Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.3.2:7.3.3.2 Aanbevelingen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.3.2
7.3.3.2 Aanbevelingen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS605408:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals hiervoor is opgemerkt, past het onduidelijke begrip ‘belang’ als onderdeel van het begrip ‘verbonden lichaam’ niet goed bij een faciliteit als die van art. 8 lid 6a onderdeel a Wet VPB 1969. Ik vind daarom dat de regeling twee verbondenheidsbegrippen dient te bevatten: een facilitair begrip met een enigszins beperkte reikwijdte en een ruimer begrip met een antiontgaansfunctie. Voor de antiontgaansfunctie kan de thans geldende verwijzing naar het begrip ‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969 worden gehandhaafd. Voorts pleit ik ervoor om voor het begrip ‘verbonden persoon’ in art. 8 lid 6a onderdeel b Wet VPB 1969 aansluiting te zoeken bij het begrip ‘verbonden natuurlijk persoon’ in de zin van art. 10a lid 5 Wet VPB 1969. In hoofdstuk 6 heb ik verdedigd dat in deze relatie beter een bezitscriterium van 331/3% kan gelden. Dit kan meteen worden bereikt door in art. 8 lid 6a onderdeel b Wet VPB 1969 aan te sluiten bij het begrip ‘verbonden natuurlijk persoon’. Bovendien eindigt dan de opmerkelijke situatie dat voor de verbondenheid in art. 8 lid 6a onderdeel b Wet VPB 1969 een 5%-belang voldoende is, terwijl voor onderdeel a een bezitscriterium van 33'/3% geldt. Naar mijn mening zou voor natuurlijke personen en lichamen hetzelfde bezitscriterium moeten worden gehanteerd.
Ten aanzien van het facilitaire verbondenheidsbegrip in art. 8 lid 6a Wet VPB 1969 pleit ik ervoor om uit te gaan van een scherpere norm, zonder afbreuk te willen doen aan de thans geldende materieel-economische benadering van de verbondenheid. Dit zou als volgt kunnen plaatsvinden:
Er geldt een materieel-economische benadering, waarbij met name belang wordt gehecht aan feitelijke organisatorische en economische verbondenheid. Dat wil zeggen, dat een beleidsbepalende invloed wordt uitgeoefend op een lichaam.
Voor aandelenvennootschappen bestaat een tweezijdig weerlegbaar vermoeden van verbondenheid: bij het bezit van meer dan 50% van de stemrechten in een aandelenvennootschap wordt verbondenheid verondersteld. Op basis van een tegenbewijsmogelijkheid kan echter door belastingplichtigen worden aangetoond dat ondanks het feit dat niet wordt voldaan aan het 50%-criterium, in feite toch sprake is van organisatorische en economische verbondenheid. Voorts kan de fiscus stellen dat in feite geen sprake is van een beleidsbepalende invloed, ondanks het bezit van meer dan 50% van de stemrechten.
Bij dit verbondenheidsvermoeden geldt een neerwaartse, opwaartse en zijwaartse benadering. Dat wil zeggen, dat het belang van meer dan 50% kan zien op verbondenheid met een dochtervennootschap, een moedervennootschap en een zustervennootschap.
Ten aanzien van de verbondenheid van een natuurlijk persoon met een lichaam worden de belangen gehouden door de ‘partner’ en kinderen meegeteld bij de beoordeling van het bedoelde vermoeden.
Certificaten van aandeel en aandelen waarop een pandrecht of vruchtgebruik rust en waarbij het stemrecht nog steeds toekomt aan de aandeelhouder, tellen mee bij de beoordeling of is voldaan aan het verbondenheidsvermoeden. In dit verband tellen ook aandelen mee waaraan financiële instrumenten zijn gekoppeld die potentiële stemrechten bevatten, zoals optierechten en converteerbare instrumenten, tenzij aan deze instrumenten zodanige voorwaarden zijn verbonden dat moet worden aangenomen dat de aandeelhouder het stemrecht reeds heeft overgedragen.
De hiervoor genoemde alternatieve bezitsvormen van aandelen, zoals een pandrecht, recht van vruchtgebruik en optierechten, tellen niet mee bij de beoordeling of is voldaan aan het verbondenheidsvermoeden. In verband met de genoemde tegenbewijsmogelijkheid kunnen zij echter wel een rol spelen om aan te tonen dat er ondanks het feit dat niet wordt voldaan aan het 50%-criterium, in feite toch een beleidsbepalende invloed wordt uitgeoefend.
In afwijking van het huidige criterium van 33'/3%, kies ik voor dit fiscale concernbegrip voor een 50%-grens. Naar mijn mening komt de concernbenadering hiermee beter tot uitdrukking. Dat voor begrippen met een antiontgaansfunctie wordt gekozen voor de lagere bezitsgrens van 33'/3%, acht ik begrijpelijk: hierdoor wordt het bereik van de antiontgaansbepaling vergroot. Om onbedoeld gebruik te voorkomen vind ik het echter logischer om bij een faciliteit uit te gaan van het hogere 50%-criterium. Overigens staat de materieel-economische benadering nog steeds voorop: bij een 30%-bezit kan in mijn voorstel ook sprake zijn van een concernsituatie, maar dan moeten de feitelijke omstandigheden daar wel op duiden.
Voor de omschrijving van dit begrip ‘concern’ met een facilitaire functie kies ik ten aanzien van de samentelling van belangen die worden gehouden door verbonden personen voor aansluiting bij het begrip ‘partner’. In hoofdstuk 6 heb ik beargumenteerd waarom dit naar mijn mening echtgenoten, geregistreerde partners en ongehuwde samenwoners die voor het fiscale partnerschap hebben gekozen, dient te omvatten. Dit partnerbegrip is, zoals in hoofdstuk 6 is verdedigd, minder ruim dan het begrip ‘verbonden persoon’ met een antiontgaansfunctie. Laatstgenoemd begrip dient naar mijn mening ook alternatieve samenwoonsituaties te omvatten, waarbij de partners niet voor het fiscale partnerschap hebben gekozen. Deze ruimere invulling past bij een begrip met een antiontgaansfunctie c.q. antimisbruikfunctie. Bij een faciliteit, zoals het hiervoor bedoelde concernbegrip, vind ik een minder ruime invulling logischer. Het begrip ‘partner’ is hier beter op zijn plaats, zo meen ik.
Om duidelijk te maken dat de belangen van zowel ‘eigen’ kinderen, adoptiekinderen, erkende kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen en de kinderen van de ‘partner’ worden meegeteld bij de beoordeling van de verbondenheid, zou aansluiting kunnen worden gezocht bij de omschrijving van het begrip ‘kind’ in art. 4 lid 1 AWIR.