De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring
Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/10.11:10.11 Mogelijk vervolgonderzoek
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/10.11
10.11 Mogelijk vervolgonderzoek
Documentgegevens:
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250309:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In mijn onderzoek heb ik mij in het bijzonder gericht op een van de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan als een 403-maatschappij gebruikmaakt van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime: de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring. Ik heb onderzocht hoe de 403-aansprakelijkheid moet worden uitgelegd in het licht van de functie van deze aansprakelijkheid bij de compensatie van de crediteuren omdat zij de jaarrekening van de 403-maatschappij niet kunnen inzien. Ik heb als maatstaf voor de compensatie gehanteerd, dat het nadeel moet worden weggenomen dat een crediteur ondervindt doordat de 403-maatschappij gebruikmaakt van de jaarrekeningvrijstelling, of doordat de moedermaatschappij de 403-verklaring intrekt of de overblijvende aansprakelijkheid beëindigt. Daarnaast heb ik onderzocht hoe de 403-aansprakelijkheid moet worden uitgelegd om zo veel mogelijk te voorkomen dat een crediteur overgecompenseerd wordt en in een voordeliger positie komt door de compensatie die hij ontvangt.
Naar mijn mening sluit mijn studie goed aan bij de eerdere proefschriften met betrekking tot het groepsregime van Beckman1 en Nass.2 Zij hebben in de eerste plaats onderzoek gedaan naar de aanvaardbaarheid van de jaarrekeningvrijstelling, waarbij zij uitgebreid de verschillende voorwaarden hebben onderzocht waaraan moet worden voldaan opdat een 403-maatschappij gebruik mag maken van deze vrijstelling. Daarbij hebben zij in het bijzonder aandacht besteed aan de wetshistorie van het groepsregime, respectievelijk de relevante Europese richtlijnen en de equivalenten van het groepsregime in Luxemburg, Ierland en Duitsland.
Ondanks de studies van Beckman, Nass en mijzelf resteert er naar mijn mening nog een blinde vlek met betrekking tot de kennis inzake het groepsregime die zich goed leent voor een vervolgonderzoek: een empirische studie naar het gebruik van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime en de aansprakelijkheid op grond van de 403-verklaring. Een mogelijke vervolgstudie kan zijn om bestuurders en legal counsels van 403-maatschappijen te interviewen, om te achterhalen wat de belangrijkste redenen zijn waarom van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime gebruik wordt gemaakt. Daarnaast kunnen bestuurders en legal counsels van moedermaatschappijen worden geïnterviewd om na te gaan hoe zij de reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid uitleggen, waarna de uitkomsten kunnen worden vergeleken met de heersende leer in de literatuur en jurisprudentie.
Tot slot kan aan de hand van een representatieve steekproef van bij het handelsregister gedeponeerde 403-verklaringen, onderzocht worden hoe deze verklaringen in de praktijk zijn geformuleerd. Indien blijkt dat de formulering van een verklaring afwijkt van de tekst van art. 2:403 lid 1 sub f BW, kan worden onderzocht of de verklaring nog voldoet aan het vereiste uit deze bepaling of dat er sprake is van een zogenoemde ‘ontoereikende 403-verklaring’3 waardoor de 403-maatschappij onterecht gebruikmaakt van de jaarrekeningvrijstelling.