Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.3.1
I.3.3.1 Regelungsziele
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS622736:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie subparagraaf 2.5.2.3 ‘Ter vergelijking: § 2064 BGB’.
Dit lijkt in strijd met de testeervrijheid. De testeervrijheid brengt immers mee: de vrijheid om de werking, de inhoud en de voorwaarden van een uiterste wilsbeschikking naar eigen inzicht te bepalen. Oftewel: testeren zoals de erflater het goeddunkt (subparagraaf 1.2.2.1 ‘Twee ‘subvrijheden”). In het eerste hoofdstuk merkte ik evenwel reeds op dat het Prinzip der Höchstpersönlichkeit in de Duitse literatuur toch ook wordt beargumenteerd met een beroep op de testeervrijheid (zie paragraaf 1.2.2.2 ‘Intermezzo: een delegatieverbod omwille van de testeervrijheid’). Mijns inziens onterecht. Zolang de erflater aan de derde niet volledig de vrije hand geeft, maar slechts bepaalde bevoegdheden aan hem delegeert, wordt geen afbreuk gedaan aan de testeervrijheid. Zie hierover ook subparagraaf 3.4.2 ‘Waarborging testeervrijheid’.
Wagner 1997, p. 29.
Zie ook Sens 1990, p. 57; Halding-Hoppenheit 2003, p. 73.
Brox/Walker 2010, nr. 94. Zie ook Wagner 1997, p. 30; Schlüter 2000, p. 55; Halding-Hoppenheit 2003, p. 56; Leipold 2006, nr. 277.
Halding-Hoppenheit 2003, p. 57. Zie ook Brox/Walker 2010, nr. 96; Hausmann/Hohloch 2010, p. 395.
Halding-Hoppenheit 2003, p. 56.
Het Duitse BGB regelt met betrekking tot het hoogstpersoonlijke karakter van de uiterste wilsbeschikking meer dan het BW. Van erflater wordt namelijk niet alleen verlangd dat hij hoogstpersoonlijk zijn uiterste wilsbeschikking maakt (§ 2064 BGB, vgl. art. 4:42 lid 3 BW),1 maar ook dat hij hoogstpersoonlijk beslist over haar werking en haar wezenlijke inhoud (§ 2065 BGB).2 De bepalingen § 2064 en § 2065 BGB vormen samen een eenheid en brengen das Prinzip der Höchstpersönlichkeit tot uitdrukking.3
In subparagaaf 2.5.2.3 kwam § 2064 BGB reeds aan bod. Dit artikel omvat het formele aspect van het hoogstpersoonlijke en verbiedt iedere vorm van vertegenwoordiging bij het maken van de uiterste wilsbeschikking. Hierop zijn geen uitzonderingen mogelijk.4 De ratio van § 2064 BGB is gelegen in de overtuiging dat een erflater de verantwoordelijkheid over zijn laatste wil niet op een ander mag afschuiven.
‘Das Gesetz hat diese Regelung getroffen, weil sie im Wesentlichen dem vorher geltenden Recht entsprach und der Erblasser die sittliche Verantwortung für die Ausgestaltung der Erbfolge nicht von sich selbst abwälzen soll (cus. NB).’5
Een erflater zal zijn uiterste wilsbeschikkingen persoonlijk moeten maken. De regeling verhindert erfrechtelijke vertegenwoordiging tijdens leven. Maar wat nu als erflater tijdens zijn leven hoogstpersoonlijk een uiterste wilsbeschikking maakt en daarin bepaalt dat na zijn dood vertegenwoordiging zal plaatsvinden? Met andere woorden: wat als erflater zijn laatste wil aan een vertrouwenspersoon delegeert?
‘Der historische Gesetzgeber sah in letzterem Fall ebenfalls eine Art Übertragung der Testamentserrichtung auf einen anderen und betrachtete somit § 2065 BGB als notwendige Ergänzung zum Grundsatz der formellen Höchstpersönlichkeit. Ohne § 2065 BGB sei die Gefahr einer Umgehung des § 2064 BGB gegeben (curs. NB).’6
En:
‘Nach ganz herrschender Meinung ist § 2065 BGB als Ergänzung zu § 2064 BGB zu sehen, die beide ein einheitliches Ziel verfolgen (curs. NB).’7
Het materiële aspect van het hoogstpersoonlijke zoals dat is neergelegd in § 2065 BGB, is dus in het leven geroepen als aanvulling op het formele aspect van het hoogstpersoonlijke dat is neergelegd in § 2064 BGB. De ratio van § 2065 BGB is daarmee eveneens gelegen in erflaters verantwoordelijkheid voor zijn laatste wil.8