Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.6.5.3
5.6.5.3 Voorwaarden voor het verweer in het Nederlandse recht
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS500043:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Met betrekking tot het criterium (i) dat de ontvanger is verrijkt, wordt in de parlementaire geschiedenis opgemerkt dat voor de vaststelling van de omvang van de verrijking als gevolg van de prestatie dezelfde norm geldt als voor art. 6:212 (PG Boek 6, p. 817-818). In het vorige hoofdstuk heb ik echter verdedigd dat art. 6:212 moet worden beperkt tot gevallen waarin inbreuk is gemaakt op exclusieve rechtsposities. Uit dit artikel kan dan niet worden afgeleid hoeveel aan de ontvanger van een prestatie moet worden teruggegeven. Het is dan noodzakelijk om een andere uitleg te geven aan het criterium van art. 6:210 dat de ontvanger is verrijkt. Daarbij kan worden aangesloten bij de genuanceerde benadering van dit verweer in het Engelse recht.
Daarbij kan als uitgangspunt gelden de marktwaarde van de tegenprestatieof de kosten die hij heeft gemaakt om een tegenprestatie te verrichten.
Dat sluit aan bij de beslissing van de Hoge Raad in het arrest De Groene Specht (HR 30 september 2005, NJ 2007/154) over de subjectieve waardering van een verrijking in het kader van art. 6:212. In de casus van dit arrest ging het om een verbetering van een huis. Vereenvoudigd weergegeven is de casus als volgt. A knapt het huis van eigenaar B op en zorgt ervoor dat het huis in het bestemmingsplan de bestemming ‘wonen’ krijgt, in plaats van de bestemming ‘recreatie’. De waarde van het huis neemt daardoor aanzienlijk toe. B draagt het huis over aan C. A spreekt C aan uit hoofde van art. 6:212. Ik meen dat art. 6:212 in dergelijke gevallen geen aanspraak geeft tot vergoeding van de waarde van een prestatie, omdat wanneer een prestatie wordt verricht, de oplossing moet worden gevonden aan de hand van art. 6:203. De Hoge Raad oordeelt over dit geval dat de verrijking van C niet ongerechtvaardigd was. Zijn motivering is dat niet een zodanig verband bestaat tussen de verrijking van de koper en de verarming van de verarmde dat de koper ongerechtvaardigd verrijkt is ten koste van de verarmde. De Hoge Raad overweegt vervolgens dat in een concreet geval de verarmde niettemin wegens bijzondere omstandigheden, in afwijking van dit uitgangspunt, jegens de verrijkte recht kan hebben op afdracht van de verrijking, maar dat indien al wordt geoordeeld dat de koper ongerechtvaardigd is verrijkt ten opzichte van de verarmde, de verarmde slechts aanspraak heeft op afdracht van de verrijking voor zover dit redelijk is (art. 6:212 lid 1). Bij de beantwoording van de vraag wat redelijk is komt volgens de Hoge Raad betekenis toe aan de mate waarin de koper door zijn verrijking werkelijk is gebaat. Voor zover de koper door de investeringen van de verarmde weliswaar verrijkt maar niet werkelijk gebaat is omdat hij de gekochte woning afbreekt en ter plaatse vervangt door een nieuwe woning, is het niet zonder meer redelijk dat hij de hij zijn verrijking moet afdragen (Ik parafraseer hier de Hoge Raad. De Hoge Raad zelf spreekt van ‘schade van de verarmde vergoeden’. In hoofdstuk 4, par. 4.4.3.3 is gebleken dat voor art. 6:212 niet vereist dient te zijn dat concrete schade is geleden.) Uit deze overweging volgt volgens mij dat de Hoge Raad meent dat het enkele feit dat een vermogensvermeerdering te gelde kan worden gemaakt, niet voldoende is voor een afwijzing van het devaluatieverweer. De Hoge Raad acht het mogelijk dat de verkrijger wel is verrijkt, maar niet is gebaat. Dat betekent volgens mij dat een beroep op het verweer mogelijk is als het voordeel realiseerbaar is, maar het niet waarschijnlijk is dat het voordeel te gelde wordt gemaakt.
Burrows’ benadering lijkt mij ook voor het Nederlandse systeem goed toepasbaar. De criteria die Burrows noemt om vast te stellen dat de ontvanger de prestatie wel waardeert, lijken sterk op de criteria die voor het Nederlandse recht worden genoemd in artikel 6:210. Dit artikel bepaalt dat een waardevergoeding moet worden betaald voor een prestatie die naar haar aard niet ongedaan gemaakt kan worden. De ontvanger dient een waardevergoeding te betalen als aan één van de drie vereisten is voldaan. De ontvanger moet de waarde van de prestatie vergoeden als (i) hij door de prestatie is verrijkt; (ii) het aan hem is toe te rekenen dat de prestatie is verricht; of (iii) hij erin had toegestemd een tegenprestatie te verrichten.1
Naar mijn mening moet het artikel zo worden uitgelegd dat een ontvangende partij in beginsel de marktwaarde van de prestatie dient te vergoeden omdat hij daarmee is verrijkt. Aan deze verplichting kan hij ontkomen als hij kan aantonen dat de prestatie voor hem niet dezelfde waarde heeft als de marktwaarde. Als hij een tegenprestatie heeft toegezegd, moet er in beginsel van worden uitgegaan dat de ontvangen prestatie voor hem een waarde heeft die gelijk is aan de waarde van de tegenprestatie.2
Wanneer de ontvanger een prestatie heeft verkregen waardoor bestanddelen van zijn vermogen in waarde zijn gestegen, dient te worden gelet op de waarschijnlijkheid dat de ontvanger deze waardestijging te gelde zal maken.3 Ik meen verder dat de ontvanger geen beroep kan doen op het devaluatieverweer als het aan hem moet worden toegerekend dat de prestatie is verricht. Dat is het geval als de ontvanger te kwader trouw was en zich onoorbaar heeft gedragen, bijvoorbeeld door een prestatie te aanvaarden terwijl hij wist dat de ontvanger zich vergiste over de verschuldigdheid van de prestatie.
De door mij voorgestelde benadering van de begroting van de subjectieve waardering van een prestatie die naar haar aard niet ongedaan gemaakt kan worden, kan moeiteloos worden toegepast op gevallen waarin geld is betaald of goederen zijn gegeven. De basis voor het verweer is dan een analogische toepassing van artikel 6:210 (‘voor zover dat redelijk is’).