Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.6.5.1
5.6.5.1 Behoefte aan het verweer bij het geven van geld en andere goederen dan zaken
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS495118:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
HR 28 februari 1997, NJ 1998/128, waarover par. 5.6.3.
PG Boek 6, p. 804.
Van Kooten 2002, p. 29. Bierens (2009, p. 152) wijst erop dat een vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden. Ook wanneer een subjectief betalingsbegrip wordt gehanteerd is sprake van een betaling in de zin van art. 6:203.
Van Kooten 2002, p. 29; Bierens 2009, p. 151.
Een vordering die wordt verschaft op een bank en die wordt geboekt in een bepaalde rekening, verschilt onder meer in aard en eigenschappen van een vordering op dezelfde bank die in een andere rekening wordt geboekt, wanneer voor deze laatste rekening andere voorwaarden voor rentepercentages en opeisbaarheid gelden. Ik meen daarom in tegenstelling tot Du Perron (2006, p. 76) dat niet aan de verbintenis is voldaan wanneer een vordering wordt verschaft op een uitgesloten rekening bij dezelfde bank als waar bevrijdend kon worden betaald.
Du Perron 2006, p. 74-76.
Par. 5.3.1.
Ook op een ander punt kan de beslissing van de Hoge Raad worden bekritiseerd. In Staat/Meijer wordt in de vaststelling van de omvang van de verrijking meteen gekeken in hoeverre de ontvanger de prestatie waardeert. Deze verrijking moet worden afgedragen. Aan vermindering van de verplichting tot afdracht komt men dan niet toe. In het arrest De Groene Specht (HR 30 september 2005, NJ 2007/154) bedient de Hoge Raad zich van een andere benadering. Hij maakt gebruik van een tweetrapsraket. Eerst wordt gekeken wat de objectieve omvang van de verrijking is, terwijl daarna pas wordt gekeken in hoeverre de verrijking door de verrijkte persoonlijk wordt gewaardeerd en of er reden is voor vermindering van hetgeen moet worden afgedragen. De laatste aanpak lijkt mij juister. Zo kan namelijk het volgende onderscheid worden gemaakt. In gevallen waarin de ontvanger of verrijkte te goeder trouw was ten tijde van het ontstaan van de verrijking wordt de verplichting tot afdracht van de verrijking verminderd. In gevallen waarin hij niet te goeder trouw was, moet hij wel de marktwaarde betalen en is zijn persoonlijke waardering niet relevant. De tweetrapsraket legt ook de argumentatie- en bewijslast op de gewenste partijen. De presterende partij kan ermee volstaan te stellen en bij betwisting te bewijzen dat hij een prestatie heeft verricht. Het ligt dan vervolgens op de weg van de ontvanger om het verweer aan te voeren dat hij de prestatie niet waardeert of dat zij in waarde is gedaald.
H.J. Snijders in zijn noot in NJ onder het arrest, merkt op dat de verplichting om terug te geven ook had kunnen worden beperkt op grond van art. 6:2 lid 2 (de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid).
De rechter baseert een verplichting tot terugbetaling van geld met enige regelmaat op art. 6:212 in plaats van art. 6:203. Zo nam de Hoge Raad in zijn arrest van 26 januari 2001, NJ 2002/118 (Standard Groep Holland/ING) aan dat als een bank (A) een onbevoegd gegeven betalingsopdracht uitvoert, waardoor de bank (A) een schuld van de rekeninghouder (B) nakomt aan de begunstigde (C), de bank (de waarde van) de betaling kan terugvorderen van de rekeninghouder op grond van art. 6:212 voor zover de rekeninghouder is gebaat. In hoofdstuk 6, par. 6.4.4.6 en 6.5.4-6.5.5, blijkt dat een dergelijke betaling van bank (A) in de hier voorgestelde benadering niet alleen een prestatie is aan de begunstigde (C), maar ook aan de rekeninghouder (B). De bank verricht namelijk een dienst aan de rekeninghouder, door diens schuld te voldoen. De waarde van deze prestatie kan de bank van de rekeninghouder als een onverschuldigde betaling terugvorderen. Onder omstandigheden kan de rekeninghouder het devaluatieverweer voeren. Zie over dit arrest verder hoofdstuk 6, par. 6.4.4.6. Een ander geval waarin de rechter een beroep op art. 6:203 afwijst, maar wel een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking toewijst, is Rb. Amsterdam 17 december 2008, JOR 2009/92 (Van Hees q.q./X). De rechtbank oordeelt dat een beroep op de vordering uit onverschuldigde betaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is omdat de ontvanger te goeder trouw was toen hij de prestatie ontving. De rechtbank meent echter dat de ontvanger zijn verrijking, die werd gevormd door de prestatie, moet afstaan omdat de verrijking ongerechtvaardigd is. Ik wijs deze redenering af, omdat de rechtbank op grond van de goede trouw van de ontvanger hem met de ene hand bescherming geeft (tegen de vordering uit hoofde van art. 6:203), maar deze bescherming met andere hand op grond van art. 6:212 weer neemt. Zie over dit vonnis verder de noot van S.R. Damminga en C. Rijckenberg in JOR 2009/92.
Ook wanneer de ontvanger een geldsom of andere goederen dan zaken heeft ontvangen, kan hij behoefte hebben aan een verweer dat hij de prestatie niet waardeert. Illustratief is de casus die leidde tot het arrest Staat/Meijer, dat hierboven reeds is besproken.1 De casus is vereenvoudigd – maar uitgebreider dan hierboven – weergegeven als volgt. A heeft een geldschuld aan B. Hij wil deze schuld voldoen door middel van een girale overboeking van het verschuldigde bedrag op de rekening van B. B deelt aan A mee dat A zijn schuld aan B niet op een bepaalde bankrekening mag betalen. B heeft namelijk een te groot negatief saldo op deze rekening en is met de bank in vergevorderde onderhandelingen over kwijtschelding van deze schuld. Bijschrijving van het bedrag van A zal niet van invloed zijn op de onderhandelingen met de bank. B is van plan andere schulden te voldoen met het geld dat hij tegoed heeft van A. Dat kan hij alleen doen als hij het geld op een rekening ontvangt waarvan het saldo niet negatief is. Ondanks de uitsluiting van de bewuste rekening schrijft A daar het bedrag naar over. B spreekt A opnieuw aan tot betaling op een andere bankrekening. A voldoet aan deze verplichting, maar vordert ook terugbetaling van de eerste overboeking. A wijst op een passage in de parlementaire geschiedenis waar is opgemerkt dat weigering door de schuldeiser (B) van een betaling op een uitgesloten rekening ertoe leidt dat de schuldenaar (A) een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling jegens de schuldeiser (B) krijgt.2 B voert echter aan dat als hij dit bedrag zou moeten terugbetalen van een andere rekening dan waarop hij het eerste bedrag heeft ontvangen, hij daardoor niet meer in staat zal zijn om zijn overige schulden te voldoen. Hij is daarom niet gebaat door de onverschuldigde betaling van A. Met andere woorden; B heeft behoefte aan een devaluatieverweer.
De Hoge Raad komt B inderdaad tegemoet, maar hij aanvaardt geen devaluatieverweer. In plaats daarvan oordeelt de Hoge Raad dat de schuldenaar überhaupt geen aanspraak uit onverschuldigde betaling heeft als hij opnieuw tot nakoming wordt aangesproken. De Hoge Raad overweegt dat de bijschrijving in de eerste plaats geen geldige betaling oplevert. In de tweede plaats tast de uitsluiting van de betaling op de betrokken rekening volgens de Hoge Raad niet de rechtsgrond van de betaling aan; de betaling is dus niet zonder rechtsgrond verricht.
De Hoge Raad meent dat de schuldenaar wel een beroep kan doen op artikel 6:212 (ongerechtvaardigde verrijking). De schuldenaar zou slechts afdracht van de verrijking kunnen vorderen voor zover de schuldeiser is verrijkt door twee keer een betaling te ontvangen. Dit betekent volgens mij dat wanneer de schuldeiser niet gebaat is door de eerste betaling, omdat hij vanwege een te hoge roodstand daar niet over kon beschikken, hij dan niets hoeft terug te geven.
Ik acht de uitkomst van het arrest bevredigend, maar meen dat de redenering van de Hoge Raad onjuist is. Hij verwart het begrip betaling in de zin van artikel 6:203 met het begrip betaling in de betekenis van nakoming. Er was wel degelijk sprake van een betaling in de zin van artikel 6:203, omdat er objectief gezien een prestatie was verricht.3 Dat de prestatie niet een bevrijdende nakoming was, doet daar niet aan af.4
Ook het argument dat wel een rechtsgrond voor de betaling bestond, is naar mijn mening onjuist. De schuldenaar verschafte immers aan de schuldeiser een andere vordering op diens bank dan waartoe hij jegens de schuldeiser verplicht was.5 De schuldenaar was verplicht om een prestatie te verrichten waarbij aan de schuldeiser een vordering op diens bank werd verschaft die als kenmerk had dat de bank haar niet kon bijboeken op de uitgesloten rekening. Enigszins gechargeerd kan de prestatie van de schuldenaar worden vergeleken met de levering van een eettafel, terwijl hij een salontafel verschuldigd was.6 Een dergelijke niet bevrijdende prestatie kan, zoals wij hierboven zagen,7 als onverschuldigd betaald, worden teruggevorderd.8 De opvatting uit in de parlementaire geschiedenis dat een betaling op een uitgesloten rekening als een onverschuldigde betaling kan worden teruggevorderd, is daarom correct.
Naar mijn mening had de Hoge Raad beter kunnen aanvaarden dat A in beginsel een even groot bedrag als hij had overgeboekt, kon terugvorderen uit hoofde van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 lid 2), maar dat B een devaluatieverweer kon voeren tegen deze vordering. Het Burgerlijk Wetboek geeft voldoende mogelijkheid om een algemeen devaluatieverweer te aanvaarden. Artikel 6:210 kan analogisch worden toegepast.9
Als een devaluatieverweer kan worden gevoerd tegen vorderingen tot terugbetaling van een gelijk bedrag, hoeft men bovendien in dergelijke gevallen geen beroep meer te doen op artikel 6:212 (ongerechtvaardigde verrijking).10 Aanvaarding van een devaluatieverweer maakt het mogelijk dat de vordering uit artikel 6:212 wordt gereserveerd voor gevallen waarin de verrijkte een inbreuk heeft gemaakt op een exclusieve rechtspositie van de verarmde.