Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/7.2.3
7.2.3 De zetel van bedrijfsuitoefening van houdster- en financieringsmaatschappijen
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS398836:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 20 juni 1991, zaak C-60/90, VN 1991, blz. 2140 (Polysar), HvJ 14 november 2000, zaak C-142/99, FED 2001/179 (Floridienne/Berginvest), HvJ 29 april 2004, zaak C-77/01, BNB 2004/ 285 (EDM) en HvJ 29 oktober 2009, zaak C-29/08, VN 2009/56.13 (SKF).
HvJ Polysar, reeds aangehaald en HvJ Floridienne/Berginvest, reeds aangehaald.
Rechtbank Arnhem 3 augustus 2007, reeds aangehaald.
Naar mijn mening kan een kostendoorberekening als hier aan de orde is, worden beschouwd als een economische activiteit. In die zin A.H. Bomer en H.W.M. van Kesteren, Concernproblematiek: belastbaarheid van kostendoorberekeningen, WFR 2001, blz. 959 e.v.
Over houdster- en financieringsmaatschappijen is in de btw veel te doen. Steeds komt de vraag op of hun activiteiten economische activiteiten zijn of juist niet.1 Als zij niet als btw-ondernemer kunnen worden aangemerkt en ook geen btw-identificatienummer hebben is de plaats waar zij hun zetel van bedrijfsuitoefening hebben gevestigd in principe niet van belang. Art. 44 btw-richtlijn (tekst vanaf 2010) geldt voor hen niet, terwijl bij toepassing van art. 45 btw-richtlijn (tekst vanaf 2010) de vestigingsplaats van de dienstverrichter en niet de afnemer van belang is. Op grond van art. 59 btw-richtlijn (tekst vanaf 2010) zijn diensten echter wel belast in het land van de afnemende houdster- en financieringsmaatschappij als zij niet als ondernemer worden aangemerkt en buiten de Unie zijn gevestigd. Bij toepassing van art. 59 btw-richtlijn is de houdstermaatschappij de afnemer waarvan de vestigingsplaats moet worden vastgesteld. Als de houdster-en financieringsmaatschappij wel als btw-ondernemer kan worden aangemerkt, presteert zij over het algemeen aan de andere onderdelen van het concern die meestal ook als btw-ondernemer kunnen worden aangemerkt. De diensten van de houdster- en financieringsmaatschappij zijn dan op grond van art. 44 btw-richtlijn (tekst vanaf 2010) belast in het land waar de afnemer is gevestigd. Het lijkt daarom voor de hand te liggen in hoofdstuk 8 in te gaan op de zetel van bedrijfsuitoefening van deze houdster- en financieringsmaatschappijen. Zij zijn in de btw echter een bijzondere verschijningsvorm van een vennootschap. Aangezien in de vorige paragraaf is besproken hoe de zetel van bedrijfsuitoefening van een vennootschap moet worden bepaald, ligt het in het verlengde daarvan om te bespreken waar de zetel van bedrijfsuitoefening van een bijzondere verschijningsvorm daarvan, een houdster- en financieringsmaatschappij, is gevestigd.
Houdstermaatschappijen bevinden zich in de structuur van een concern bovenaan al dan niet onder een of meer andere holdings (tussenholdings). Vanuit die hoedanigheid bepalen zij, al dan niet tegen vergoeding, het concernbeleid van de vennootschappen waarin zij direct of indirect het merendeel van de aandelen houden. Die werkzaamheden worden juist door het bestuur van de houdstermaatschappij zelf verricht. Houdstermaatschappijen die voor de vorming van concernbeleid een vergoeding vragen, in de vorm van een management fee, kwalificeren als btw-ondernemer. Houdstermaatschappijen die geen vergoeding vragen of zich niet bezig houden met het concernbeleid, bijvoorbeeld tussenhoudsters, zijn geen btw-ondernemer.2 In paragraaf 7.2.2 is geconstateerd dat de plaats waar de werkelijke bedrijfsuitoefening van de ondernemer plaatsvindt niet van belang is om vast te stellen waar zijn zetel van bedrijfsuitoefening is gevestigd. De plaats waar de concernleiding wordt gevoerd zou dus niet relevant zijn om te bepalen waarde zetel van bedrijfsuitoefening van de houdstermaatschappij is gevestigd. Dit is de bedrijfsuitoefening, de economische activiteit, van de houdstermaatschappij als daar een vergoeding voor wordt gevraagd. Hetzelfde geldt wanneer er geen managementvergoeding wordt gevraagd voor het voeren van het concernbeleid. Het zou bevreemden dat de plaats van waaruit de concernleiding wordt gevoerd wel van belang is voor het vaststellen waar de zetel van bedrijfsuitoefening van de houdstermaatschappij is gevestigd als daarvoor geen vergoeding wordt gevraagd, maar niet als voor dezelfde activiteit wel een vergoeding wordt gevraagd. Alleen de plaats waar de algemene leiding en centrale bestuur van de houdstermaatschappij zelf wordt uitgevoerd is dus van belang om vast te stellen waar de zetel van bedrijfsuitoefening van de houdstermaatschappij is gevestigd.
Ook zou onderscheid moeten worden gemaakt tussen de dagelijkse leiding over en de dagelijkse uitvoering van het voeren van concernbeleid enerzijds en het voeren van de algemene leiding over het te voeren concernbeleid anderzijds. Het voeren van algemene leiding over de door de vennootschap uitgeoefende economische activiteit moet immers wel als een bestuurstaak worden gezien. Dagelijks overleg met bestuurders van de dochtervennootschappen kan als activiteit van dagelijkse leiding of dagelijkse uitvoering van het voeren van concernbeleid worden gezien. Het opstellen van de algemene beleidslijnen als algemene leiding over het voeren van concernbeleid. In de praktijk zal een dergelijke splitsing vaak niet kunnen worden aangelegd. Bovendien kan het concernbeleid net zozeer in algemene lijnen worden uitgezet bij het dagelijks overleg met de bestuurders als bij het opstellen van het algemene concernbeleid. Naar mijn mening zijn beslissingen over het te voeren concernbeleid van een zodanig gewicht dat de plaats waar zij worden genomen voor het bepalen waar de zetel van bedrijfsuitoefening van de houdstermaatschappij is gevestigd toch van belang moeten zijn. Het bepalen van het concernbeleid vormt vaak een van de belangrijkste doelen van het bestuur van de houdstermaatschappij.
Met Rechtbank Arnhem3 ben ik van mening dat de plaats waar de concernleiding haar werkzaamheden uitvoert in beginsel alleen van belang is om te bepalen waar de zetel van bedrijfsuitoefening van de houdstermaatschappij zelf is gevestigd. Pas als de bemoeienis van de concernleiding zover gaat dat de concernleiding moet worden geacht de algemene leiding en centrale bestuurstaken van haar deelnemingen uit te oefenen, is de plaats waar de concernleiding is gevestigd van belang om te bepalen waar de zetel van bedrijfsuitoefening van de deelnemingen is gevestigd.
Een ander kenmerk van houdstermaatschappijen is dat zij vaak kosten doorberekenen. Het doorberekenen van kosten kan liggen in het verlengde van de activiteiten die als houdstermaatschappij worden verricht. Dat is bijvoorbeeld het geval bij doorberekening van kosten voor het opstellen of laten controleren van de geconsolideerde jaarrekening van de groep waar de houdstermaatschappij het hoofd van vormt. Voor een houdstermaatschappij die alleen dergelijke kosten doorberekent, geldt mijns inziens dat deze activiteiten mede van belang zijn voor het bepalen waar de zetel van bedrijfsuitoefening is gevestigd. Zij vloeien voort uit de belangrijkste taak van de houdstermaatschappij, het voeren van concernbeleid. Een houdstermaatschappij kan ook in opdracht van haar dochtermaatschappijen diensten inkopen die bestemd zijn voor die dochtermaatschappij. Gebeurt dit op incidentele basis dan zal deze activiteit vermoedelijk door het bestuur zelf, eventueel via het bestuur ondersteunend personeel, worden verricht. Hoewel een dergelijke activiteit mijns inziens niet als centrale bestuurstaak of beslissing van algemene leiding van de houdstermaatschappij kan worden beschouwd, zal een dergelijke activiteit naar alle waarschijnlijkheid niet af te zonderen zijn van de activiteiten van de houdstermaatschappij die wel als zodanig kwalificeren. Vinden dergelijke kostendoorberekeningen op structurele basis plaats dan zal een dergelijke afzondering wellicht wel mogelijk zijn. De plaats van bijvoorbeeld een kantoor met personeel dat diensten inkoopt en doorberekent, is dan niet van belang voor het bepalen waar de zetel van bedrijfsuitoefening van de houdstermaatschappij is gevestigd. Dit is meer een plaats van waaruit een economische activiteit wordt uitgeoefend.4 Deze is niet van zodanig gewicht dat deze als relevante centrale bestuurstaak kan worden beschouwd.
Houdstermaatschappijen treden daarnaast ook op als financieringsmaatschappij. Zij verstrekken geldleningen aan de vennootschappen waar zij deelnemingen in houden. Ook zien we binnen concern financieringsmaatschappijen die niet als houdstermaatschappij fungeren. Kenmerkend voor de activiteiten van een financieringsmaatschappij is dat deze een beperkte mate van arbeid met zich brengen. Er is, naast de bestuurders, vaak weinig tot geen personeel in dienst. Ook komt het voor dat veel van de werkzaamheden van de financieringsmaatschappij worden verricht via een trustkantoor. In geval van een houdstermaatschappij die zich actief moeit in het beheer van haar vennootschappen, ligt het verstrekken van financieringen aan deze vennootschappen mijns inziens in het verlengde van het voeren van dit beheer. De plaats waar deze activiteiten worden uitgevoerd is dan van belang om vast te stellen waar de houdstermaatschappij haar zetel van bedrijfsuitoefening heeft. Een financieringsmaatschappij die zich niet bezig houdt met beheer van vennootschappen waarin zij aandelen houdt, heeft vaak een andere plaats binnen het concern. De vennootschap is dan meestal een (klein)dochtermaatschappij en staat niet aan het hoofd van de groep. De activiteiten bestaan slechts uit het verstrekken van een of meer leningen. In tegenstelling tot het voeren van concernbeleid zijn dergelijke beslissingen niet van zodanig gewicht dat zij als algemene leiding of centrale bestuurstaak van de financieringsmaatschappij moeten worden aangemerkt. Omdat de activiteiten van een financieringsmaatschappij een beperkte mate van arbeid vereisen, zal er naast het bestuur weinig tot geen personeel aanwezig zijn. Het zal dan niet mogelijk zijn om onderscheid te maken tussen de centrale bestuurstaken en algemene leiding van de financieringsmaatschappij en de uitoefening van de economische activiteit, het verstrekken van leningen. Als een trustkantoor is betrokken bij de activiteiten van de financieringsmaatschappij dan hangt het van de activiteiten van de trust af of de plaats waar de trust is gevestigd van belang is voor de vraag waar de zetel van bedrijfsuitoefening van de financieringsmaatschappij is gevestigd. Over het algemeen zal de trust het bestuur van de financieringsmaatschappij slechts bijstaan met administratieve handelingen als het doen van belastingaangiften en het ontvangen van en het geven van betalingsopdrachten, maar heeft zij daarbij steeds toestemming nodig van het bestuur.