullen bewonen, zoals beleggers.
Het kabinet heeft het voornemen om per 2027 het algemene tarief voor de verkrijging van woningen die niet als hoofdverblijf door de koper worden gebruikt – waaronder woningen bestemd voor verhuur of recreatief gebruik – te verlagen van 8% naar 7%. Deze tariefverlaging lijkt primair gericht op het verbeteren van het investeringsklimaat op de huurwoningmarkt en het stimuleren van het woningaanbod vanuit een beleggersperspectief. Opvallend is evenwel dat in de budgettaire toelichting uitsluitend wordt verwezen naar particuliere investeerders.53 Dit roept de vraag op in hoeverre de maatregel materieel beperkt is tot natuurlijke personen, dan wel of ook andere verkrijgers – zoals pensioenfondsen, vastgoedfondsen en overige professionele beleggers – onder het verlaagde tarief zullen vallen.
5. Arbeidsmarkt
De coalitie presenteert een arbeidsmarktbeleid dat expliciet is ingegeven door structurele uitdagingen, zoals vergrijzing, aanhoudende arbeidstekorten en de toenemende druk op het stelsel van sociale zekerheid. Hierbij worden economische groei en financiële houdbaarheid als centrale randvoorwaarden genoemd. Het meest opvallend is wellicht de geplande aanscherping van de koppeling van de AOW-leeftijd per 1 januari 2033 aan de levensverwachting, met als doel de betaalbaarheid van de AOW op langere termijn te waarborgen. Het kabinet benadrukt dat er oog blijft voor mensen met een zwaar beroep die niet in staat zijn langer door te werken. Momenteel is de AOW-leeftijd voor twee derde gekoppeld aan de levensverwachting; met deze maatregel stijgt de AOW-leeftijd volledig mee met verdere toename van de levensverwachting. De hoogte van de AOW-uitkering blijft ongewijzigd en groeit mee met de welvaartsontwikkeling.54
Daarnaast heeft de coalitie expliciet aandacht voor de problematiek rondom zelfstandigen. Het kabinet streeft ernaar de Zelfstandigenwet zo spoedig mogelijk in te voeren. Het voornemen is te starten met de invoering van het rechtsvermoeden van werknemerschap uit de Wet Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar), waarbij het verduidelijkingsdeel wordt geschrapt, samen met de sectorale rechtsvermoedens en de toetsingscommissie uit de Zelfstandigenwet. Vervolgens zal het kabinet de resterende onderdelen van de Zelfstandigenwet zo snel mogelijk implementeren.55
Verder worden diverse beleidswijzigingen aangekondigd. Zo wordt de duur van de WW-uitkering verkort, met een hogere uitkering in de eerste maanden, wordt de Wet normering topinkomens herijkt, en wordt het werkgevers makkelijker gemaakt via de werkkostenregeling werknemers te ondersteunen bij het versneld aflossen van studieschulden. Ook beoogt de coalitie een driedaagse pilot te starten gericht op het, onder strikte voorwaarden, actief aantrekken van goed geschoolde krachten naar Nederland in vooraf gedefinieerde sectoren. Voor deze pilot gelden onder meer een minimumsalaris, huisvestingseisen en een maximale verblijfsduur van drie jaar. Het kabinet geeft aan dat voor deze pilot in ieder geval kandidaten uit potentiële EU-lidstaten in aanmerking komen.56
6. Afsluiting
Het coalitieakkoord van D66, VVD en CDA voor de periode 2026-2030 bevestigt dat fiscaliteit een wezenlijk instrument vormt bij de verwezenlijking van uiteenlopende beleidsdoelstellingen, variërend van economische groei en innovatie tot sociale zekerheid en duurzaamheid. Tegelijkertijd maakt het akkoord inzichtelijk dat de concrete uitwerking en implementatie van de aangekondigde fiscale maatregelen in belangrijke mate afhankelijk zullen zijn van politieke haalbaarheid. Nu de coalitie niet beschikt over een meerderheid in zowel de Tweede als de Eerste Kamer, zal de realisatie van het fiscale beleid mede worden bepaald door de bereidheid van oppositiefracties om afzonderlijke voorstellen te steunen.
Het akkoord kenmerkt zich door een uitgesproken terughoudende fiscale koers. De nadruk ligt op rust, stabiliteit en voorspelbaarheid, een benadering die aansluit bij zowel de politieke constellatie als de beperkte uitvoeringscapaciteit van de Belastingdienst in de komende jaren. Deze keuze roept evenwel de vraag op of met deze geleidelijke en behoudende benadering voldoende perspectief wordt geboden op een meer fundamentele herziening van het belastingstelsel.
Voor het bedrijfsleven vertaalt deze koers zich in het behoud van bestaande fiscale faciliteiten, waaronder de innovatiebox, de WBSO, de verliesverrekening, de deelnemingsvrijstelling en de bedrijfsopvolgingsregeling, terwijl ingrijpende stelselwijzigingen vooralsnog achterwege blijven. Hoewel deze beleidslijn kan bijdragen aan het behoud van een aantrekkelijk vestigingsklimaat en aan vertrouwen bij ondernemingen, kan worden betwijfeld of zij toereikend is om structurele knelpunten, zoals stelselcomplexiteit en verschillen in effectieve belastingdruk, daadwerkelijk te adresseren. Recente evaluaties, waaronder het rapport van de commissie-Wennink, wijzen er immers op dat het uitblijven van wezenlijke hervormingen bestaande problemen kan bestendigen.
Voor burgers manifesteert de spanning tussen stelselstabiliteit en beleidsambitie zich op een andere wijze. Maatregelen zoals de vrijheidsbijdrage, in de inkomstenbelasting vormgegeven via een beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor, zijn vanuit budgettair en uitvoeringstechnisch perspectief relatief eenvoudig, maar roepen vragen op over transparantie en voorspelbaarheid van de belastingdruk. De mogelijke invoering van een suikertaks onderstreept de spanning tussen actief inkomensbeleid en een stabiel belastingstelsel: wijzigingen in fiscale wetgeving zijn vaak nodig om beleid te realiseren, maar zorgen tegelijk voor onzekerheid bij belastingplichtigen en voor uitdagingen in de uitvoering door de Belastingdienst. In dit verband verdient ook het voornemen aandacht om het belasting- en toeslagenstelsel, evenals andere inkomensafhankelijke regelingen en sociale verzekeringen, in samenhang te herzien. Hoewel deze ambitie getuigt van een breed besef dat het huidige stelsel tekortschiet op het punt van eenvoud, transparantie en uitvoerbaarheid, blijft de concrete uitwerking vooralsnog beperkt tot aankondigingen en nadere verkenningen. Juist bij een dergelijke integrale herziening is het risico aanzienlijk dat overgangsregimes, uitzonderingen en gefaseerde invoering leiden tot tijdelijke of zelfs structurele toename van complexiteit en onzekerheid.
Daarnaast laat het coalitieakkoord op diverse punten onduidelijkheid bestaan over de concrete invulling van aangekondigde fiscale voornemens, waaronder de invulling van een mogelijke planbatenheffing, de fiscale positie van woningcorporaties en de verdere ontwikkeling van box 3. Voor zowel burgers als ondernemingen is het van belang dat deze open eindes in de verdere beleids- en wetgevingsfase worden ingevuld met duidelijke en consistente keuzes, zodat fiscale besluitvorming kan plaatsvinden op basis van kenbare en rechtvaardige uitgangspunten.
Het verdient daarom aanbeveling dat bij de verdere onderhandelingen en de uitwerking van fiscale wetgeving nadrukkelijk aandacht wordt besteed aan evenwichtige en concreet uitgewerkte maatregelen, die zijn verankerd in klassieke belastingbeginselen zoals rechtszekerheid, eenvoud, draagkracht en neutraliteit. Alleen onder die voorwaarden kan de beoogde stabiliteit worden gecombineerd met voldoende hervormingskracht en kan daadwerkelijk worden gewerkt aan een eenvoudiger, rechtvaardiger en toekomstbestendig belasting- en inkomensstelsel.