Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/6.7.2.1
6.7.2.1 De bepaling die overeenkomt met art. 9, lid 1, OESO-modelverdrag
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS299575:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De volgende landen zijn lid van de OESO: Australië, België, Canada, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Japan, Korea, Luxemburg, Mexico, Nederland, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Turkije, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, IJsland, Zweden en Zwitserland.
De volgende landen zijn geassocieerd met de OESO: Albanië, Argentinië, Brazilië, Bulgarije, China, Estland, de Filippijnen, Gabon, Israël, Ivoorkust, Kroatië, Letland, Litouwen, Maleisië, Marokko, Oekraïne, Roemenië, Rusland, Slovenië, Thailand, Tunesië, Vietnam, Wit-Rusland en Zuid-Afrika.
Art. 9, lid 1, van het belastingverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten komt, voor zover relevant voor dit onderzoek, overeen met het eerste lid van de bepaling over gelieerde ondernemingen van het OESO-modelverdrag, met dien verstande dat in plaats van ‘voordelen’ wordt gesproken van ‘inkomsten, aftrekken, ontvangsten, vergoedingen of uitgaven’ die zonder onzakelijke voorwaarden zouden zijn toegekomen aan een van de ondernemingen. De formulering ‘inkomsten, aftrekken, ontvangsten of uitgaven’ komt ook voor in art. 9, lid 1 van het belastingverdrag tussen Nederland het Verenigd Koninkrijk.
Art. IV luidt als volgt: ‘Niets in het eerste lid van artikel 9 (Gelieerde ondernemingen) of in het vijfde lid van artikel 12 (Interest) belet een van beide Staten het passende bedrag aan in aftrek toegelaten interest van een onderneming vast stellen, niet alleen aan de hand van het bedrag van de interest met betrekking tot een bepaalde schuldvordering maar tevens aan de hand van het totale bedrag van de schuldenlast van de onderneming. In het kader van de regeling voor onderling overleg van artikel 29 (Regeling voor onderling overleg) wordt het bedrag aan in aftrek toegelaten interest vastgesteld op een wijze die in overeenstemming is met de beginselen van het eerste lid van artikel 9 met in aanmerkingneming van de voorwaarden in de handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen die bestaan tussen onafhankelijke ondernemingen die als willekeurige derden transacties aangaan. Die beginselen zijn uitgebreider onderzocht en toegelicht in OESO-publicaties betreffende “thin capitalization”‘. Art. V, eerste twee volzinnen, van het memorandum van overeenstemming luidt: ‘In overeenstemming met het derde lid van artikel 29 (Regeling voor onderling overleg) trachten de bevoegde autoriteiten in onderling overleg elk geval van dubbele belasting te regelen dat zich voordoet door de toerekening van inkomen, aftrekposten, verrekeningen of tegemoetkomingen veroorzaakt door de toepassing van de nationale wetgeving betreffende “thin capitalization”, “earnings stripping”, of verrekenprijzen of van andere bepalingen die mogelijk aanleiding kunnen zijn tot dubbele belastingheffing. In deze procedure voor onderling overleg wordt de juiste toerekening van inkomen, aftrekposten, verrekeningen of tegemoetkomingen op basis van deze Overeenkomst bepaald op een wijze die in overeenstemming is met de beginselen van het eerste lid van artikel 9 (Gelieerde ondernemingen) met in aanmerkingneming van de voorwaarden in de handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen die bestaan tussen onafhankelijke ondernemingen die als willekeurige derden transacties aangaan.’
Art. X van het protocol bij het belastingverdrag tussen Nederland en Portugal luidt: ‘Het is wel te verstaan dat de bepalingen van het Verdrag niet zodanig mogen worden uitgelegd dat zij de toepassing door een Verdragsluitende Staat van de bepalingen inzake 'thin capitalization” uit zijn nationale wetgeving in de weg staan, behalve in die gevallen waarin de gelieerde ondernemingen kunnen laten zien dat de voorwaarden die tussen die ondernemingen zijn overeengekomen of opgelegd, vanwege de speciale kenmerken van hun activiteiten of hun specifieke economische omstandigheden, in overeenstemming zijn met het 'arm’s length” principe.’
Staten Generaal, 1999/2000, 26 867, nr. 57, p. 12.
Staten Generaal, 1996/97, 25 504, nr. 334, p. 9.
Staten Generaal, 1996/97, 25 504, nr. 334, p. 9.
Kamerstukken II 2001/02, 28 259, nr. 3 (Gezamenlijke artikelsgewijze toelichting, bijlage bij de MvT), p. 30.
Zie Kamerstukken II 2001/02, 28 259, nr. 6 (Nota), p. 2.
Het internationale recht beschermt dan naar mijn mening de gerechtvaardigde verwachting dat deze bepaling wordt toegepast conform de richtlijnen. Zie F. Engelen, Interpretation of Tax Treaties under International Law, Doctoral Series 7, Amsterdam: IBFD Academic Counsel 2004, p. 465/466. Zie ook F. Engelen, ‘Some Observations on the Legal Status of the OECD Model’, Bulletin, March 2006, p. 105-109.
Nederland heeft belastingverdragen gesloten met alle lidstaten van de OESO1 en met alle landen die zijn geassocieerd met de OESO2, met uitzondering van Albanië, Gabon en Ivoorkust. Bovendien heeft Nederland ruim twintig belastingverdragen gesloten met landen die geen lid zijn van de OESO noch daarmee zijn geassocieerd.
In alle Nederlandse belastingverdragen komt een bepaling voor die, voor zover relevant voor dit onderzoek, materieel overeenkomt met art. 9, lid 1, OESO-modelverdrag, met uitzondering van de verdragen met de voormalige Sovjet-Unie en Zwitserland. Daarnaast bevatten drie Nederlandse belastingverdragen een bepaling die specifiek betrekking heeft op regels tegen onderkapitalisatie, namelijk de belastingverdragen met de Verenigde Staten, Argentinië en Portugal. Ten aanzien van het belastingverdrag met België is de gezamenlijke artikelsgewijze toelichting in dit opzicht van belang. Met betrekking tot het belastingverdrag met Barbados dat op 7 juni 2007 door Nederland is geratificeerd, het nog niet in werking getreden belastingverdrag met Bahrein en het op 22 september 2008 ondertekende belastingverdrag met Azerbeidzjan, is het protocol relevant.
In art. 24, lid 1, van het belastingverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten is een bijzondere bepaling opgenomen die inhoudt dat elk van de staten zijn inwoners en zijn onderdanen mag belasten als ware het verdrag niet in werking getreden. In het tweede lid van art. 24 wordt vervolgens een aantal bepalingen opgesomd die niet door het eerste lid wordt aangetast. In het tweede lid van art. 24 wordt wel het tweede lid van de bepaling over gelieerde ondernemingen genoemd maar niet het eerste lid. Hieruit volgt dat art. 9, lid 1, van het belastingverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten3 geen restrictieve maar een illustratieve werking heeft.
Deze illustratieve werking is voor Nederland aanleiding geweest om er op aan te dringen dat eventuele dubbele heffing als gevolg van de vaststelling van verrekenprijzen of de toepassing van de earnings stripping rules in onderling overleg zal worden weggenomen: ‘Bij dat overleg zal bij het bepalen van de verrekenprijzen, respectievelijk de in aftrek toegestane rentebedragen het arm’s lengthbeginsel het uitgangspunt zijn voor het oplossen van dubbele belasting.’4 Dat het arm’s length-beginsel het uitgangspunt is bij het vermijden van dubbele belasting die voort kan vloeien uit de toepassing van regels tegen onderkapitalisatie blijkt ook uit art. IV en V van het memorandum van overeenstemming bij het belastingverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten.5
Ook art. X van het protocol bij het belastingverdrag tussen Nederland en Portugal bevat een regel die specifiek betrekking heeft op onderkapitalisatie.6 Blijkens de Nederlandse toelichtende nota beperkt de Portugese wetgeving de aftrekbaarheid van rente betaald aan een niet-inwoner van Portugal die tenminste 25% bezit van het kapitaal van een in Portugal gevestigd lichaam. De aftrek van de rente is dan niet toegestaan voor zover zij betrekking heeft op leningen die het bedrag van tweemaal het kapitaal in het lichaam van deze niet-inwoner te boven gaan. Uit de toelichtende nota blijkt met zoveel woorden dat de Portugese regels tegen onderkapitalisatie op grond van art. X van het protocol geen toepassing kunnen vinden op leningen die op dezelfde voorwaarden ook van onafhankelijke derden hadden kunnen worden verkregen.7
Art. VI van het protocol ad de artt. 9 en 28 bij het belastingverdrag tussen Nederland en Argentinië kent een bepaling die inhoudelijke overeenkomt met art. X van het protocol bij het belastingverdrag tussen Nederland en Portugal. Uit de Nederlandse toelichtende nota blijkt dat deze bepaling is opgenomen omdat Argentinië ten tijde van de verdragsonderhandelingen overwoog om onderkapitalisatiewetgeving in te voeren. Met de bepaling is beoogd om ‘zeker te stellen dat alsdan in het kader van de toepassing van het Verdrag de strekking van de OESO-uitgangspunten daarbij wordt gevolgd’.8 Op grond van deze bepaling kunnen nationale regels tegen onderkapitalisatie geen toepassing vinden wanneer gelieerde ondernemingen aantonen dat ‘zij handelen in overeenstemming met het arm’s length-beginsel: dat wil zeggen als onafhankelijke derden’.9
Voor de toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en België is in de gezamenlijke artikelsgewijze toelichting bij dit verdrag expliciet duidelijk gemaakt dat de verrekenprijzenrichtlijnen en de administratieve praktijk van beide landen als leidraad gelden bij de toepassing van de bepaling over gelieerde ondernemingen.10 Uit deze richtlijnen blijkt dat regels tegen onderkapitalisatie in overeenstemming horen te zijn met het arm’s length-beginsel. De gezamenlijke artikelsgewijze toelichting geeft de gemeenschappelijke bedoeling van de beide verdragsluitende staten weer over de uitleg van het verdrag.11 Nederland kan zich naar mijn mening alleen al om deze reden niet op het standpunt stellen dat de bepaling over gelieerde ondernemingen in het belastingverdrag met België geen betrekking heeft op regels tegen onderkapitalisatie.12 Is de crediteur een onderneming die inwoner is van België dan kunnen de Nederlandse regels tegen onderkapitalisatie daarom alleen worden toegepast voor zover een onafhankelijke derde niet voor hetzelfde bedrag een lening aan de debiteur had willen verstrekken.
Ten aanzien van het nog niet in werking getreden belastingverdrag met Barbados is in art. I van het protocol bepaald dat beide verdragsluitende Staten het commentaar van de OESO zullen volgen bij de toepassing en uitlegging van de bepalingen van dit verdrag die in wezen gelijk zijn aan die van het OESO-modelverdrag. Eenzelfde bepaling is opgenomen in art. A van het protocol bij het belastingverdrag met Bahrein en art. I van het protocol bij het belastingverdrag met Azerbeidzjan. Art. 9 van het belastingverdrag tussen Nederland en Barbados en art. 9 van het belastingverdrag tussen Nederland en Bahrein moeten daarom conform het commentaar worden uitgelegd.