Maar pas verstuurd op 28 mei 2019 en ontvangen op 3 juni 2019.
HR, 26-06-2020, nr. 19/03226
ECLI:NL:HR:2020:1144
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26-06-2020
- Zaaknummer
19/03226
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑06‑2020
ECLI:NL:HR:2020:1144, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑06‑2020; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2019:1743
- Vindplaatsen
NLF 2020/1543 met annotatie van Redmar Wolf
FED 2020/120 met annotatie van I. van den Eijnde
BNB 2020/139 met annotatie van J.A.R. van Eijsden
Douanerechtspraak 2020/79 met annotatie van Boersma, B.J.B.
NTFR 2020/2122 met annotatie van mr. B.A. Kalshoven
DouaneUpdate 2020-0284
FutD 2020-1922
Viditax (FutD) 2020062603
Beroepschrift 26‑06‑2020
BEROEPSCHRIFT IN CASSATIE
Inzake:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[X] B.V.
hierna te noemen ‘[X]’ gevestigd
te [Z] belanghebbende
gemachtigden: […] en […]
tegen:
de INSPECTEUR VAN DE BELASTINGDIENST/DOUANE
hierna te noemen ‘de Inspecteur’
verweerder
gemachtigde: vooralsnog onbekend
1. Inleiding
1.1.
[X] is naar aanleiding van het door haar ingediende pro forma cassatieberoepschrift in de gelegenheid gesteld om haar bezwaren tegen de in cassatie bestreden uitspraak uiteen te zetten. Die bezwaren zal [X] middels onderhavig beroepschrift in cassatie uiteenzetten.
2. De in cassatie bestreden uitspraak
2.1.
[X] heeft cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraak van de douanekamer van het Gerechtshof Amsterdam {hierna: het ‘Hof’), gewezen op 21 mei 20191., in de zaak met kenmerk 18/00102 tot en met 18/00105 tussen [X] als belanghebbende en de Inspecteur als verweerder. Deze uitspraak zal in het navolgende aangeduid worden als ‘de uitspraak’ dan wel ‘de in cassatie bestreden uitspraak’.
2.2.
Volledigheidshalve merkt [X] op dat zij voor de tweede maal cassatie instelt. Uw Raad heeft in onderhavige kwestie op 24 november 2017 reeds een arrest gewezen, bekend onder nummer 15/05787.
3. Middel van cassatie
3.1.
[X] voert tegen voornoemde uitspraak van het Hof het volgende middel van cassatie aan:
Schending van het recht en/of verzuim van wezenlijke vormen doordat het Hof heeft overwogen en beslist als in de uitspraak is weergegeven, zulks op de navolgende, mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen gronden.
3.2.
Voordat [X] overgaat tot een uiteenzetting van de cassatieklachten, zal [X] ten behoeve van Uw Raad eerst kort de (procedurele) achtergrond schetsen. Dit doet [X] met name omdat [X] genoodzaakt is om voor een tweede maal cassatieberoep in te stellen in een (gerechtelijke) procedure die inmiddels al (meer dan) een tiental jaren duurt. [X] zal echter niet alle omstandigheden uiteenzetten, aangezien zij ervan uitgaat dat Uw Raad (volledig) bekend is met de tot heden gevoerde processtukken.
4. Relevante achtergrond2. / rechtsstrijd
4.1. [x] en knoflook
4.1.1.
[X] is van oudsher een familiebedrijf en drijft een internationale handel in groenten en fruit. [X] handelt onder andere in knoflook. Eén van de soorten knoflook waarin zij handelt is bijvoorbeeld knoflook van Chinese variëteit, die wereldwijd wordt geteeld. Die variëteit wordt zowel in China als daarbuiten geteeld, waaronder bijvoorbeeld in Rusland en Turkije. Als gesproken wordt van knoflook van Russische c.q. Turkse oorsprong, houdt dit in dit geval in dat er een Chinees knoflookzaadje genomen wordt dat vervolgens in bijvoorbeeld Rusland of Turkije wordt geplant. In een dergelijk geval wordt (dus) gesproken van knoflook van Russische c.q. Turkse oorsprong. [X] heeft gehandeld in knoflook van Chinese variëteit, dus knoflook van Russische oorsprong waarbij gebruik is gemaakt van de ‘Chinese variëteit-knoflook’.3.
4.2. aangiften
4.2.1.
In de periode van 18 december 2002 tot 1 december 20034. heeft zowel [bedrijf II B.V.], op eigen naam en voor eigen rekening van [X], als [X] zelf op eigen naam en voor eigen rekening diverse zogenaamde IM-4 aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van verse knoflookbollen. In voornoemde aangiften stond als land van oorsprong Rusland vermeld.5. In totaal zijn er twaalf aangiften gedaan, maar slechts 11 aangiften hebben tot de jegens [X] opgelegde uitnodigingen tot betaling (in het navolgende aangeduid als UTB('s) geleid.6. [X] kocht deze Russische knoflook van [persoon C] van [bedrijf GG].
4.2.2.
Eveneens heeft [bedrijf JJ] op eigen naam en voor eigen rekening in opdracht van [X] aangiften gedaan, te weten in de periode 11 maart 2005 tot en met 13 april 2005, op welke aangiften als oorsprongsland Turkije stond vermeld.7.
4.2.3.
Door de Douane is alle knoflook zonder problemen toegelaten. 8. Bij een aantal aangiften heeft de Douane de verpakking van de goederen gecontroleerd met het oog op vaststelling van de herkomst van de knoflook. De douane heeft eveneens een monster genomen van de ingevoerde knoflook, zowel van de Russische als van de Turkse knoflook.9. Het monster bestond uit één carton met 10 kilogram knoflook.10.
4.3. uitnodigingen tot betaling
4.3.1.
In 2005 en 2006 heeft de Inspecteur rauwelijks een viertal uitnodigingen tot betaling jegens [X] opgelegd terzake beweerdelijk in 2002 en 2003 foutief aangegeven bovengenoemde knoflook. Deze UTB's die op 16 december 2005, 1 maart 2006 en 2 maart 2006 zijn opgelegd, hadden een totaal beloop van € 1.224.811,30. 11. Drie van de vier uitnodigingen tot betaling waren opgelegd omdat in de invoeraangiften stond vermeld dat de knoflook van Russische oorsprong was. De Inspecteur stelde zich — zonder ook maar enige {laboratorium)analyse of grondig onderzoek van / op het genomen monster uitgevoerd te hebben12. — op het standpunt dat er vermoedelijk sprake zou zijn van knoflook van Chinese oorsprong. De laatste (vierde) uitnodiging tot betaling werd opgelegd omdat in de invoeraangifte stond vermeld dat de knoflook van Turkse oorsprong was, maar de Inspecteur stelde zich ook terzake die knoflook op het standpunt dat vermoedelijk sprake was van knoflook met Chinese oorsprong, opnieuw zonder ook maar enige (laboratorium)a nalyse van het genomen monster te hebben uitgevoerd. Het invoertarief dat gold voor China, werd nageheven middels een viertal uitnodigingen tot betalingen.13.
4.3.2.
[X] werd rauwelijks geconfronteerd met deze UTB's, welke UTB's door de Inspect eur werden opgelegd naar aanleiding van louter14. het overzichtsproces-verbaal dat door de FIOD is opgesteld als uitkomst van een door de FIOD uitgevoerd strafrechtelijk opsporingsonderzoek.15. De Inspecteur stelde zich (dus) op het standpunt dat de knoflo ok niet van Russische oorsprong zou zijn, maar vermoedelijk van Chinese oorsprong zou zijn. Daarnaast stelde de Inspecteur zich op het standpunt dat — hetgeen vereist is voor het opleggen van enkele UTB's in kwestie — [X] wetenschap van die foutieve oorsprong had. [X] merkt volledigheidshalve op dat gezien het procesverloop van onderhavige zaak en de reeds vaststaande oordelen die onder meer door Uw Raad zijn gegeven, enkel de UTB's terzake de ‘Russische knoflook’ nog terzake doen.16.
4.3.3.
Waar het gebruikelijk is dat een belanghebbende voorafgaand aan het doen opleggen van een UTB wordt gehoord zodat de belanghebbende in kwestie zijn zienswijze over dit voornemen kenbaar kan maken, is [X] nimmer gehoord over het voornemen van de Inspecteur om UTB's met een beloop van meer dan € 1 miljoen op te leggen, hetgeen vaststaat.
4.3.4.
[X] schetst kort het procedureverloop, zodat het voor Uw Raad volledig helder is hoe het komt dat deze procedure na zoveel jaren nog altijd niet is geëindigd.
4.4. bezwaar
4.4.1.
[X] heeft tegen alle opgelegde UTB's bezwaar aangetekend.17. Tijdens deze ‘bezwaarfase’, waarbij geen enkele aandacht is besteed aan [X], is [X] eveneens nimmer gehoord.18.
4.4.2.
[X] hoorde niets. Als gevolg van het uitblijven van een beslissing op bezwaar heeft [X] beroep bij de Rechtbank aangetekend. Daarna ontving [X] ineens een uitspraak op bezwaar, te weten op 23 februari 2010, vier (!) jaar nadat er bezwaar was aangetekend. In bezwaar werd geoordeeld dat de UTB's in stand werden gelaten.
4.5. beroep
4.5.1.
Ondanks de stelling van [X] dat het (Unierechtelijke) beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging duidelijk was geschonden nu [X] nimmer gehoord was, welke stelling door de Rechtbank is gevolgd19.. heeft de Rechtbank in beroep bij uitspraak van 24 februari 2012 de UTB's toch in stand gelaten. [X] zou namelijk — ondanks het vaststaande gegeven dat zij nimmer is gehoord, ook niet in de bezwaarfase — niet zijn benadeeld door de (opmerkelijke) gang van zaken.
4.5.2.
De Rechtbank oordeelde eveneens dat [persoon A] sr. wetenschap had van de beweerdelijk foutieve oorsprong in die zin dat [persoon A] sr. wel wist, althans redelijkerwijze had moeten weten, dat de aan de aangevers verstrekte gegevens verkeerd waren, hetgeen toegerekend zou kunnen worden aan [X].
4.6. hoger beroep
4.6.1.
[X] kon zich niet met de uitspraak van de Rechtbank verenigen en ging in hoger beroep. Het Hof heeft in dit hoger beroep een uitspraak gewezen, welke uitspraak gedeeltelijk is gecasseerd door Uw Raad middels Uw arrest van 24 november 2017.20.
4.6.2.
Dit hoger beroep zag met name op de eerbiediging van de rechten van de verdediging van [X] en de wetenschap van [X] terzake de beweerdelijk foutieve oorsprong. Het Hof oordeelde kort samengevat (onder meer) dat er onvoldoende recht is gedaan aan het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging, aangezien louter [persoon A] sr. gehoord is gedurende het strafrechtelijk onderzoek, hetgeen onvoldoende is, en dus [X] onvoldoende in staat is gesteld naar behoren en daadwerkelijk haar standpunt kenbaar te maken.21.
4.6.3.
Echter, het Hof oordeelde dat uiteindelijk tóch geen sprake zou zijn van schending van het voornoemde Unierechtelijke beginsel, aangezien de Leidraad Invordering 1990 voldoende adequate waarborg zou bieden voor de opschorting van de uitvoering van de UTB's en dat daadwerkelijk uitstel voor betaling zou zijn verleend.
4.6.4.
Het Hof oordeelde eveneens dat sprake zou zijn van wetenschap bij [persoon A] sr. (en aldus Hof daarmee [X]) van de beweerdelijk foutieve oorsprong.
4.6.5.
In dit hoger beroep is eveneens de monstername van de douane naar voren gekomen, nu [X] om teruggave van de ter beschikking van de douane staande monsters verzocht heeft om onderzoek te kunnen verrichten.
4.7. hoge raad
4.7.1.
Uw Raad casseerde voornoemde uitspraak van het Hof middels Uw arrest d.d. 24 november 2017. Kort gezegd heeft Uw Raad over het cassatiemiddel van [X] terzake de eerbiediging van de rechten van de verdediging van [X] geoordeeld dat dit cassatiemiddel slaagt22., zo ook ten aanzien van het cassatiemiddel van [X] terzake de teruggave van het door de douane genomen monster.23. Uw Raad heeft in voornoemd arrest duidelijke verwijzingsinstructies gegeven, met name in r.o. 2.8 (onderstreping toegevoegd):
‘Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.2, 2.3.3 en 2.5.3.3 is overwogen, kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
2.8.1.
Het verwijzingshof moet in de eerste plaats onderzoeken of omstandigheden aanwezig zijn geweest die kunnen rechtvaardigen dat belanghebbende niet voorafgaand aan het uitreiken van de uitnodigingen tot
betaling in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Een omstandigheid kan zijn dat vanwege een niet aan de Inspecteur toe te rekenen tijdverloop de in artikel 221, leden 3 en 4, van het CDW genoemde (verjarings)termijnen in het gedrang komen {..}. Wat betreft het schatten van de duur van de termijn die nodig is voor een belanghebbende om naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken, wordt verwezen naar de aanwijzingen die het Hof van Justitie daarover heeft gegeven in zijn arrest van 18 december 2008, Sopropé {..}.
Voor het geval na verw1Jzmg wordt vastgesteld dat de Inspecteur geen voldoende rechtvaardiging had om belanghebbende niet te horen voorafgaand aan de uitreiking van de uitnodigingen tot betaling, moet het verwijzingshof beoordelen of het besluitvormingsproces van de Inspecteur met betrekking tot het uitreiken van de uitnodigingen tot betaling een andere afloop had kunnen hebben{..}.
2.8.2.
Indien het verwijzingshof op grond van de hiervoor in 2.8.1 bedoelde beoordeling tot de slotsom komt dat een of meer uitnodigingen tot betaling met betrekking tot de knoflook die met de oorsprong uit Rusland is aangegeven, in stand moeten blijven, dient het verwijzingshof bij de verdere behandeling het hierna volgende in aanmerking te nemen. Indien de douaneautoriteiten een aangever tijdig in kennis ervan hebben gesteld dat zij het niet nodig vinden het genomen monster nog langer te bewaren en die aangever naar aanleiding van die kennisgeving niet heeft verzocht om teruggave van het monster, is de omstandigheid dat een monster in een gerechtelijke procedure niet meer ter beschikking staat van de Inspecteur die aangever aan te rekenen, en draagt hij het daardoor ontstane bewijsrisico. In dat geval moet het ervoor worden gehouden dat de onderhavige knoflook van oorsprong uit China is.
Indien de douaneautoriteiten hebben nagelaten de aangever de hiervoor bedoelde kennisgeving te doen en deze ook niet achterwege mocht blijven, valt dat de Inspecteur aan te rekenen. In dat geval dient het verwijzingshof, uitgaande van de hiervoor in 2.5.3.3 omschreven bewijspositie van belanghebbende, aan de hand van de daartoe door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden te beoordelen of en zo ja welke gevolgen dit verzuim moet hebben.’
Uw Raad heeft dus impliciet een zogenoemde ‘beslisboom’ neergelegd, welke voortvloeit uit de hierboven geciteerde rechtsoverweging alsmede uit rechtsoverwegingen 2.3.2, 2.3.3 en 2.5.3.3, welke beslisboom [X] in randnummer 5.6 van haar schriftelijke conclusie na cassatie en verwijzing heeft opgenomen:
‘In bovenstaande verwijzingsinstructie heeft de Hoge Raad een zogenaamde ‘beslisboom’ weergegeven, die kort gezegd het volgende inhoudt:
- (i)
Ten eerste dient Uw Hof te oordelen over de vraag of de Inspecteur een rechtvaardigingsgrond had voor het niet doen horen van [X] voorafgaand aan het opleggen van de UTB's.
- (ii)
Indien en voor zover Uw. Hof zou oordelen dat de Inspecteur een rechtvaardigingsgrond had voor het niet doen horen van [X], dient Uw Hof conform r.o. 2.3.2 van het arrest van de Hoge Raad eveneens te oordelen over de vraag of vaststaat dat voldoende waarborgen bestaan voor opschorting van de tenuitvoerlegging van het bezwarende besluit.
- (iii)
Voor het geval Uw Hof zou vaststellen dat er sprake is van geen rechtvaardigingsgrond, moet Uw Hof beoordelen of het besluitvormingsproces van de Inspecteur met betrekking tot het uitreiken van de UTB's een andere afloop zou kunnen hebben gehad.24. Met andere woorden: voor het geval Uw Hof zou oordelen dat er wel een rechtvaardigingsgrond bestaat én Uw Hof zou oordelen dat tevens vaststaat dat er voldoende waarborgen bestaan voor opschorting van de tenuitvoerlegging van de uitnodiging tot betaling, dient Uw Hof over te gaan tot (iv) intra.
- (iv)
Mochten de UTB's toch in stand moeten blijven omdat de rechten van de verdediging niet zouden zijn geschonden, dan dient Uw Hof te beoordelen of de douaneautoriteiten de aangever tijdig in kennis heeft gesteld van vernietiging van het monster, waaraan de Hoge Raad een tweetal mogelijkheden heeft gekoppeld, zoals in het bovenstaande geciteerd.’
4.7.2.
[X] merkt volledigheidshalve op dat r.o. 2.3.2 van het arrest van Uw Raad van groot belang is voor stap (i) uit de beslisboom, nu het oordeel van Uw Raad in voornoemde rechtsoverweging inhoudt dat de Inspecteur omstandigheden moet aanvoeren die in hetindividuele geval rechtvaardigen waarom hij een belanghebbende niet van te voren in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord over zijn voornemen tot het uitreiken van een uitnodiging tot betaling.
4.7.3.
Terzake de wetenschap van [X] waartegen [X] in cassatie ook is opgekomen, heeft Uw Raad kort samengevat geoordeeld dat die cassatieklacht geen behandeling behoeft, hetgeen dus inhoudt dat de verwijzingsrechter niet gebonden is aan de door die klachten bestreden beslissingen, hetgeen kort gezegd inhoudt dat het debat terzake de wetenschap van [X] nog altijd geen gesloten boek was en is.25.
4.8. vervolg hoger beroep bij verwiizingshof
4.8.1.
Uw Raad verwees de zaak terug naar (in dit geval logischerwijs) dezelfde douanekamer c.q. hetzelfde Hof ter verdere behandeling. [X] heeft in haar schriftelijke conclusie na cassatie en verwijzing en in haar pleitnota alsmede ter zitting bovengenoemde beslisboom uitvoerig behandeld.
4.8.2.
Zo heeft [X] kort samengevat uiteengezet dat er in dit geval géén rechtvaardigings- grond voor het niet doen horen van [X] voorhanden was26. , en indien die er al zou zijn, niet vaststaat dat er in Nederland voldoende waarborgen bestaan. voor opschorting van de tenuitvoerlegging van het bezwarende besluit27.. Naar aanleiding van die constatering heeft [X] uiteengezet dat de procedure een andere afloop zou kunnen hebben gehad indien en voor zover [X] wel gehoord zou zijn.28. Eveneens heeft [X] aangevoerd wat de gevolgen dienen te zijn van het niet in kennis stellen van [X] van het feit dat het genomen monster vernietigd werd.29.
4.8.3.
Het Hof heeft louter stap (i), (ii) en (iv) van bovengenoemde beslisboom behandeld, aangezien het Hof (klaarblijkelijk) van oordeel is dat het stap (iii) niet hoeft te behandelen. Het Hof heeft een andere weg dan de door Uw Raad uitgestippelde weg gekozen om tot een eindoordeel te komen, tegen welk eindoordeel [X] in cassatie opnieuw opkomt. Het Hof heeft namelijk — heel kort samengevat en bij de uiteenzetting van de cassatiemiddelen nader uitgewerkt — geoordeeld dat op basis van nieuwe rechtspraak van het Europese Hof van Justitie ná het arrest van Uw Raad kan worden geoordeeld dat er sprake is van een rechtvaardigingsgrond voor het niet doen horen van [X], inhoudende een algemeen belang bij een snelle inning van de douaneschuld, hetgeen dus betekent dat het Hof — in strijd met het arrest van Uw Raad — niet heeft geoordeeld of sprake is van een rechtvaardigingsgrond in dit individuele geval.30. Het Hof heeft terzake de eerder genoemde waarborgen geoordeeld dat de Leidraad een adequate waarborg voor opschorting van de tenuitvoerlegging van de UTB's bood, kort samengevat omdat de mogelijkheid tot het verkrijgen van uitstel voor bedragen aan rechten welke zijn vermeld in een UTB in de Leidraad niet aan enige beperking zou zijn onderworpen.31.
4.8.4.
Terzake het monster heeft het Hof kort samengevat geoordeeld dat er een verzuim is van de Inspecteur maar dat dit verzuim geen enkel gevolg heeft. Tot slot heeft het Hof geoordeeld dat sprake is van wetenschap bij [persoon A] sr., welke wetenschap toegerekend kan worden aan [X].
4.8.5.
Kort samengevat komt de uitspraak van het Hof er (dus) op neer dat de Inspecteur een veelvoud aan fouten heeft gemaakt door én [X] geenszins gehoord te hebben én het monster zonder [X] daarvan in kennis te stellen te vernietigen. Deze fouten hebben echter — aldus het Hof — geen enkel negatief gevolg voor de Inspecteur. In ieder geval staat vast dat de visie van de Inspecteur — namelijk dat het enige dat hem kan worden verweten is dat hij nalatig is geweest met het doen van de uitspraak op bezwaar, hetgeen de aanleiding is geweest voor het opstarten van de beroepsprocedure32. — bezijden de waarheid is, nu de Inspecteur een veelvoud aan fouten verweten kan worden.
4.9. opnieuw de hoge raad
4.9.1.
[X] kan zich geenszins verenigen met de uitspraak van het Hof — die onder meer volstrekt (te) kort door de bocht is — en is derhalve genoodzaakt voor een tweede maal cassatie in te stellen. In het navolgende zet [X] haar cassatiemiddelen uiteen.
4.9.2.
Ten behoeve van het overzicht voor Uw Raad hanteert [X] bij de uiteenzetting van haar cassatieklacht tegen de rechtsoverwegingen van het Hof de door het Hof gehanteerde volgorde.
5. Cassatieklachten met betrekking tot de oordelen van het hof ten aanzien van het verdedigingsbeginsel
5.1. inleiding
5.1.1.
Uw Raad heeft in het arrest van 24 november 2017 kort samengevat geoordeeld dat het (verwijzings)Hof moet beoordelen of omstandigheden aanwezig zijn geweest die kunnen rechtvaardigen dat [X] niet voorafgaand aan het uitreiken van de UTB's in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord.33. Uw Raad heeft geoordeeld dat daartoe de Inspecteur de omstandigheden dient aan te voeren die in het individuele geva/34. rechtvaardigen waarom hij — in dit geval — [X] niet van te voren in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord over het voornemen tot het uitreiken van een UTB. Uw Raad heeft in dat kader nog geoordeeld dat een zodanige rechtvaardiging niet kan zijn dat er uitstel van betaling verleend zal worden.35.
5.1.2.
Het Hof heeft het oordeel met betrekking tot een eventueel voorhanden rechtvaardigingsgrond neergelegd in r.o. 6.8 en 6.9. Met een verwijzing naar het Prequ' ltalia arrest van 20 december 2017 en een aantal overwegingen zoals in dat arrest weergegeven, heeft het Hof in r.o. 6.9 geoordeeld:
‘Vorenaangehaalde rechtsoverwegingen 50 tot en met 52 uit het arrest Prequ' /tafia stellen buiten twijfel dat, in geval sprake is van een (bezwarende) douanebeschikking, het algemeen belang van de Europese Unie en in het bijzonder het belang dat de Unie heeft bij de snelle inning van haar eigen middelen, een algemeen belang vormen dat rechtvaardigt dat niet vooraf wordt gehoord, als maar vaststaat dat de nationale bepalingen ter uitvoering van de in artikel 244, tweede alinea, van het Communautair Douanewetboek (hierna ook: CDW) vastgelegde voorwaarden voor opschorting van de tenuitvoerlegging van (bezwarende) douanebeschikkingen niet eng worden toegepast of uitgelegd. Zulks geldt onverkort voor de drie in deze zaak nog in geschil zijnde UTB's.’
Waarna het Hof in r.o 6.10 en 6.11 — wederom36. — heeft geoordeeld dat de Leidraad invordering 1990 een adequate waarborg bood voor opschorting van de tenuitvoerlegging van de UTB's.
5.1.3.
Het voorafgaande zou — aldus het Hof in r.o. 6.12 — rechtvaardigen dat de Inspecteur in het onderhavige geval [X] niet voorafgaand aan het uitreiken van de UTB's in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord. Derhalve zou niet beoordeeld hoeven te worden of het besluitvormingsproces van de Inspecteur een andere afloop zou kunnen hebben gehad indien en voor zover [X] wel gehoord zou zijn.37.
5.1.4.
Het oordeel van het Hof terzake de rechtvaardigingsgrond van de Inspecteur voor het niet doen horen van [X] getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is (volstrekt) onbegrijpelijk. Dit heeft eveneens te gelden voor het oordeel van het Hof dat de Leidraad een voldoende adequate waarborg bood voor opschorting van de tenuitvoerlegging van de UTB's. [X] gaat eerst in op de rechtvaardigingsgrond.
5.2. rechtvaardigingsgrond (stap (i) van de beslisboom)
Onderdeel 1
5.2.1.
Het Hof lijkt te hebben geoordeeld dat er altijd een rechtvaardigingsgrond voorhanden is voor het niet doen horen van een belanghebbende, bestaande uit het algemeen belang van de Europese Unie en in het bijzonder het belang dat de Unie heeft bij de snelle inning van haar eigen middelen.38. Dit heeft het Hof geoordeeld met een verwijzing naar het arrest Prequ' ltalia van 20 december 2017, welk arrest volgens het Hof in r.o. 6.8 als nieuwe rechtspraak zou zijn aan te merken.
5.2.2.
Het Hof is hiermee afgeweken, althans is ongemotiveerd afgeweken, van de verwijzingsinstructie van Uw Raad, inhoudende dat het Hof moest onderzoeken of er op grond van door deInspecteuraangevoerde omstandigheden in het individuele geval waren die rechtvaardig(d)en waarom de Inspecteur [X] niet heeft gehoord.
5.2.3.
Het Hof had (namelijk) dienen te beslissen met inachtneming van het arrest van Uw Raad en het was gebonden aan alle beslissingen en verwijzingsinstructies van Uw Raad.39. Eveneens was het een verplichting voor het Hof om de zaak te behandelen in de stand waarin het zich bevond op het moment dat de gecasseerde uitspraak door het ‘oude’ Hof40. gewezen werd.41. Op dat moment was de door het Hof aangeduide ‘nieuwe’ rechtspraak nog niet voorhanden.
5.2.4.
Het Hof heeft ervoor gekozen ambtshalve ‘nieuwe’ Europese rechtspraak toe te passen. Daarbij komt ook nog dat het Hof uit die beweerdelijk nieuwe rechtspra ak een rechtvaardigingsgrond heeft afgeleid, welke rechtvaardigingsgrond door de Inspecteur geenszins is aangevoerd. Immers, het is de Inspecteur geweest die zich op dreigende verjaring van de douaneschulden heeft beroepen en het is de Inspecteur geweest die ten onrechte en ten onrechte anticiperend heeft gesteld dat [X] mogelijk zou trachten de feiten en vastlegging daarvan te wijzigen of te doen verdwijnen indien en voor zover [X] gehoord zou zijn.42. De Inspecteur heeft dus slechts twee rechtvaardigingsgronden aangevoerd, waarover het Hof geoordeeld heeft dat het geen oordeel hoeft te geven over deze door de Inspecteur aangevoerde rechtvaardigingsgronden 43., nu er reeds een rechtvaardigingsgrond voorhanden was op basis van — aldus het Hof- nieuwe rechtspraak., waaruit uit een andere rechtvaardigingsgrond zou blijken. Het is niet de Inspecteur geweest die heeft gesteld dat de rechtvaardigingsgrond bestaat uit hetgeen het Hof als de rechtvaardigingsgrond heeft aangemerkt.
5.2.5.
Indien en voor zover het Hof van oordeel is geweest dat het ambtshalve nieuwe rechtspraak mocht toepassen omdat gebleken zou zijn van nieuwe feiten en omstandigheden ná het arrest van Uw Raad, had het Hof zowel [X] als de Inspecteur in de gelegenheid moeten stellen om te reageren op het arrest Prequ' ltalia, aangezien partijen — gezien het arrest van Uw Raad — daarop niet ingespeeld hebben. Het Hof heeft nagelaten partijen in de gelegenheid te stellen te reageren op deze nieuwe rechtspraak, waardoor het oordeel van het Hof een verrassingsbeslissing inhield in het licht van de — concrete — verwijzingsinstructies van Uw Raad, inhoudende dat het Hof moest beoordelen of er QQ grond van door de Inspecteur aangevoerde omstandigheden in het individuele geval een rechtvaardigingsgrond was voor het niet doen horen van [X]. Deze verwijzings- instructie is door het Hof ambtshalve aan de kant geschoven door het ambtshalve benoemen c.q. toepassen van ‘nieuwe’ rechtspraak, hetgeen in strijd is met hoor en wederhoor, temeer nu het Hof een rechtvaardigingsgrond noemt die door de Inspecteur geenszins is aangevoerd en de rechtvaardigingsgrond louter is gelegen in een algemeen belang en dus niet afgestemd is op omstandigheden in het individuele geval. Partijen, althans [X], hoefde met een dergelijke uitspraak geen rekening te houden gelet op het verloop van het processuele debat, mede naar aanleiding van de verwijzingsinstructies van Uw Raad.
5.2.6.
Indien en voor zover het Hof van oordeel is geweest dat het nieuwe rechtspraak en een daaruit voortvloeiende (beweerdelijke) rechtvaardigingsgrond ambtshalve mocht toepassen op grond van de bevoegdheid van het Hof om de rechtsgronden aan te vullen, heeft het Hof daarmee miskend dat het Hof met partijen het processuele debat moest aangaan, aangezien de regel die is toegepast door het Hof geen regel is van openbare orde, en deze aanvulling heeft geleid tot een verrassingsbeslissing, zoals in het vorige randnummer reeds uiteengezet.
Onderdeel 2
5.2.7.
Indien en voor zover het Hof met het oordeel zoals vervat in r.o. 6.8 en 6.9 van de in cassatie bestreden uitspraak heeft bedoeld te oordelen dat het algemene belang, zijnde de snelle inning van eigen middelen, een rechtvaardiging biedt voor het niet doen horen van [X] (als maar vast zou staan dat de in nationale bepalingen vastgelegde voorwaarden voor opschorting van de tenuitvoerlegging van douanebeschikkingen niet eng worden toegepast of uitgelegd44., waarvan bij de behandeling van onderhavige (sub)klacht uitgegaan wordt), zou dit tot gevolg hebben dat een fundamenteel Unierechtelijk beginsel te allen tijde buiten werking kan worden gesteld, temeer nu het Hof — ten onrechte — heeft vastgesteld dat er — blijkbaar — altijd sprake is van een rechtvaardigingsgrond — te weten de snelle inning van eigen middelen — en eveneens heeft geoordeeld dat klaarblijkelijk altijd sprake is van een voldoende waarborg voor opschorting van de UTB's, nu de Leidraad Invordering 1990 — louter zijnde een ministeriële regeling waarover in de volgende cassatieklacht meer — voorziet c.q. voorzag in een (ruime) bepaling terzake uitstel van betaling, welke bepaling niet eng zou worden uitgelegd, omdat — kort samengevat — altijd uitstel wordt verleend bij het indienen van een bezwaarschrift. [X] merkt volledigheidshalve op dat dit ook staat vermeld in de meest recente versie van de Leidraad, te weten de Leidraad Invordering 2008.
5.2.8.
Indien en voor zover de visie van het Hof gevolgd zou worden, heeft het navolgende te gelden. Op grond van de in samenhang gelezen overwegingen van het Hof die het Hof herleidt uit het arrest Prequ' ltalia, wordt en kan het pas achteraf horen in Nederland tot standaard werkwijze verheven worden. Immers, bij een douanebeschikking zal er dan altijd sprake zijn van een rechtvaardigingsgrond voor het niet doen horen van een belanghebbende. [X] stelt zich op het standpunt dat dat niet de bedoeling mag en kan zijn, aangezien dan het fundamentele Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, inhoudende dat een belanghebbende het recht heeft om alvorens een bezwarend besluit wordt genomen gehoord te worden, volledig wordt uitgehold en enig nut ontbeert nu er dus blijkbaar — aldus het Hof — in Nederland altijd een rechtvaardigingsgrond voorhanden is én altijd uitstel van betaling zou worden verleend en dus — aldus het Hof — altijd sprake is van een voldoende adequate waarborg in die zin dat de voorwaarden voor opschorting van de tenuitvoerlegging van (bezwarende) douanebeschikkingen niet eng worden toegepast of uitgelegd.
5.2.9.
Het recht om vooraf te worden gehoord zou dan (dus) nauwelijks van belang zijn voor de Nederlandse praktijk bij de heffing en invordering van douanerechten. Dat zou dan zelfs zo zijn in die gevallen waarin vooraf horen wel tot een andere uitkomsten zou hebben kunnen leiden. Of het besluitvormingsproces een andere afloop zou kunnen hebben gehad, blijft dan voor altijd onduidelijk, mede in het licht van het arrest van Uw Raad. Uw Raad besliste immers dat wanneer er sprake is van een rechtvaardigingsgrond (in dit individuele geval) én sprake is van — kort gezegd — voldoende waarborg voor opschorting van de UTB's, het Hof niet hoeft te beoordelen of het besluitvormingsproces een andere afloop zou kunnen hebben gehad. Indien en voor zover het oordeel van het Hof in stand zou worden gelaten, zou dit (dus) betekenen dat de toets of het besluitvormingsproces een andere afloop zou kunnen hebben gehad nimmer uitgevoerd hoeft te worden, hetgeen dus betekent dat het fundamentele recht alles behalve fundamenteel, maar veeleer nietszeggend is,.
5.2.10.
Het Hof is klaarblijkelijk van oordeel dat uit voornoemd arrest Prequ' ltalia afgeleid kan worden dat er altijd een rechtvaardigingsgrond voorhanden is voor het niet doen horen van een belanghebbende, hetgeen afgeleid zou kunnen worden uit de overwegingen 50 tot en met 52 en van voornoemd arrest. [X] citeert:
- ‘50.
Het is echter vaste rechtspraak dat het algemene Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van verdediging geen absolute gelding heeft, maar beperkingen kan bevatten, mits deze werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die met de betrokken maatregel worden nagestreefd, en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast (zie in die zin arresten van 3 juli 2014, Kamino International Logistics en Datema Hellmann Worldwide Logistics, C-129113 en C-130/13, EU:C:2014:2041, punt 42, en 9 november 2017, lspas, C-298116, EU:C:2017:843, punt 35).
- 51.
Het Hof heeft reeds erkend dat het algemeen belang van de Europese Unie en met name het belang dat zij heeft bij een snelle inning van haar eigen middelen, vereisen dat de controles onverwijld en doeltreffend kunnen worden uitgevoerd (zie in die zin arresten van 18 december 2008, Sopropé, C-349/07, EU:C:2008:746, punt 41, en 3 juli 2014, Kamino International Logistics en Datema Hellmann Worldwide Logistics, C-129113 en C-130/13, EU:C:2014:2041, punt 54).
- 52.
Dat is het geval voor beschikkingen van de douaneautoriteiten.’
5.2.11.
Naar aanleiding van het arrest van Uw Raad, de in cassatie bestreden uitspraak van het Hof én voornoemd arrest Prequ' ltalia kan (dus) de vraag worden opgeworpen op welke wijze moet worden getoetst of een beperking van het recht vooraf te worden gehoord, al dan niet is gerechtvaardigd. Vindt de toets plaats aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval, zodat de uitkomst voor gelijksoortige beschikkingen kan verschillen naar gelang de overige omstandigheden van het geval zoals door Uw Raad geoordeeld in Uw arrest van 24 november 2017 waaraan het Hof gebonden was? Of gaat de toets uit van het belang dat de desbetreffende beschikking dient, zodat de uitkomst niet kan verschillen bij gelijksoortige beschikkingen ongeacht die overige omstandigheden, zoals door het Hof (impliciet) vervat in haar oordelen in de in cassatie bestreden uitspraak? Enkel de eerste vraag dient bevestigend beantwoord te worden.
5.2.12.
Uw Raad heeft altijd de lijn aangehouden dat aan de hand van de omstandigheden die de Inspecteur aanvoert, moet worden bepaald of een beperking op het verdedigingsbeginsel is gerechtvaardigd. Dat is het geval als de aangevoerde omstandigheden in het individuele geval rechtvaardigen het recht te beperken.45. Omgekeerd rechtvaardigt — aldus Uw Raad — het belang dat in het algemeen bestaat bij de invordering van belasting niet zonder meer een beperking van het recht vooraf te worden gehoord46., hetgeen het Hof wel (b)lijkt te hebben geoordeeld.
5.2.13.
Indien en voor zover het oordeel van het Hof zou worden gevolgd, zou daaruit afgeleid kunnen worden dat een invorderingsbelang op zichzelf een beperking kan wettigen. Eveneens kan daaruit afgeleid worden dat er altijd sprake is van een gerechtvaardigde beperking, ook al rechtvaardigen de individuele omstandigheden van het geval géén beperking. Daaruit zou dus afgeleid kunnen worden dat individuele omstandigheden die door de Inspecteur dienen te worden aangevoerd niet terzake doen, waardoor de bescherming van de belanghebbende en de strekking van het verdedigingsbeginsel teniet worden gedaan, aangezien de Inspecteur niet meer in staat wordt gesteld om voorafgaand aan het uitreiken van een UTB kennis te nemen van alle relevante omstandigheden en de belanghebbende niet meer in staat gesteld wordt vergissingen te corrigeren of omstandigheden aan te voeren als verweer tegen, of ter wijziging van, het bezwarende besluit. Deze zienswijze heeft tot gevolg dat indien en voor zover een belanghebbende zich niet kan verenigen met het bezwarende besluit, de belanghebbende afhankelijk is van het instellen van bezwaar dan wel administratief beroep, terwijl een vergissing reeds daarvoor voorkomen had kunnen worden.
5.2.14.
Het Hof lijkt het arrest Prequ' ltalia — in het bijzonder r.o. 50 tot en met 52 — onjuist te interpreteren, althans het Hof heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het Prequ' ltalia leest op de manier waarop het Hof het arrest heeft gelezen. Immers, het taalkundige verband tussen de punten 51 en 52 uit Prequ' ltalia zoals hierboven geciteerd, is moeilijk vast te stellen, nu niet zonder redelijke twijfel vastgesteld kan worden op welke zinsnede het woord ‘dat’ in punt 52 terugslaat.47. Het Hof heeft gekozen voor de opvatting dat een beperking van de rechten van verdediging in douanezaken steeds gerechtvaardigd is, zodat slechts de vraag resteert of de beperking ook evenredig is. Met andere woorden, het Hof hanteert de visie dat de rechtvaardiging niet gezocht wordt in de individuele omstandigheden van het geval waarin de beperking optreedt (een ‘concrete’ rechtvaardigingstoets) maar steeds in het algemene belang dat het desbetreffende bezwarende besluit dient. Daarmee hanteert het Hof een zogenaamde ‘abstracte’ rechtvaardigingstoets.
5.2.15.
De overwegingen uit Prequ' ltalia laten ook de visie toe deze overwegingen zo te lezen dat een beperking van het verdedigingsbeginsel in douanezaken is gerechtvaardigd onder nadere voorwaarden, bijvoorbeeld wanneer een snelle inning van eigen middelen is vereist. Deze lezing doet enigszins denken aan een vergelijkbaar luiende overweging uit Kamino en Datema, waarnaar het Europese Hof van Justitie verwezen heeft in overwegingen 50 tot en met 52. In punt 55 van Kamino en Datema staat namelijk opgenomen: ‘Voorts volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de belanghebbenden achteraf horen in het kader van een beroep tegen een afwijzend besluit, onder bepaalde voorwaarden de eerbiediging kan verzekeren van het recht om te worden gehoord.’
5.2.16.
Deze overweging duidt eerder een op concrete rechtvaardigingstoets, in die zin dat er sprake moet zijn van individuele omstandigheden die rechtvaardigen dat een belanghebbende niet voorafgaand wordt gehoord. In het licht van deze jurisprudentie is het dan ook juist volstrekt logisch dat Uw Raad altijd de lijn heeft aangehouden dat er sprake moet zijn van individuele omstandigheden die een rechtvaardigingsgrond zouden opleveren.
5.2.17.
De visie dat een concrete rechtvaardigingstoets toegepast moet worden, wordt ook gestaafd door het navolgende. Het arrest Prequ' ltalia dat volgens het Hof nieuwe rechtspraak is, is grotendeels gebaseerd op de zeer bekende arresten Kamino en Datema. In bovengenoemde overwegingen 50 tot en met 52 wordt weliswaar niet verwezen naar bovengenoemde overweging (punt 55), maar wordt wel uitdrukkelijk verwezen naar punt 54 van het arrest, waarin het volgende is opgenomen:
‘Wat in de tweede plaats de vraag betreft of de rechten van de verdediging van de belanghebbenden in de hoofdgedingen zijn geëerbiedigd wanneer zij hun standpunt pas in het kader van de bezwaarprocedure kenbaar hebben kunnen maken, zij eraan herinnerd dat het algemeen belang van de Unie en met name het belang dat zij heeft bij een snelle inning van haar eigen middelen, vereisen dat de controles onverwijld en doeltreffend kunnen worden uitgevoerd (arrest Sopropé, EU:C:2008:746, punt 41).’
5.2.18.
Dan ligt het niet voor de hand in Prequ' ltalia te lezen dat een algemeen inningsbelang bij beschikking van de douaneautoriteiten steeds een toereikende rechtvaardiging biedt voor een beperking van het verdedigingsbeginsel, temeer niet nu Prequ' ltalia (dus) goeddeels steunt op de overwegingen van Kamino en Datema en na die laatstgenoemde jurisprudentie de lijn door Uw Raad is ingezet dat er sprake moet zijn van omstandigheden die in het individuele geval een rechtvaardigingsgrond nastreven.48.
5.2.19.
In dat kader merkt [X] eveneens op dat Uw Raad het bestaan van een algemeen belang heeft aanvaard door in r.o. 2.3.2 te oordelen dat het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging geen absolute gelding heeft, maar beperkingen kan inhouden mits deze werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die met de betrokken maatregel worden nagestreefd, zoals ook overwogen in punt 50 van Prequ' ltalia, maar daarna — terecht — alsnog heeft geoordeeld dat het moet gaan om (door de Inspecteur aan te voeren) omstandigheden die in het individuele geval rechtvaardigen waarom in dit geval [X] niet is gehoord. Met andere woorden: Uw Raad heeft het bestaan van een algemeen belang erkend, maar heeft een algemeen inningsbelang niet aangeduid als een algemene toereikende rechtvaardigingsgrond.
5.2.20.
Het Hof lijkt een dergelijke algemene toereikende rechtvaardigingsgrond (dus) te herleiden uit de tekst van de geciteerde overwegingen uit Prequ' ltalia, hetgeen op grond van het bovenstaande — mede in het licht van het onderstaande — onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende gemotiveerd is. Uit de tekst blijkt dat nu juist niet eenduidig.
5.2.21.
Dat een concrete rechtvaardigingstoets dient te worden gehanteerd, kan ook afgeleid worden uit overige rechtspraak van de Unierechter terzake het verdedigingsbeginsel. Weliswaar ziet die overige rechtspraak niet op douanebeschikkingen, maar daaruit kan wel een algemene regel worden afgeleid ten aanzien van het verdedigingsbeginsel, welk beginsel van fundamenteel recht is. Deze rechtspraak is dus in ieder geval als instructief aan te merken.
5.2.22.
In ambtenarenzaken is het bijvoorbeeld vaste rechtspraak dat zich bijzondere omstandigheden moeten voordoen ter rechtvaardiging van het verzuim een ambtenaar te horen alvorens een bezwarend besluit te nemen.49. Slechts bijzondere omstandigheden, zoals de praktische onmogelijkheid of het dienstbelang, rechtvaardigen een ambtenaar van een instelling van de Unie niet te horen alvorens een bezwarend besluit te nemen jegens die betreffende ambtenaar. Daardoor kan de rechtvaardigingstoets dus in vergelijkbare ambtenarenzaken een andere uitkomst hebben naargelang de omstandigheden van het geval.
5.2.23.
Het bovenstaande geldt ook voor bijvoorbeeld uitspraken van de Unierechter op het gebied van gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Zo heeft de Unierechter in overweging 102 van het arrest Kadi 1150. geoordeeld:
‘{.} moet het bestaan van een schending van het recht van verdediging van het recht op effectieve rechterlijke bescherming worden beoordeeld aan de hand van de specifieke omstandigheden van het geval{.}’
Laatstgenoemde overweging schrijft dus — uitdrukkelijk — een concrete toetsing voor.
5.2.24.
Uit het arrest Prequ' ltalia blijkt geenszins, althans blijkt onvoldoende duidelijk, dat het Hof van Justitie heeft willen terugkomen op de algemeen ingezette lijn dat er een concrete rechtvaardigingstoets gehanteerd dient te worden, inhoudende dat een algemeen inningsbelang niet duidt als een toereikende rechtvaardigingsgrond voor het niet doen horen van een belanghebbende.51.
5.2.25.
Uit overweging 51 van Prequ' ltalia kan eerder afgeleid worden dat beschikkingen van douaneautoriteiten mogen worden vastgesteld zonder de belanghebbende vooraf te horen en de aldus ontstane beperking van het verdedigingsbeginsel beantwoordt aan een doel van algemeen belang, wanneer deze vaststellingswijze is vereist met het oog op de onverwijlde en doeltreffende uitvoering van controles:
- ‘51.
Het Hof heeft reeds erkend dat het algemeen belang van de Europese Unie en met name het belang dat zij heeft bij een snelle inning van haar eigen middelen, vereisen dat de controles onverwijld en doeltreffend kunnen worden uitgevoerd.’
Door juist in die overweging vervolgens naar oudere jurisprudentie zoals Kamino en Datema te verwijzen, ligt het niet voor de hand dat het Hof van Justitie heeft willen terugkomen op de ingezette lijn, welke ingezette lijn juist in het licht van Kamino en Datema is ingezet.
5.2.26.
[X] stelt zich op grond van het voorgaande op het standpunt dat het algemene belang het in het specifieke geval moet rechtvaardigen dat de belanghebbende voorafgaand aan het doen uitreiken van een UTB niet gehoord wordt. Het ligt veel meer in de rede dat doelstellingen van algemeen belang zoveel mogelijk verzoend moeten worden met de noodzaak justitiabelen voldoende procedurele bescherming te bieden. Als er — zoals het Hof veronderstelt — altijd een rechtvaardigingsgrond voorhanden is voor het niet doen horen van een belanghebbende, wordt het algemeen belang (dus) geenszins verenigd met de noodzaak justitiabelen voldoende procedurele bescherming te bieden. Er dient dus een concrete toets te worden uitgevoerd.
5.2.27.
Het Hof hanteert in de in cassatie bestreden uitspraak in afwijking van hetgeen Uw Raad als verwijzingsinstructie heeft meegegeven een abstracte toets, althans een onjuiste toets. In ieder geval is het oordeel van het Hof inhoudende dat Prequ' ltalia ‘buiten twijfel stelt’ dat, in geval sprake is van een (bezwarende) douanebeschikking, het algemeen belang van de Europese Unie en in het bijzonder het belang dat de Unie heeft bij de snelle inning van haar eigen middelen, een algemeen belang is dat rechtvaardigt dat niet vooraf wordt gehoord, onjuist, dan wel onvoldoende gemotiveerd en/of onbegrijpelijk. Een en ander borduurt dan voor op de navolgende oordelen van het Hof, waaronder het oordeel van het Hof in r.o. 6.12 dat het Hof niet hoeft te toetsen of het besluitvormingsproces een andere afloop zou kunnen hebben gehad en dat het Hof geen oordeel hoeft te vormen over de door de Inspecteur aangevoerde rechtvaardigingsgronden.
Onderdeel 3
5.2.28.
Het oordeel van het Hof is temeer onbegrijpelijk, nu het Hof in r.o. 6.8 geoordeeld heeft dat Prequ' ltalia van toepassing is op een situatie in Italië inhoudende dat nimmer vooraf werd gehoord alvorens tot navordering van douanerechten werd overgaan, maar de wetgeving wel voorzag in de mogelijkheid om achteraf, in de fase van bezwaar en administratief beroep, alsnog te worden gehoord, gelijk dat ook in Nederland het geval was ten tijde van het uitreiken van de onderwerpelijke UTB's.
5.2.29.
Het Hof erkent hier (dus) mee dat het horen van een belanghebbende kan plaatsvinden in de bezwaarfase, maar neemt geenszins in overweging dat [X] ook in de bezwaarfase nimmer is gehoord, hetgeen vaststaat en is erkend door de Inspecteur, hetgeen (dus) betekent dat het Hof eveneens had moeten oordelen of er een rechtvaardigingsgrond was voor het niet doen horen van [X] in de bezwaarfase, welke toetsing door het Hof ten onrechte achterwege is gelaten, althans het oordeel van het Hof (meer dan) onbegrijpelijk is nu het Hof louter heeft geoordeeld dat er een rechtvaardigingsgrond was voor het niet doen horen van [X] voorafgaand aan het opleggen van de UTB's, maar heeft miskend dat dit gebrek nimmer hersteld is in de bezwaarfase (of later), aangezien het hoorgesprek — zoals ook erkend door de lnspecteur52. — nimmer heeft plaatsgevonden. Ook reeds daarom kan het oordeel van het Hof niet in stand worden gelaten.
5.3. voldoende waarborgen voor opschorting van de tenuitvoerlegging van het bezwarende besluit? (stap (ii) van de beslisboom)
5.3.1.
Uw Raad heeft geoordeeld dat indien en voor zover het Hof zou oordelen dat de Inspecteur een rechtvaardigingsgrond had voor het niet doen horen van [X], het Hof eveneens dient te oordelen over de vraag of er voldoende waarborgen bestaan voor opschorting van de tenuitvoerlegging van het bezwarende besluit, in dit geval de opgelegde UTB's. Dat het Hof dit moet beoordelen, heeft het Hof erkend in r.o. 6.7.
5.3.2.
Het Hof heeft in r.o. 6.9 van de in cassatie bestreden uitspraak die waarborg zo uitgelegd dat dient vast te staan dat de nationale bepalingen ter uitvoering van de in artikel 244, tweede alinea, van het Communautair douanewetboek (hierna ‘CDW’) vastgelegde voorwaarden voor opschorting van de tenuitvoerlegging van (bezwarende) douanebeschikkingen niet eng mogen worden toegepast of uitgelegd.
5.3.3.
In r.o. 6.11 heeft het Hof geoordeeld dat de Leidraad Invordering 1990 voldoende adequate waarborg bood, gelet op hetgeen in r.o. 6.10 staat vermeld. In r.o. 6.10 staat kort samengevat vermeld dat de mogelijkheid tot het verkrijgen van uitstel van bedragen van rechten welke zijn vermeld in een uitnodiging tot betaling in de Leidraad niet aan enige beperking is onderworpen.
5.3.4.
Het oordeel van het Hof dat de Leidraad voldoende adequate waarborg bood voor opschorting van de tenuitvoerlegging van de UTB's is onjuist dan wel onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd. Het Hof heeft — terecht — geoordeeld dat de nationale bepalingen ter uitvoerlegging van de in artikel 244, tweede alinea, CDW vastgelegde voorwaarden voor opschorting van de tenuitvoerlegging van bezwarende douanebeschikkingen niet eng mogen worden toegepast of worden uitgelegd.
5.3.5.
In Prequ' ltalia heeft het Europese Hof van Justitie geoordeeld dat de nationale bezwaarprocedure de volle werking van het Unierecht dient te waarborgen.53. Dan moet dus — in het bijzonder — gedacht worden aan artikel 244 CDW. [X] verwijst in dat kader ook naar punt 58 en 59 van voornoemd arrest, zoals door het Hof geciteerd in r.o. 6.8. In artikel 244 CDW is het volgende opgenomen:
‘Instelling van beroep heeft ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking geen schorsende werking.
De douaneautoriteiten schorten de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking evenwel geheel of gedeeltelijk op indien zij gegronde redenen hebben om aan de overeenstemming van die beschikking met de douanewetgeving te twijfelen of indien de belanghebbende onherstelbare schade dreigt te lijden.
Indien de aangevochten beschikking tot de toepassing van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer leidt, dient ingeval van opschorting van de tenuitvoerlegging van deze beschikking een zekerheid te bestaan of te worden gesteld. Van die eis kan evenwel worden afgezien wanneer deze, gezien de omstandigheden waarin de schuldenaar verkeert, ernstige economische of sociale moeilijkheden zou kunnen veroorzaken.’
Deze bepaling is gelijkluidend aan het huidige artikel 45 CDW.
5.3.6.
Dit artikel bepaalt (dus) kort gezegd dat een bezwaar- of beroepsprocedure geen opschortende werking heeft en niet in de weg staat aan de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de UTB. Betalingsuitstel wordt gegeven als twijfel bestaat over de juistheid van de belastingaanslag of als onherstelbare schade dreigt voor de belanghebbende. Aangezien de verwijzende rechter in Prequ' ltalia niet heeft vastgesteld onder welke voorwaarden betalingsuitstel wordt verleend, heeft het Europese Hof van Justitie in punt 61 van Prequ' ltalia de uitstelvoorwaarden die overeenstemmen met het verdedigingsbeginsel weergegeven. [X] verwijst naar r.o. 6.8 van de in cassatie bestreden uitspraak, waarin punt 61 van Prequ' ltalia integraal is opgenomen.
‘Voor zover de adressaat van rectificatieaanslagen als die in het hoofdgeding de mogelijkheid heeft om opschorting van de tenuitvoerlegging van deze handelingen tot aan de eventuele herziening ervan te krijgen en voor zover in de administratieve procedure de voorwaarden van artikel 244 van het douanewetboek niet eng worden toegepast, hetgeen de nationale rechter dient te beoordelen, wordt geen afbreuk gedaan aan de eerbiediging van de rechten van verdediging van de adressaat van de rectificatieaanslagen.’
5.3.7.
Het Hof heeft verwezen naar de Leidraad en heeft met die verwijzing (dus) eigenlijk geoordeeld dat die Leidraad overeenstemt met voornoemde voorwaarden. Dit oordeel is onjuist en onvoldoende begrijpelijk mede in samenhang met het voorgaande en navolgende.
5.3.8.
Artikel 25 van de Leidraad zegt namelijk niets over de vraag hoe eng dergelijke verzoeken tot uitstel van betaling worden beoordeeld. Artikel 25 houdt eveneens louter in dat er automatisch een uitstel van betaling wordt verleend, hetgeen indirect (dus) betekent dat er geen enkele toets wordt uitgevoerd als bedoeld in artikel 244 CDW, zoals ook door [X] aangevoerd in randnummer 12.3 van haar pleitnota ten behoeve van de zitting die op 22 januari 2019 heeft plaatsgevonden, en het is nu ook juist die toets van artikel 244 CDW die de belangen van de belanghebbende beschermt. Weliswaar wordt er in artikel 244 CDW slechts op twee gronden een uitstel van betaling verleend, maar dit neemt niet weg dat er wel een toets wordt uitgevoerd die belangrijk is voor de beschermingspositie van de belanghebbende. Waar in Nederland automatisch uitstel van betaling verleend wordt, wordt deze toets overgeslagen, waarmee (dus) eveneens de beschermingspositie van de belanghebbende uitgehold wordt, aangezien geenszins bekeken wordt of er gegronde redenen zijn om aan de overeenstemming van die beschikking met de douanewetgeving te twijfelen of dat belanghebbende onherstelbare schade dreigt te lijden.
5.3.9.
[X] verwijst in dit kader onder meer naar randnummer 12.3 e.v. van haar pleitnota ten behoeve van de zitting die op 22 januari 2019 bij het Hof heeft plaatsgevonden. Het Hof heeft de stellingen zoals aldaar opgenomen — inhoudende dat er in Nederland onvoldoende (adequate) waarborg geboden wordt voor opschorting van de tenuitvoerlegging van een bezwarend besluit gezien het feit dat er geen toets zoals omschreven in artikel 244 CDW wordt verricht — geenszins gemotiveerd aan de kant geschoven, waardoor het oordeel van het Hof temeer onbegrijpelijk is. Dit temeer nu het oordeel van het Hof terzake de Leidraad volledig overeenstemt met het eerdere door het Hof gegeven oordeel in de ‘eerste’ uitspraak.54.
5.3.10.
Indien en voor zover het oordeel van het Hof terzake de Leidraad en de daaruit voortvloeiende voldoende adequate waarborg gevolgd wordt, zou dit betekenen dat wanneer de Inspecteur in een individueel geval een rechtvaardigingsgrond zou hebben, er automatisch voldaan aan de aanvullende voorwaarde dat er sprake moet zijn van een voldoende adequate waarborg voor de opschorting van de tenuitvoerlegging van UTB's, waaraan dus automatisch voldaan is, terwijl er geen toets wordt uitgevoerd zoals beschreven in artikel 244 CDW.
De douaneautoriteiten schorten de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking evenwel geheel of gedeeltelijk op indien zij gegronde redenen hebben om aan de overeenstemming van die beschikking met de douanewetgeving te twijfelen of indien de belanghebbende onherstelbare schade dreigt te lijden.
5.3.11.
Het oordeel van het Hof kan temeer niet in stand worden gelaten, nu de Leidraad kwalificeert als beleid en niet als een ‘administratieve procedure op grond van de nationale regelgeving’55.. Een dergelijke norm zoals geformuleerd in beleid die per definitie op elk moment kan worden gewijzigd, is reeds daarom niet van dien aard dat het voldoende adequate waarborgen biedt tot aan de eventuele herziening van een UTB.
5.4. conclusie
5.4.1.
[X] stelt zich in het licht van het voorgaande al dan niet in samenhang gelezen op het standpunt dat het Hof een onjuist, dan wel onbegrijpelijk c.q. onvoldoende gemotiveerd oordeel heeft gegeven terzake de vraag of de Inspecteur een rechtvaardigingsgrond had voor het niet doen horen van [X]. Eveneens is het oordeel van het Hof dat de Leidraad Invordering 1990 voldoende adequate waarborg bood voor opschorting van de tenuitvoerlegging van de UTB's onjuist, dan wel onbegrijpelijk c.q. onvoldoende gemotiveerd.
5.4.2.
Voor zover Uw Raad het met beide stellingen eens is dan wel met één daarvan, heeft dit tot gevolg dat het Hof eveneens een onjuist, dan wel onbegrijpelijk c.q. onvoldoende gemotiveerd oordeel heeft gegeven terzake de vraag of in casu afbreuk is gedaan aan de eerbiediging van de rechten van de verdediging van [X] en over de vraag of het besluitvormingsproces bij het wel doen horen van [X] een andere afloop zou kunnen hebben gehad, nu het Hof in r.o. 6.13 geoordeeld heeft dat er geen afbreuk is gedaan aan het verdedigingsbeginsel en het Hof in r.o. 6.13 louter heeft geoordeeld dat de ‘zou kunnen hebben gehad’-toets niet uitgevoerd hoeft te worden, nu er (dus) sprake zou zijn van een rechtvaardigingsgrond en de Leidraad voldoende adequate waarborg bood voor opschorting van de tenuitvoerlegging van de UTB's.
5.4.3.
Nogmaals merkt [X] op dat indien en voor zover het oordeel van het Hof gevolgd zou worden, het verdedigingsbeginsel volledig wordt uitgehold.56. Immers, indien en voor zover de visie van het Hof gevolgd zou worden, zou er nimmer een uitwisseling van standpunten hoeven plaats te vinden voorafgaand aan de oplegging van UTB's. En dit is nu juist hetgeen de Rechtbank de Inspecteur heeft verweten.57. Indien en voor zover de visie van het Hof gevolgd zou worden, betekent dit (dus) dat de belanghebbende — in dit geval [X] — de gelegenheid ontnomen wordt voor het aanvoeren van bepaalde feiten die het bestuursorgaan aan zijn besluit niet ten grondslag heeft gelegd, althans niet in aanmerking heeft genomen, dan wel — zie punt 38 van het arrest Kamino — met het oog op het corrigeren van (kennelijke) vergissingen of het aanvoeren van individuele omstandigheden die ervoor pleiten dat het besluit wordt genomen, niet wordt genomen of dat in een bepaalde zin wordt besloten.58.
5.4.4.
Er zou geen sprake mogen zijn van het (nagenoeg) onmogelijk maken van een beginsel in brede zin. Het verdedigingsbeginsel strekt er immers nu juist toe de Inspecteur in staat te stellen kennis te nemen van alle relevante omstandigheden en een belanghebbende in staat te stellen vergissingen te corrigeren of omstandigheden aan te voeren als verweer tegen, of ter wijziging van, het bezwarende besluit, beide tijdens (en niet na) de totstandkoming van dit besluit.59. Vrij vertaald betekent dit dat beperkingen op grond van individuele feiten en omstandigheden kunnen zijn gerechtvaardigd en categoriale uitsluitingen in principe niet, hetgeen het Hof klaarblijkelijk wel veronderstelt nu er — aldus het Hof — bij douanebeschikkingen altijd een rechtvaardigingsgrond voorhanden zou zijn.60.
5.4.5.
Indien en voor zover de visie van het Hof zou worden gevolgd, houdt dit indirect in dat bij een douanebeschikking in Nederland het fundamentele recht nimmer in acht hoeft te worden genomen, waardoor de rechten van de belanghebbende in de kern worden aangetast. Dat is het tegendeel van de door het Europese Hof van Justitie en Uw Raad ingezette lijn, inhoudende dat de rechten van verdediging als fundamentele rechten in acht genomen moeten worden en slechts bij hoge uitzondering, te weten als het algemene belang dat in hetspecifieke geval rechtvaardigt, kunnen worden gepasseerd en dan nog op een zodanige wijze dat de rechten niet in de kern worden aangetast.61.
5.5. verzoek aan uw raad
5.5.1.
Indien en voor zover dit cassatiemiddel al dan niet gedeeltelijk slaagt, wenst [X] Uw Raad te verzoeken de zaak op dit punt waar mogelijk zelf af te doen. Indien en voor zover Uw Raad van oordeel zou zijn dat er — inderdaad — sprake dient te zijn van een rechtvaardigingsgrond in het individuele geval, wenst [X] dat Uw Raad (zelf) beoordeelt of er sprake was een rechtvaardigingsgrond in dit individuele geval. De Inspecteur heeft slechts twee rechtvaardigingsgronden voor het niet doen horen van [X] aangevoerd. Zo heeft de Inspecteur de dreigende verjaring van de douaneschulden als mogelijke rechtvaardigingsgrond aangevoerd, waarvan Uw Raad heeft geoordeeld dat deze eventuele dreigende verjaring niet aan de Inspecteur toe te rekenen mag zijn62., en heeft de Inspecteur ten onrechte en ten onrechte anticiperend gesteld dat [X] mogelijk zou trachten de feiten en vastlegging daarvan te wijzigen of te doen verdwijnen indien en voor zover [X] voorafgaand aan het uitreiken van de UTB's gehoord zou zijn.63.
5.5.2.
In hoofdstuk 11 van haar pleitnota ten behoeve van de zitting die op 22 januari 2019 bij het Hof heeft plaatsgevonden, in het bijzonder in randnummers 11.7 en verder welke overwegingen als hier herhaald en ingelast worden beschouwd, heeft [X] reeds uitvoerig uiteengezet dat de dreigende verjaring van de douaneschulden geen rechtvaardigingsgrond kan zijn, omdat er gewoonweg geen dreigende verjaring speelde.
5.5.3.
Ook heeft [X] ter zitting aangevoerd dat de tweede rechtvaardigingsgrond zoals aangevoerd door de Inspecteur — welke rechtvaardigingsgrond overigens op de zitting die op 22 januari 2019 heeft plaatsgevonden pas werd aangevoerd — dat deze rechtvaardigingsgrond volstrekt bezijden de waarheid is. De Inspecteur heeft gesteld dat [X] mogelijk zou trachten de feiten en vastlegging daarvan te wijzigen of te doen verdwijnen, maar vergeet daarbij te vermelden dat [X] dat niet kon doen. Immers, er had reeds op 17 mei 2005 een inval plaatsgevonden bij [X] waarbij alle op de knoflook betrekking hebbende documenten in beslag waren genomen, welke documenten zijn gebruikt voor het opstellen van het overzichtsproces-verbaal, zijnde het proces-verbaal dat de grondslag vormde voor het uitreiken van de UTB's.64. [X] kon dus de ‘feiten’ en de vastlegging daarvan niet wijzigen of doen verdwijnen, aangezien de stukken reeds in beslag genomen waren.65. [X] merkt volledigheidshalve in dit kader op dat bovendien de FIOD de volgende dag teruggekomen is omdat er twee klappers over de Turkse knoflook door de FIOD vergeten zouden zijn. Daar is door [X], ofschoon zij dat al geconstateerd had, ook niets mee gedaan in negatieve zin.66. Dit feit duidt dus veeleer op zuiver dan onzuiver gedrag bij [X].
5.5.4.
Indien en voor zover het mogelijk zou zijn verzoekt [X] Uw Raad om de zaak op het gebied van het eventueel voorhanden zijn van een rechtvaardigingsgrond zelf af te doen, aangezien [X] — indien en voor zover Uw Raad zou oordelen dat het Hof dient te beoordelen of er een rechtvaardigingsgrond voorhanden was in het individuele geval — een derde cassatieberoep terzake wenst te voorkomen. Ditzelfde geldt voor de cassatieklacht terzake het oordeel van het Hof inhoudende dat sprake is van een voldoende adequate waarborg voor opschorting van de tenuitvoerlegging van de UTB's.
5.5.5.
Indien en voor zover Uw Raad zou oordelen dat het (verwijzings)Hof dient te toetsen of het besluitvormingsproces een andere afloop zou kunnen hebben gehad, merkt [X] volledigheidshalve op dat vooraf (ook / eerst) aandacht dient te worden besteed aan de vraag of [X] haar rechten in dat geval wel effectief ten uitvoer had kunnen leggen.67. Daarover heeft het Hof geen oordeel gegeven.68. [X] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij geenszins effectief haar rechten ten uitvoer had kunnen leggen indien en voor zover zij wel gehoord zou zijn. [X] heeft eveneens gesteld dat enkel dit aspect reeds dient te leiden tot een vernietiging van de UTB's69., aangezien [X] haar fundamentele verdedigingsrechten óók bij geen schending van het Unierechtelijke beginsel niet effectief zou hebben kunnen uitvoeren.70. Indien en voor zover Uw Raad daartoe bevoegd is, verzoekt [X] Uw Raad bij het gegrond verklaren van de cassatieklachten de zaak ook op dit punt reeds zelf af te doen en de vernietiging van de UTB's uit te spreken.
5.5.6.
Indien en voor zover Uw Raad van oordeel zou zijn dat niet Uw Raad is die hierover een oordeel dient te geven (maar het Hof) én het Hof van oordeel zou zijn dat [X] haar rechten wel effectief ten uitvoer had kunnen leggen indien en voor zover zij gehoord zou zijn,. dan dient onder meer beoordeeld te worden of [X] had kunnen aanvoeren dat de Inspecteur de door de Inspecteur aangevoerde ‘feiten’ ook op een andere wijze had kunnen waarderen en interpreteren en zodoende niet tot het besluit had kunnen komen en dient in aanvulling daarop eveneens bekeken te worden of er verweermogelijkheden in de vorm van juridische stellingen dan wel (nieuwe) bewijsmiddelen voorhanden zijn, waarvan niet is uitgesloten dat deze een andere afloop konden bewerkstellingen.71. Immers, wanneer dit het geval is, zou het besluitvormingsproces een andere afloop kunnen hebben gehad.
6. Cassatieklachten met betrekking tot de oordelen van het hof ten aanzien van het monster
6.1. inleiding
6.1.1.
In r.o. 6.14 tot en met 6.17 heeft het Hof een oordeel gegeven over de vraag of er sprake is van een verzuim aan de kant van de Inspecteur terzake de monstername en de vernieti ging van het monster, en heeft het een oordeel gegeven over de vraag of dit eventuele verzuim gevolgen heeft.
6.1.2.
Het Hof heeft kort samengevat — terecht — geoordeeld dat sprake is van een verzuim aan de kant van de Inspecteur, nu de Inspecteur het genomen monster zonder enige kennisgeving jegens [X] daarvan vernietigd heeft. De Inspecteur had [X] in kennis hebben moeten stellen van het gegeven dat de Inspecteur het — klaarblijkelijk — niet langer nodig vond het genomen monster te bewaren en de Inspecteur had [X] de gelegenheid moeten bieden het monster terug te vragen alvorens (ambtshalve) tot vernietiging van het monster over te gaan. Aangezien de Inspecteur dat niet gedaan heeft, is dat verzuim — aldus door Hof terecht geoordeeld — de Inspecteur toe te rekenen.
6.1.3.
Uw Raad heeft geoordeeld dat het Hof in een dergelijk geval moe(s)t oordelen of dit verzuim dan ook gevolgen heeft. Het Hof had bij zijn beoordeling omtrent de bewijslevering van de oorsprong van de knoflook namelijk niet het belang dat belanghebbende (mogelijk) heeft bij teruggave van het monster in het midden mogen laten.72. Kort samengevat heeft het Hof geoordeeld dat aan het verzuim van de Inspecteur geen gevolgen hoeven te worden verbonden en wel op grond van het navolgende.
6.1.4.
Het Hof heeft in r.o. 6.17 geoordeeld dat [X] het monster pas zou hebben teruggevraagd in hoger beroep, te weten bij repliek van 14 juni 2013, en het Hof het niet aannemelijk zou achten dat van bederfelijke waar, zoals knoflook, na een dergelijk tijdsverloop nog een bruikbaar monster over is, zodat [X] in zoverre — aldus het Hof — geen onderzoeksmogelijkheden zouden zijn ontnomen door het niet ter beschikking stellen van het in 2003 genomen monster.
6.1.5.
Het Hof heeft in r.o. 6.17 eveneens geoordeeld dat [X] ter zitting in hoger beroep zou hebben gesteld dat het tijdverloop van tien jaar niet aan het uitvoeren van een metaalsporenonderzoek in de weg staat, omdat het onderzoek dat zij had willen laten uitvoeren zich richt op de grondresten op de knoflookbol en deze grondresten ook na 10 jaar nog aanwezig zullen zijn. Het Hof heeft deze stelling verworpen en heeft geoordeeld dat het bij metaalsporenonderzoek ter bepaling van de oorsprong van knoflook niet om een onderzoek van grondresten welke zich op het product bevinden gaat, maar om een onderzoek naar metaalsporen in de knoflook(bol) zelf. De door [X] gestelde mogelijkheid van onderzoek naar metaalsporen in grondresten zou derhalve niet relevant zijn voor het vaststellen van de oorsprong van knoflookbollen.
6.1.6.
Ander gebruik van het monster ten behoeve van de bepaling van de oorsprong zou door belanghebbende niet, althans onvoldoende, geconcretiseerd zijn. In dat kader heeft het Hof ten overvloede opgemerkt dat de oorsprong geen zichtbare eigenschap van een knoflookbol zou vormen.
6.2. bruikbaar monster?
6.2.1.
Ten onrechte heeft het Hof onvoldoende begrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd geoordeeld dat [X] het monster pas na 10 jaar heeft teruggevraagd en het niet aannemelijk zou zijn dat na een dergelijk tijdsverloop nog een bruikbaar monster over zou zijn. [X] merkt op dat indien en voor zover [X] in kennis zou zijn gesteld van de vernietiging van het monster in 200373. , hetgeen (dus) niet gebeurd is, [X] het monster toen zou hebben teruggevraagd, zoals zij nu ook heeft gedaan, en toen onderzoek had kunnen (doen) uitvoeren en indien en voor zover er toen onvoldoende onderzoeksmogelijkheden waren geweest voor het doen uitvoeren van onderzoek naar de oorsprong, [X] er zelf voor had kunnen kiezen de knoflook op een bepaalde wijze op te slaan waardoor de knoflook langer beschikbaar zou zijn voor een (laboratorium)onderzoek. Dat heeft het Hof ten onrechte miskend.
6.2.2.
Indien en voor zover het Hof bedoeld heeft het verloop van tijd aan [X] toe te rekenen omdat het [X] is geweest die (pas) in 2013 om teruggave van het monster heeft verzocht, is het oordeel van het Hof onbegrijpelijk dan wel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, nu daarmee het verzuim van de Inspecteur (alsnog) aan [X] toegerekend lijkt te worden, aangezien het de Inspecteur is geweest die in 2003 [X] in kennis had moeten stellen van het feit dat de Inspecteur het niet nodig vond het genomen monster nog langer te bewaren en het monster zonder enige kennisgeving daarvan vernietigd heeft.
6.3. metaalsporenonderzoek
6.3.1.
Het Hof heeft in r.o. 6.17 eveneens geoordeeld dat het de stelling inhoudende dat het tijdverloop van tien jaar niet aan het uitvoeren van een metaalsporenonderzoek in de weg staat, omdat het onderzoek dat [X] had willen laten uitvoeren zich richt op de grondresten op de knoflookbol en deze grondresten ook na tien jaar nog aanwezig zullen zijn, verwerpt. Het Hof heeft deze stelling verworpen omdat het bij een metaalsporenonderzoek ter bepaling van de oorsprong van knoflook niet om een onderzoek van grondresten zou gaan die zich bevinden op een product, maar om een onderzoek naar metaalsporen in de knoflookbol zelf.
6.3.2.
Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de door [X] gestelde mogelijkheid van onderzoek naar metaalsporen in de grondresten derhalve niet relevant zou zijn voor het vaststellen van de oorsprong van knoflook(bollen). Het Hof is derhalve voorbij gegaan aan het tijdens de zitting van 22 januari 2019 door [X] geformuleerde bewijsaanbod, inhoudende nader bewijs te leveren van de stelling dat het in 2003 mogelijk was om door laboratoria grondresten op knoflookbollen te laten onderzoeken.
6.3.3.
Indien en voor zover het Hof met voorgaand oordeel bedoeld heeft te oordelen dat het metaalsporenonderzoek zoals door [X] ter zitting omschreven geen nut zou hebben gehad, maar (klaarblijkelijk) een onderzoek naar de metaalsporen in de knoflookbol zelf wel, is dit oordeel van het Hof onvoldoende begrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd, temeer nu [X] geenszins heeft aangevoerd dat het metaalsporenonderzoek louter bestaat uit een onderzoek naar de grondresten, maar [X] in het algemeen heeft aangegeven een metaalsporenonderzoek te willen verrichten.74. Sterker nog: [X] heeft in randnummer 3.11 van haar beroepschrift in cassatie, welk beroepschrift ten grondslag lag aan het arrest van Uw Raad van 24 november 2017, gesteld dat aan de hand van ‘metaalsporenonderzoek en grondonderzoek de locatie van het lang van oorsprong zeer nauwkeurig kan worden vastgesteld’, hetgeen (dus) betekent dat [X] een onderscheid heeft gemaakt tussen enerzijds grondonderzoek en anderzijds een metaalsporenonderzoek.75. In haar schriftelijke conclusie na cassatie heeft [X] immer gesproken over een ‘monsteronderzoek’, en heeft [X] nimmer uitdrukkelijk aan orde gesteld dat dit monsteronderzoek louter een metaalsporenonderzoek van de grondresten op de knoflook(bol) zou bevatten. Immers, [X] sprak nu juist over een monsteronderzoek, zijnde een onderzoek van het monster, zijnde de knoflookbol, zelf.76.
6.3.4.
In die zin vormt het oordeel van het Hof eveneens een verrassingsoordeel, aangezien het Hof uit bewoordingen van [X] tijdens de zitting waarvan betwist wordt dat die daadwerkelijk op deze manier zijn geuit, heeft afgeleid dat [X] zich louter op het standpunt zou hebben gesteld dat het metaalsporenonderzoek louter op de grondresten op de knoflook(bol) zou zien, terwijl [X] in de processtukken te allen tijde heeft aangenomen dat het nu gaat om onderzoek van het monster zelf, zijnde de knoflookbol zelf.
6.3.5.
Indien en voor zover het Hof met voorgaand oordeel in r.o. 6.17 bedoeld heeft te oordelen dat het onderzoek naar metaalsporen in de knoflookbol zelf enig nut ontbeerde gezien het ruime tijdsverloop, is dit oordeel onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd, mede vanwege de redenen zoals omschreven in randnummers 6.2.1 en 6.2.2 supra. Ten onrechte heeft het Hof dit tijdsverloop toegerekend aan [X], terwijl de Inspecteur [X] nimmer in kennis heeft gesteld van de voorgenomen vernietiging van het monster en [X] uiteraard het monster zou hebben teruggevraagd indien en voor zover zij in kennis zou zijn gesteld van de voorgenomen vernietiging van het monster in 200J.
6.3.6.
Aangezien voornoemd oordeel van het Hof onbegrijpelijk c.q. onvoldoende gemotiveerd is, is daarmee eveneens het oordeel van het Hof in r.o. 6.17 inhoudende dat de door [X] gestelde mogelijkheid van onderzoek naar metaalsporen in grondresten niet relevant is voor het vaststellen van de knoflookbollen onbegrijpelijk c.q. onvoldoende gemotiveerd. Daarop voortbordurend geldt dat eveneens voor het oordeel van het Hof inhoudende dat het (voorwaardelijke) bewijsaanbod van [X] gepasseerd wordt.
6.4. ander gebruik?
6.4.1.
Tot slot heeft het Hof in r.o. 6.17 geoordeeld dat ander gebruik van het monster ten behoeve van de bepaling van oorsprong door [X] niet, althans onvoldoende, geconcretiseerd zou zijn. In dat kader heeft het Hof opgemerkt dat de oorsprong geen zichtbare eigenschap van een knoflookbol vormt.
6.4.2.
Indien en voor zover het Hof hiermee bedoeld heeft te oordelen dat de stelling(en) van [X] inhoudende dat het monster als tegenbewijs77. had kunnen dienen, omdat zij met dit monster onder meer deskundigen en knoflookhandelaren had kunnen bezoeken om te bekijken of zij de knoflook ook zouden herkennen als Russische of Chinese knoflook78. dan wel de stelling dat [X] met het monster rondvraag had kunnen doen, niet zouden opgaan, is dit oordeel van het Hof onvoldoende begrijpelijk c.q. onvoldoende gemotiveerd. Immers, vaststaat dat de UTB's jegens [X] zijn opgelegd op basis van het overzichtsproces-verbaal, in welk overzichtsproces-verbaal meermaals vermeld staat dat bepaalde personen de knoflook — die middels louter foto's is getoond aan de betreffende personen, niet zijnde deskundigen79. — hebben ‘herkend’ als knoflook met de Chinese oorsprong, hetgeen een van de doorslaggevende redenen was waarom de Inspecteur van mening was dat de knoflook van Chinese oorsprong zou zijn. [X] verwijst naar r.o. 2.15, waarin de samenvatting ten aanzien van [X] (zoals opgenomen in het overzichtsproces-verbaal) staat vermeld:
‘De op deze bescheiden vermelde oorsprong Rusland is vermoedelijk onjuist, omdat:
- ■
{.}
- •
De knoflook als Chinese knoflook of als op Chinese knoflook gelijkend knoflook wordt herkend;’80.
6.4.3.
Indien en voor zover het Hof (dus) bedoeld heeft te oordelen dat het monster niet als zichtmonster had kunnen worden gebruikt voor het leveren van (louter) tegenbewijs, is dit oordeel onvoldoende begrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd, nu juist de UTB's opgelegd zijn naar aanleiding van onder meer bevindingen van een aantal personen die de knoflook (op foto's) op Chinese knoflook vonden /ijken.81.
6.4.4.
Dit oordeel is nota bene temeer onbegrijpelijk c.q. onvoldoende gemotiveerd, nu het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur vrij is in het kiezen van zijn bewijsmiddelen en derhalve niet gehouden is om de geografische oorsprong van de ingevoerde knoflook vast te stellen door middel van een metaalsporenonderzoek82., hetgeen dus betekent dat (indirect) te gelden heeft dat [X] vrij is in het kiezen van haar bewijsmiddelen om tegenbewijs te leveren, waarbij (dus) ook gebruik had kunnen worden gemaakt van het zichtmonster en het ondervragen van bijvoorbeeld deskundigen.
6.4.5.
Dit oordeel van het Hof is temeer onbegrijpelijk nu — voortbordurend op hoofdstuk 5 supra — het Hof ten onrechte niet geoordeeld heeft of het besluitvormingsproces een andere afloop zou hebben kunnen gehad, waarbij het monster — in ieder geval als zichtmonster — mede in het licht van het voorgaande een al dan niet doorslaggevende rol zou kunnen spelen.
6.5. conclusie
6.5.1.
Het eindoordeel van het Hof, vervat in de laatste zinsnede van r.o. 6.17, inhoudende dat aan [X] geen onderzoeksmogelijkheden zijn onthouden als gevolg van de omstandigheid dat in 2003 verzuimd is aan de aangever een kennisgeving te doen dat de Inspecteur het niet nodig vond het monster nog langer te bewaren, is gezien het voorgaande, op zichzelf dan wel in samenhang gelezen, onvoldoende begrijpelijk c.q. onvoldoende gemotiveerd.
7. Cassatieklachten met betrekking tot de oordelen van het hof ten aanzien van het ‘ontzenuwen’ van de oorsprong
7.1. inleiding
7.1.1.
Het Hof heeft in r.o. 5.1 geoordeeld dat het geschil zich onder meer toe zou spitsen op de vraag of [X] het vermoeden dat de knoflook waarvan is opgegeven dat die van oorsprong Russisch is, vermoedelijk Chinees is, heeft ontzenuwd.
7.1.2.
Vervolgens heeft het Hof in r.o. 6.18 ten aanzien van deze vraag als volgt geoordeeld:
‘De Hoge Raad heeff in overweging 2.5.3.1 van het verwijzingsarrest geoordeeld dat de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat in de onderhavige gevallen de inspecteur voldoende aanwijzingen had dat de knoflook niet uit Rusland maar uit China afkomstig was, en op belanghebbende derhalve de last rust dit vermoeden te ontzenuwen. Het Hof acht belanghebbende daarin, in het licht van al hetgeen de inspecteur heeff overgelegd en aangevoerd, en mede gelet op het onder 6.17 gegeven oordeel, niet geslaagd. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat de onderhavige zendingen knoflook de oorsprong China hebben.’
7.2. een oniuiste vraagstelling van het hof
7.2.1.
Ten onrechte heeft het Hof in r.o. 5.1 geoordeeld dat het geschil zich onder meer toespitst op de vraag ‘of belanghebbende met betrekking tot de sub 3.2.2.1, 3.2.2.2 en 3.2.2.3 vermelde aangiften met aangegeven oorsprong Rusland het vermoeden, dat de op die aangiften vermelde zendingen knoflook de oorsprong China hebben, heeft ontzenuwd.’
7.2.2.
Uw Raad heeft in Uw arrest van 24 november 2017 in onderhavige kwestie inderdaad in r.o. 2.5.3.1 geoordeeld dat de stukken van het geding geen andere conclusie zouden toelaten dan dat in de onderhavige gevallen de Inspecteur voldoende aanwijzingen had dat de knoflook niet uit Rusland, maar uit China afkomstig was. Indien de Inspecteur een dergelijk vermoeden heeft, is het aan de belanghebbende om dat vermoeden te ontzenuwen, zoals Uw Raad oordeelde in die zelfde rechtsoverweging:
‘{.}, en op belanghebbende derhalve de last rust dit vermoeden te ontzenuwen.’
7.2.3.
Uw Raad heeft geoordeeld dat in dat verband het tweede cassatiemiddel van belang wordt, zijnde het cassatiemiddel dat betrekking heeft op de monstername,83.In dat kader heeft Uw Raad geoordeeld dat het (verwijzings)Hof dient te oordelen of er een verzuim van de Inspecteur is terzake de monstername en de vernietiging van het monster en zo ja, het Hof dient te oordelen of en zo ja, welke gevolgen daaraan verbonden zullen dienen te worden.
7.2.4.
Uw Raad heeft (dus) kort samengevat geoordeeld dat de monstername en de vernietiging van het monster relevant is, althans kan zijn, voor de vraag of [X] het vermoeden dat de knoflook afkomstig was uit China, heeft kunnen ontzenuwen.
7.2.5.
Uw Raad heeft (dus) geenszins geoordeeld dat het Hof dient vast te stellen of [X] het vermoeden dat de knoflook afkomstig is uit China ontzenuwd heeft. Uw Raad heeft louter — buiten het oordeel dat het Hof dient te bekijken of er een rechtvaardigingsgrond voor het niet doen horen van [X] voorhanden was en het Hof (mogelijk) dient te beoordelen of het besluitvormingsproces een andere afloop zou kunnen hebben gehad — geoordeeld dat het Hof dient c.q. diende te bekijken indien en voor zover het zonder kennisgeving daarvan vernietigen van het monster, gevolgen heeft gehad voor de mogelijkheid om tegenbewijs te leveren met welk tegenbewijs — welk bewijs overigens door alle middelen rechtens geleverd kon worden84. — het vermoeden van de Inspecteur ontzenuwd kon worden.85.
7.2.6.
Op grond van het voorgaande bevreemdt het [X] hoe het Hof tot de vraagstelling als geformuleerd in r.o. 5.1 is gekomen. De vraagstelling van het Hof is onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd. Dat geldt eveneens voor het zeer summiere antwoord op die vraagstelling, zoals vervat in r.o. 6.18.
7.3. het antwoord op de ten onrechte gestelde vraag
7.3.1.
[X] verwijst naar r.o. 6.18 van de in cassatie bestreden uitspraak, welke rechtsoverweging is geciteerd onder randnummer 7.1.2 supra. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende [X] niet geslaagd zou zijn het vermoeden dat de knoflook niet uit Rusland maar uit China kwam, te ontzenuwen, in het licht van al hetgeen de Inspecteur heeft overgelegd en aangevoerd, en mede gelet op het onder 6.17 gegeven oordeel.
7.3.2.
Het Hof heeft met uitsluitend deze zinsnede een onvoldoende begrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd gegeven, aangezien het Hof een oordeel heeft gegeven dat niet verifieerbaar is, nu niet duidelijk is gebleken waarom — indien en voor zover de vraagstelling al juist zou zijn — [X] geenszins voornoemd vermoeden zou hebben ontzenuwd.
7.3.3.
Indien en voor zover het Hof met dit oordeel bedoeld heeft te oordelen dat [X] het vermoeden niet heeft kunnen ontzenuwen, omdat met de vernietiging van het monster geen onderzoeksmogelijkheden verloren zouden zijn gegaan, kan dit oordeel niet in stand worden gelaten in het licht van al hetgeen onder hoofdstuk 6 supra is aangevoerd, hetgeen als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.
7.3.4.
Indien en voor zover het Hof met dit oordeel bedoeld heeft te oordelen dat [X] geen argumenten heeft aangevoerd die het vermoeden van de Inspecteur — welk vermoeden is gebaseerd op het overzichtsproces-verbaal van de FIOD — zouden ontzenuwen, is dit oordeel onvoldoende gemotiveerd en daardoor onvoldoende begrijpelijk, nu [X] juist allerlei stellingen heeft aangevoerd die het vermoeden van de Inspecteur in twijfel trekken, welke stellingen als essentiële stellingen aangemerkt kunnen worden, temeer nu dit eveneens stellingen betreffen die (onder meer) laten zien dat de Inspecteur de feiten voortvloeiende uit het overzichtsproces-verbaal86. op een andere wijze had moeten, althans kunnen, waarderen en interpreteren.. [X] verwijst in dat kader onder meer, doch niet uitsluitend maar wel in het bijzonder, naar hoofdstuk 11, in het bijzonder randnummer 11.20 en verder, van haar schriftelijke conclusie na cassatie en verwijzing.87.
8. Cassatieklachten met betrekking tot de oordelen van het Hof ten aanzien van de wetenschap van [X] van de beweerdelijk foutieve oorsprong
8.1. inleiding
8.1.1.
Uw Raad heeft geoordeeld dat de in het ‘eerste’ beroepschrift in cassatie ingestelde cassatieklacht die betrekking heeft op de wetenschap van [X] van de beweerdelijk foutieve oorsprong geen behandeling behoefde, hetgeen betekent dat de wetenschap van [X] nog altijd niet als vaststaand is aan te merken. De wetenschap van [X] is een cruciaal aspect in de onderhavige kwestie, aangezien voor het opleggen van de tweede UTB, waarmee een bedrag ad maar liefst€ 890.748,-- gepaard ging, de wetenschap van [X] een vereiste is.88.
8.1.2.
In dat kader merkt [X] volledigheidshalve op dat die wetenschap van [persoon A] sr. enkel cruciaal is, indien en voor zover vastgesteld zou worden dat de onjuiste oorsprong een gegeven is en — indien en voor zover voorgaande cassatieklachten slagen — geoordeeld zou worden dat [X] bij het wel doen horen van [X] haar verdedigingsrechten effectief ten uitvoer had kunnen leggen én het besluitvormingsproces ten aanzien van de oorsprong geen andere afloop zou kunnen hebben gehad. Immers, indien en voor zover geoordeeld zou worden dat het besluitvormingsproces ten aanzien van de oorsprong van de knoflook in kwestie een andere afloop zou hebben kunnen gehad, betekent dit dat de beweerdelijke wetenschap van [persoon A] sr. niet meer terzake doet, aangezien voor het opleggen van de tweede UTB zowel een onjuiste oorsprong als de wetenschap van [X] terzake vereisten waren.
8.1.3.
[X] gaat ervan uit dat dit ook de reden zal zijn geweest dat Uw Raad (eerder) de cassatieklacht terzake de wetenschap van [persoon A] sr. buiten behandeling heeft gelaten. Het ligt voor de hand dat Uw Raad opnieuw deze ‘wetenschapsklacht’ onbehandeld zal laten bij het laten slagen van (met name de eerste) (de) cassatieklachten zoals vervat in onderhavig beroepschrift, maar [X] wenst niet onnodig klachten prijs te geven.
8.2. oordeel hof
8.2.1.
In r.o. 6.19 tot en met 6.25 heeft het Hof geoordeeld dat [persoon A] sr. wetenschap zou hebben van de beweerdelijk onjuiste oorsprong. Het Hof is (dus) van oordeel dat [persoon A] sr. ten tijde van de gegevensverstrekking89. wist of redelijkerwijze had moeten weten dat hij foutieve gegevens doorgaf. De overwegingen die het Hof daaraan ten grondslag zijn gelegd komen — letterlijk (!) — overeen met de overwegingen van het Hof in zijn uitspraak van 3 november 2015.90. Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat de wetenschap van [persoon A] sr. aan [X] kan worden toegerekend.
8.2.2.
Waarom het Hof van oordeel is dat [persoon A] sr. wetenschap zou hebben van de beweerdelijk onjuiste oorsprong, staat vermeld in (met name) r.o. 6.21. De wetenschap van [persoon A] sr. wordt door het Hof met name afgeleid uit de verklaring van [persoon M], voormalig adjunct-directeur van [X]. [X] citeert:
‘Zoals aangehaald door de rechtbank onder 2.16.4 heeft [persoon M], voormalig adjunct-directeur van belanghebbende, op 15 september 2005 verklaard dat de door belanghebbende ingevoerde knoflook niet uit de aangegeven oorsprongslanden afkomstig was maar uit China, dat de knoflook werd aangekocht door [persoon A] sr. en dat [persoon A] sr. telkens een ander omleidingsland zocht. Het Hof hecht geloof aan deze verklaring, nu deze bevestiging vindt in diverse stukken van het geding, waaronder de door de rechtbank onder 2.3 (Turkije), 2.4 (Rusland), 2.5 (Turkije) en
2.10 (Egypte) aangehaalde gedingstukken. Al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ter verklaring van voormelde en andere belastende gedingstukken kan het Hof niet overtuigen.’
Eveneens heeft het Hof geoordeeld:
‘Het Hof volgt belanghebbende evenmin in haar stelling dat [persoon A] sr. juist zijn uiterste best heeft gedaan om er voor te zorgen dat de goederen daadwerkelijk van oorsprong waren uit het aangegeven oorsprongsland. Uit de stukken van het geding volgt enkel dat [persoon A] sr. zich heeft ingespannen om er voor te zorgen dat op papier alles in orde was (vgl. de door de rechtbank onder 2.6 en 2.8 aangehaalde gedingstukken.’
8.2.3.
[X] kan zich in het licht van de essentiële stellingen die zij in de procedure heeft aangevoerd, niet verenigen met het onvoldoende begrijpelijke en onvoldoende gemotiveerde oordeel van het Hof zoals hierboven weergegeven. Het Hof heeft niet verifieerbaar en onder meer daardoor onvoldoende begrijpelijk geoordeeld dat [persoon A] sr. wetenschap had van de beweerdelijk onjuiste oorsprong.
8.3. verklaring to/hoek bevestigd in gedingstukken?
8.3.1.
Het Hof heeft (dus) ten eerste geoordeeld dat [persoon M] verklaard heeft dat de knoflook niet uit de aangegeven oorsprongslanden afkomstig zou zijn maar uit China, de knoflook zou worden aangekocht door [persoon A] sr. én dat door [persoon A] sr. telkens een ander omleidingsland zou worden uitgezocht. Door het Hof wordt geloof aan die ver klaring gehecht, nu91. deze — aldus het Hof — bevestiging zou vinden in ‘diverse stukken van het geding’, waarbij het Hof verwezen heeft naar de gedingstukken zoals vermeld onder r.o. 2.3, 2.4, 2.5 en 2.10 van de uitspraak van de Rechtbank.
8.3.2.
Het oordeel van het Hof dat de verklaring van [persoon M] bevestiging vindt in diverse stukken van het geding, waarbij het Hof verwezen heeft naar de gedingstukken zoals vermeld onder r.o. 2.3, 2.4, 2.5 en 2.10 van de uitspraak van de Rechtbank, is onvoldoende begrijpelijk e n onvoldoende gemotiveerd en wel op grond van het navolgende.
Rechtsoverweging 2.3
8.3.3.
Het Hof heeft verwezen naar de gedingstukken zoals vermeld onder r.o. 2.3, 2.4, 2.5 en 2.10 van de uitspraak van de Rechtbank. In r.o. 2.3 van de uitspraak van de Rechtba nk wordt verwezen naar een faxbericht van 22 oktober 2001 van [persoon A] sr. aan [persoon B] met betrekking tot Turkse knoflook. [X] merkt op dat het oordeel van het Hof reeds onbegrijpelijk is, aangezien [X] niet kan volgen dat uit een faxbericht dat gaat over Turkse knoflook kan worden afgeleid dat [persoon A] sr. wetenschap had van een beweerdelijke foutieve oorsprong van de Russische knoflook.
8.3.4.
Indien en voor zover het Hof bedoeld zou hebben dat uit het in r.o. 2.392. genoemde faxbericht kan worden afgeleid dat de verklaring van [persoon M], inhoudende dat de knoflook niet uit de aangegeven oorsprongslanden afkomstig zou zijn maar uit China, de knoflook zou worden aangekocht door [persoon A] sr. én dat door [persoon A] sr. telkens een ander omleidingsland zou worden uitgezocht, is dit oordeel eveneens onvoldoende begrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd, aangezien dit faxbericht zo uitgelegd moet worden, althans ook zo uitgelegd kan worden, dat in Turkije knoflook van Chinese variëteit geteeld wordt die vervolgens — hetgeen is toegestaan — als Turkse knoflook verkocht werd, hetgeen meermaals door [X] en werknemers van [X], zoals [persoon O], verklaard is.93. Waar [persoon A] sr. (dus) in het faxbericht van 22 oktober 2011 spreekt over ‘Chinese garlic’ duidt dit op de knoflook van Chinese variëteit, hetgeen ook blijkt uit de faxberichten die worden genomen in r.o. 2.8 in de uitspraak van de Rechtbank (‘plant and pack it’).94.
Rechtsoverweging 2.4
8.3.5.
In r.o. 2.4 van de uitspraak van de Rechtbank wordt verwezen naar een faxbericht van 14 januari 2002 van [persoon A] sr. aan [persoon C], een faxbericht van 3 juni 2003 van [persoon A] sr. aan [persoon C] en een faxbericht van 24 juli 2003 van [persoon A] sr. aan [persoon C].
8.3.6.
Het Hof heeft onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd waarom de verklaring van [persoon M] steun zou vinden in onder meer de fax van 14 januari 2002 in het licht van de stellingen van [X] terzake voornoemd faxbericht, inhoudende dat de fax van 14 januari 2002 juist helemaal niet negatief voor [X] kan worden uitgelegd. [X] heeft terzake onder meer verklaard95. dat het logisch is dat zij eerst één container wil vervoeren, hetgeen terugslaat op Russische knoflook. Immers, het importeren van Russische knoflook was nieuw voor [X]. Met de bewoordingen ‘this routing’ verwijst [X] naar verscheping vanuit Rusland, aangezien zij veronderstelde dat verscheping vanuit Rusland zou plaatsvinden. Zo heeft [X] aangevoerd dat de door de Rechtbank aangehaalde fax van 14 januari 2002 terugslaat op een fax van 8 januari 200296. , welke fax niet is opgenomen door de Rechtbank (en overigens ook niet door de FIOD in het overzichtsproces-verbaal), waarbij [persoon C] een certificaat van oorsprong en fytosanitair certificaat van Russische afkomst heeft bijgevoegd. [X] citeert:
‘Good morning,
RE: Origin of Russian
Enclosed […] {.} trom Russian Federation.
Shipping port: Vladivostok
{.}
Best regards,
[persoon C]’
[X] heeft aangevoerd dat de eerste alinea van de fax van 14 januari 2002 betrekking heeft op de levering uit Rusland, waarop in de fax van 8 januari 2002 wordt gedoeld, hetgeen eveneens te gelden heeft voor de eerste zinsnede die door de Rechtbank wordt aangehaald, welke zinsnede geenszins verklaart er sprake is van een omleidingsland waarvan [persoon A] sr. zou weten.
8.3.7.
Over de tekst die ziet op Mongolië, en geenszins Rusland, heeft [X] verklaard dat [persoon A] sr. zich louter afvroeg — ‘What about this idea?’ — of oogsten in China en daarna sorteren en verpakken in Mongolië wellicht leidt tot een zodanige toereikende bewerking dat de oorsprong verandert, hetgeen geen vreemde gedachte is.97.
8.3.8.
In het licht van voornoemde stellingen heeft het Hof onbegrijpelijk, althans onvoldoende begrijpelijk, geoordeeld waarom uit de genoemde fax van 14 januari 2002 hetgeen [persoon M] heeft verklaard zou blijken.
8.3.9.
Het bovenstaande heeft eveneens te gelden voor het faxbericht van 3 juni 2003 en het faxbericht van 24 juli 2003. Uit het faxbericht van 3 juni 2003 kan geenszins de juistheid van de verklaring van [persoon M] worden afgeleid, nu in dit faxbericht niet meer staat dan dat [X] wenst dat de dozen vergezeld gaan met een sticker die luidt: ‘Produce of Russia’.
[X] heeft terzake dit faxbericht gesteld dat [X] juist wilde dat alles correct was, hetgeen door de Inspecteur ook is onderschreven, althans mogelijk is geacht, nu de Inspecteur zelf heeft gesteld dat ‘ook een andere lezing [van dit faxbericht] mogelijk is, en wel in die zin dat sprake is van juist en voorzichtig handelen door belanghebbende.’98. Het Hof heeft onvoldoende toegelicht waarom het Hof klaarblijkelijk wel vindt dat dit faxbericht in negatieve zin doorslaggevend is voor de wetenschap van [persoon A] sr.
8.3.10.
Datzelfde heeft te gelden voor het faxbericht van 24 juli 2003, waarin staat vermeld ‘I cannot be /ieve that transport by lorry trom Shandong to Vostochny is more than transport trom Vostochny to Amsterdam.’ [X] heeft terzake deze fax onder meer onbetwist aangevoerd dat deze fax in de context van andere ontwikkelingen geplaatst diende te worden. Ongeveer een maand voordien, in juni 2003, meldde [bedrijf BB] zich bij [persoon A] sr. met de mededeling dat [bedrijf BB] ook Russische knoflook kon offreren. In dat kader dient ook de fax zoals genoemd in r.o. 2.6 van de uitspraak van de Rechtbank gelezen te worden, waarover in het navolgende meer. Hierdoor kreeg [persoon A] sr. plotsklaps een commerciële troef in handen. Opslag door [bedrijf BB] vond kennelijk plaats in Shandong. Aan [persoon C] heeft [persoon A] sr. niet meer gevraagd dan om een berekening waarbij lokale trucking en handling kostenposten waren opgenomen die hij niet kon inschatten. [persoon A] sr. wilde zoveel mogelijk informatie vergaren over lokale kosten die van belang (kunnen) zijn voor de bepaling van een totaalprijs. [X] heeft in dat kader (eveneens) aangevoerd dat deze fax geenszins uit te staan heeft met de onderhavige Russische knoflook.99.
8.3.11.
In het licht van de gemotiveerde stellingen van [X] terzake alle faxberichten waarnaar het Hof verwezen heeft, waarbij door [X] eveneens andere ontlastende faxberichten zijn genoemd100. die ten onrechte niet eens, althans niet kenbaar, betrokken zijn bij de oordeelsvorming over de wetenschap van [persoon A] sr., is 's Hofs oordeel onbegrijpelijk dat de verklaring van [persoon M] — die nota bene later is herroepen — steun vindt in bovengenoemde gedingstukken.
Rechtsoverweging 2.5
8.3.12.
In r.o. 2.5 van de uitspraak van de Rechtbank wordt verwezen naar een faxbericht van 7 april 2003 van [persoon A] sr. aan [persoon D] van de firma [bedrijf AA], welke fax over de Turkse knoflook gaat.
8.3.13.
[X] merkt op dat het oordeel van het Hof reeds onbegrijpelijk is, aangezien [X] niet kan volgen dat uit een faxbericht dat gaat over Turkse knoflook kan worden afgeleid dat [persoon A] sr. wetenschap had van een beweerdelijke foutieve oorsprong van de Russische knoflook.
8.3.14.
Indien en voor zover het Hof bedoeld zou hebben dat uit het in r.o. 2.5101. genoemde faxbericht kan worden afgeleid dat [persoon M]s verklaring, inhoudende dat de knoflook niet uit de aangegeven oorsprongslanden afkomstig zou zijn maar uit China, de knoflook zou worden aangekocht door [persoon A] sr. én dat door [persoon A] sr. telkens een ander omleidingsland zou worden uitgezocht, is dit oordeel eveneens onvoldoende begrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd, aangezien dit faxbericht zo uitgelegd moet worden, althans ook zo uitgelegd kan worden, dat in Turkije knoflook van Chinese variëteit geteeld wordt die vervolgens — hetgeen is toegestaan — als Turkse knoflook verkocht werd, hetgeen meermaals door [X] en werknemers van [X], zoals [persoon O], verklaard is.102. Waar [persoon A] sr. (dus) in het faxbericht van 22 oktober 2011 spreekt over ‘Chinese garlic’ duidt dit op de knoflook van Chinese variëteit, hetgeen ook blijkt uit de faxberichten die worden genomen in r.o. 2.8 in de uitspraak van de Rechtbank (‘plant and pack it’).103.
Rechtsoverweging 2.10
8.3.15.
In r.o. 2.10 van de uitspraak van de Rechtbank wordt verwezen naar een faxbericht van 22april 2005 van [persoon A] sr. aan de firma [bedrijf DD], welk faxbericht betrekking heeft op Egyptische knoflook.
8.3.16.
[X] merkt op dat het oordeel van het Hof reeds onbegrijpelijk is, aangezien [X] niet kan volgen dat uit een faxbericht dat gaat over Egypte kan worden afgeleid dat [persoon A] sr. wetenschap had van een beweerdelijke foutieve oorsprong van de Russische knoflook.
8.3.17.
Indien en voor zover het Hof bedoeld zou hebben dat uit het in r.o. 2.10104. genoemde faxbericht kan worden afgeleid dat [persoon M]s verklaring, inhoudende dat de knoflook niet uit de aangegeven oorsprongslanden afkomstig zou zijn maar uit China, de knoflook zou worden aangekocht door [persoon A] sr. én dat door [persoon A] sr. telkens een ander omleidingsland zou worden uitgezocht, is dit oordeel eveneens onvoldoende begrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd, aangezien dit faxbericht zo uitgelegd moet worden, althans ook zo uitgelegd kan worden, dat in Egypte knoflook van Chinese variëteit geteeld wordt die vervolgens — hetgeen is toegestaan — als Egyptische knoflook verkocht werd. In dat kader verwijst [X] ook naar het faxbericht zoals door de Rechtbank genoemd in r.o. 2.11, welk faxbericht temeer maakt dat 's Hofs oordeel onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is.
8.3.18.
Van het voorgaande is de Douane ook overtuigd. [X] verwijst naar randnummer 11.22 van haar schriftelijke conclusie na cassatie en verwijzing, waarin zij het volgende heeft vermeld:
‘Daarbij zou [X] het verhaal met betrekking tot Egypte aan de orde hebben gebracht. [X] had een container met knoflook uit Egypte geïmporteerd, welke container fysiek gecontroleerd werd en vastgehouden werd. De reden: het betrof volgens de douane, geïnstrueerd door de FIOD, knoflook van Chinese oorsprong, en geen Egyptische knoflook. Tussenkomt van de Egyptische ambassade heeft ertoe geleid dat de douane ervan overtuigd is kunnen worden dat productie in Egypte van knoflook van de Chinese variëteit wel degelijk plaatsvindt105., welke productie al bestond in 1997, toen Egypte producent nr. 4 wereldwijd was.106.’
Nadat de container met Egyptische knoflook dus maandenlang — op basis van de redenering die ook is gevoerd terzake de oorsprong van de Russische (en Turkse) knoflook — door de douane is tegengehouden, is de container vrijgegeven omdat de oorsprong wél Egypte was. Alleen al daarom kan zonder motivering die volledig ontbreekt een faxbericht over Egyptische knoflook niet tot wetenschap van [persoon A] sr. van omleiding leiden, veeleer het tegendeel.
Koppeloordeel onvoldoende begrijpelijk
8.3.19.
Mede in het licht van het bovenstaande is ook 's Hofs oordeel dat geloof wordt gehecht aan de verklaring van [persoon M] onvoldoende begrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd. Immers, het Hof heeft in r.o. 6.21 geoordeeld dat geloof gehecht wordt aan deze verklaring, nu c.q. aangezien die verklaring bevestiging zou vinden in de bovengenoemde gedingstukken. Indien en voor zover laatstgenoemd oordeel onbegrijpelijk c.q. onvoldoende gemotiveerd is, is daarmee ook het ‘koppel’ oordeel van het Hof onbegrijpelijk, (dus) inhoudende dat geloof wordt gehecht aan de verklaring van [persoon M] (‘omdat’ het (onbegrijpelijkerwijs) bevestiging zou vinden in de gedingstukken).
8.3.20.
Indien en voor zover het Hof met zijn oordeel heeft bedoeld te oordelen dat de gedingstukken waarnaar verwezen wordt niet alle gedingstukken vormen waaruit de wetenschap van [persoon A] sr. zou kunnen worden afgeleid, aangezien het Hof het woord ‘waaronder’ heeft vermeld in r.o. 6.21, is het oordeel van het Hof temeer onbegrijpelijk, nu het Hof niet verifieerbaar heeft geoordeeld uit welke gedingstukken de wetenschap van [persoon A] sr. nog meer zou kunnen worden afgeleid, hetgeen mede in het licht van het voorgaande wel noodzakelijk was om tot een begrijpelijk en gemotiveerd oordeel te (kunnen) komen.
8.3.21.
Indien en voor zover het oordeel dat [persoon M]s (eerste) verklaring bevestiging vindt in diverse gedingstukken van het geding onbegrijpelijk c.q. onvoldoende gemotiveerd is, is daarmee dus ook 's Hofs oordeel dat er geloof wordt gehecht aan louter de verklaring van [persoon M] onbegrijpelijk, temeer nu het ‘fundament’ van het bewijs nooit opgehangen dient te c.q. kan worden aan slechts één getuigenverklaring, te meer niet nu het om slechts één getuigenverklaring gaat die een UTB van afgerond€ 900.000,-- zou rechtvaardigen, welke getuigenverklaring later ook nog eens is herroepen door [persoon M] zelf. [X] citeert hetgeen de Inspecteur heeft vermeld in de tweede pleitnota van 24 maart 2015:
‘Ik zal nooit het ‘fundament’ van een bewijs ophangen aan één getuigenverklaring. Uit het strafrecht weten we dat waarnemingen van getuigen heel subjectief zijn en ook sterk van elkaar kunnen afwijken. Een mens ziet niet altijd wat er is, maar hij ziet wat hij meent te zien. Pas, wanneer een verklaring past binnen het kader van overige bewijsmiddelen begint het waarde te verkrijgen.’107.
8.3.22.
De herroepen verklaring van [persoon M], zijnde de tweede verklaring, sprak c.q. spreekt boekdelen.108. [persoon M] heeft in die verklaring onder meer aangegeven dat hij zijn eerste verklaring — welke verklaring door het Hof voor ‘waar’ wordt aangenomen en welke verklaring steun zou vinden in bepaalde gedingstukken — herroept. [persoon M] heeft verklaard dat zijn verhoor dreigend van aard was. ‘Sterker nodig, het gesprek voorafgaand aan de bespreking van 15 september was van dien aard dat als ik niet zou meewerken, zij mij op zouden komen halen. Ze waren mijn naam ook tegen gekomen en zeiden dat ik behoorlijke problemen kon gaan krijgen. Volgens de FIOD was er namelijk gefraudeerd en omdat ik er volgens de FIOD van af wist zou ik mij ook bij de strafrechter moeten gaan verantwoorden.’ Eveneens heeft [persoon M] verklaard dat [FIOD-medewerker A] opsporingsambtenaar bij de FIOD, hem woorden in de mond heeft gelegd. Zo heeft hij bijvoorbeeld verklaard dat het niet waar is dat iedereen van het personeel wist dat het ging om Chinese knoflook en dat hij niets weet c.q. wist van de Russische knoflook.
8.3.23.
's Hofs oordeel dat geloof wordt gehecht aan de eerste verklaring van [persoon M] is daarmee onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd. R.o. 6.22 maakt dat niet anders, temeer niet nu het Hof onvoldoende begrijpelijk geoordeeld heeft waarom uit de verklaring van [FIOD-medewerker A], zijnde (ook nog eens) een opsporingsambtenaar in dienst van de FIOD, afgeleid kan worden dat louter [persoon M]s eerste verklaring, welke verklaring ook door de Inspecteur terecht niet als een feit wordt aangemerkt, maar louter wordt aangemerkt als een verklaring waarbij [persoon M] vanuit zijn eigen beleving heeft gesproken109. — voldoende bewijs zou zijn voor de (beweerdelijke) wetenschap van [persoon A] sr. waarmee een UTB van afgerond € 900.000,-- gepaard gaat, temeer nu die eerste verklaring (dus) is herroepen waaruit onder meer blijkt dat [FIOD-medewerker A] [persoon M] onder druk heeft gezet en (dus) ongemotiveerd is geoordeeld waarom louterde eerste verklaring van [persoon M] voor waar werd aangenomen.
8.3.24.
Daarbij komt ook nog eens dat het Hof ten onrechte (bijvoorbeeld) geen enkele aandacht heeft besteed aan het gedingstuk zoals opgenomen onder r.o. 2.16 van de uitspraak van de Rechtbank, zijnde een bericht van [bedrijf GG], zijnde de firma waar [X] de Russische knoflook van kocht, inhoudende dat [bedrijf GG] Russische knoflook verkocht en geen weet had van Chinese knoflook.
8.4. het hof is niet overtuigd?
8.4.1.
Het Hof heeft verder nog geoordeeld dat al hetgeen [X] heeft aangevoerd ter verklaring van voormelde ‘en andere belastende gedingstukken’ het Hof niet kan overtuigen. Dit oordeel van het Hof is onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. Zo heeft het Hof verwezen naar ‘andere belastende gedingstukken’, welke gedingstukken ten onrechte door het Hof niet zijn gespecificeerd. Ook heeft het Hof met voornoemd oordeel niet verifieerbaar geoordeeld waarom het van oordeel is dat ‘al hetgeen [X] heeft aangevoerd ter verklaring’ het Hof niet kan overtuigen, terwijl [X] toch wel een aantal essentiële stellingen heeft aangevoerd waarover het Hof een oordeel had moeten geven, bijvoorbeeld, doch zeker niet uitsluitend, de stelling dat [persoon A] sr. juist wilde dat alles correct verliep en een goede administratie wilde hanteren, nu [persoon A] sr. terzake de Russische knoflook oorsprongscertificaten heeft opgevraagd, welke zich bij de inval bevonden in de handelsdossiers van [X], terwijl die oorsprongscertificaten geenszins noodzakelijk en verplicht waren.110. Iemand die wetenschap zou hebben gehad van een foutieve oorsprong, zou géén valse certificaten in een handelsdossier laten zitten als die certificaten (dus) vals zijn en deze valse certificaten niet eens benodigd zijn c.q. waren om de knoflook in te voeren. Immers, dit brengt alleen maar extra kosten en moeite met zich.111.
8.4.2.
[X] heeft eveneens aangevoerd dat [X] juist graag wilde dat alles correct verliep, omdat zij eveneens de fytosanitaire certificaten heeft opgevraagd, welke certificaten eveneens niet eens verplicht waren en overigens later echt bleken te zijn, hetgeen het Hof ten onrechte niet in zijn besluitvorming heeft meegenomen.112. En zo heeft [X] ook nog (bijvoorbeeld) aangevoerd dat [X] geen gebruik maakte van facturen van [exporteur 1] en [exporteur 2], hetgeen de FIOD zelf als opmerkelijk — en dus ontlastend — heeft aangemerkt en derhalve [X] twee keer zo veel betaald heeft voor de Russische knoflook vergeleken met Chinese knoflook, hetgeen dubieus zou zijn als [persoon A] sr. een smokkelaar zou zijn.113.
8.4.3.
Indien en voor zover het Hof hiermee bedoeld heeft te oordelen dat alle stellingen zoals door [X] vervat in onder meer, doch zeker niet uitsluitend, haar schriftelijke conclusie na cassatie en haar pleitnota ten behoeve van de zitting van 22 januari 2019, is het oordeel onbegrijpelijk, aangezien het Hof niet heeft vermeld waarom die — essentiële — stellingen het Hof niet hebben overtuigd.
8.5. op papier alles in orde?
8.5.1.
In het licht van het voorgaande is eveneens het oordeel van het Hof inhoudende dat [persoon A] sr. ‘Juist zijn uiterste best heeft gedaan om er voor te zorgen dat de goederen daadwerkelijk van oorsprong waren uit het aangegeven oorsprongsland’ onbegrijpelijk, alsmede 's Hofs oordeel dat uit de stukken van het geding enkel — sic (!) — zou volgen dat [persoon A] sr. zich heeft ingespannen om ervoor te zorgen dat op papier alles in orde was, waarbij het Hof verwezen heeft naar de gedingstukken zoals vermeld in r.o. 2.6 en 2.8 van de uitspraak van de Rechtbank.
8.5.2.
[X] merkt op dat laatstgenoemd oordeel van het Hof onvoldoende begrijpelijk is, aangezien dit oordeel van het Hof volstrekt tegenstrijdig is met het eerdere oordeel van het Hof dat uit de gedingstukken (juist) zou kunnen worden afgeleid dat de verklaring van [persoon M] juist is, inhoudende dat de knoflook niet uit de aangegeven oorsprongslanden afkomstig was maar uit China, de knoflook werd aangekocht door [persoon A] sr. en dat [persoon A] sr. telkens een ander omleidingsland uitzocht.
8.5.3.
Eveneens is het oordeel van het Hof onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd vanwege het navolgende. In r.o. 2.6 wordt verwezen naar een faxbericht van 19 juni 2003 van [persoon A] sr. aan de firma [bedrijf BB], ook wel aangeduid als de ‘But it got to be correct"fax. Het oordeel van het Hof dat uit dit gedingstuk enkel zou volgen dat [persoon A] sr. zich heeft ingespannen om ervoor te zorgen dat op papier alles in orde was, is (volstrekt) onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd in het licht van onder meer de stelling van [X] dat die fax (onder meer) zo moet worden uitgelegd dat [persoon A] sr. wellicht geïnteresseerd is in Russische Knoflook maar dat gewoonweg alles correct moest zijn, en derhalve een aantal eisen heeft gesteld.114. Dit oordeel van het Hof is temeer onbegrijpelijk, nu ook de Inspecteur erkend heeft dat de fax zo gelezen kan worden dat [persoon A] sr. alleen maar correct wilde handelen, gezien de uitdrukkelijk ‘But it got to be correct’115. Het Hof heeft onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd waarom uit voornoemd faxbericht dan (dus) maar zou blijken dat [persoon A] sr. enkel ervoor zorgde dat op papier alles in orde was.
8.5.4.
Datzelfde heeft te gelden voor de gedingstukken zoals vermeld onder r.o. 2.8 in de uitspraak van de Rechtbank, nu in deze faxberichten niet meer staat vermeld — hetgeen ook correct is — dat knoflook van Chinese variëteit vanuit China naar Turkije kan worden geïmporteerd en daar geplant en verpakt kan worden. Geenszins blijkt uit die faxberichten dat [persoon A] sr. er enkel voor gezorgd heeft dat op papier alles in orde was.
8.5.5.
[X] diende er juist zorg voor te dragen dat ook op papier alles in orde was. Ten onrechte wordt zulks nu als argument contra gebezigd door het Hof.
8.6. conclusie
8.6.1.
Op grond van het bovenstaande, op zichzelf en in onderling samenhang bezien, kan ook het onvoldoende begrijpelijke en onvoldoende gemotiveerde oordeel van het Hof terzake de beweerdelijke wetenschap van [persoon A] sr. niet in stand blijven.
9. Cassatieklacht met betrekking tot voortbouwende overwegingen en beslissingen
9.1.
Het slagen van een of meer cassatieklachten leidt ook tot vernietiging van daarop voortbouwende overwegingen zoals bijvoorbeeld r.o. 6.19, r.o. 6.23, r.o. 6.24, r.o. 6.25 en r.o. 6.26.
10. In het geval cassatie slaagt en uw raad de zaak niet zelf zou afdoen: verzoek tot andere samenstelling van de zetel
10.1.
De eerste (inmiddels) gecasseerde uitspraak van 3 november 2015 in onderhavige zaak is gewezen door mrs. B.A. van Brummelen als voorzitter van de Douanekamer, E. Polak en C.J. Hummel in tegenwoordigheid van mr. C. Lambeck als griffier.
10.2.
Toen Uw Raad die uitspraak casseerde en een nieuwe behandeling van de zaak diende plaats te vinden bij — logischerwijze — die zelfde Douanekamer, heeft [X] het Hof uitdrukkelijk verzocht om een volledig andere samenstelling van de zetel. [X] stelde zich namelijk uitdrukkelijk op het standpunt dat de objectiviteit gewaarborgd diende te blijven. In de praktijk komt naar voren dat de uitkomst na vernietiging en verwijzing — als er sprake is van dezelfde rechter — in veel gevallen toch weer vanuit het oude perspectief wordt beoordeeld, althans dat die mogelijkheid bestaat, althans zulks niet uit te sluiten valt. Een zelfde samenstelling van rechters zou aldus [X] niet in lijn liggen met onafhankelijke rechtspraak en het vertrouwen in de rechtspraak dat in Nederland nagestreefd wordt. Bij dit uitdrukkelijke verzoek verwees [X] naar een artikel van mr. C. Drion d.d. 27 maart 2018 in het NJB116., waarin staat vermeld:
‘Belandt de zaak dan weer op het bordje van precies dezelfde rechters die eerder hun eigen kijk op de zaak hadden, dan lijkt het niet steeds eenvoudig voor hen om tot een ander perspectief te komen vanwege het enkele feit dat de hogere rechter er anders over oordeelde. Is dat het geval, dan wordt de uitkomst na vernietiging en verwijzing soms toch weer vanuit het oude perspectief beoordeeld. Dat is voor de partij die bij de hogere rechter succesvol was, maar de zaak aldus alsnog verliest, een niet eenvoudig te verteren zaak. Niet steeds zal het in dat soort kwesties mogelijk zijn om in een tweede appel (of cassatie) wederom tot een paradigmawisseling te komen. Een partij die aldus alsnog het lid op de neus krijgt, heeft soms het gevoel dat het beter zou zijn geweest indien de zaak, na vernietiging en verwijzing, niet door de (grotendeels) oorspronkelijke formatie zou worden (her)beoordeeld, maar door een nieuw samen te stellen formatie. De Hoge Raad zorgt hier al sinds jaar en dag voor door in beginsel standaard te verwijzen naar een andere rechter (zie voor de mogelijkheid art. 423 Rv).
Vanuit het perspectief dat het recht er niet alleen voor is om de winnaar in een procedure gelijk te geven, maar dat het evenzeer van belang is dat de verliezer zich (steeds fris) gehoord heeft gevoeld, zou ik ervoor willen pleiten dat rechters, als uitgangspunt, in dit soort zaken na verwijzing (of bij tweede cassatie) in een geheel nieuwe samenstelling oordelen. Het moge voor zich spreken dat zo'n nieuwe samenstelling niet per se het paradigma van de andere rechter behoeft te accepteren, zulks vloeit nu eenmaal voort uit ons beginsel van de onafhankelijke rechterlijke oordeelsvorming, maar een nieuwe formatie zou de schijn van vooringenomenheid, van een misschien niet echt frisse blik, vermijden. Hoe moet dan worden tewerk gegaan? Eenvoudig, zou ik menen, door steeds na vernietiging en verwijzing mogelijk te maken dat partijen zich uitlaten over de vraag of een andere samenstelling wenselijk is en door als uitgangspunt te hanteren dat een nieuwe formatie aangewezen is als een der partijen dat gemotiveerd bepleit.’
10.3.
Het Hof heeft dit verzoek telefonisch gehonoreerd. In eerste instantie heeft het Hof de gemachtigden van [X] medegedeeld dat de rechters die de zaak behandeld hebben, niet opnieuw bij de zaak betrokken zouden worden. Echter, enige tijd later is gemachtigden medegedeeld dat het ‘planningtechnisch’ niet mogelijk zou zijn om alle raadsheren te vervangen. Het Hof heeft toen te kennen gegeven dat één van de voormalig raadsheren betrokken zou blijven, maar in ieder geval zou de toenmalige voorzitter, mr. Van Brummelen, niet meer betrokken worden bij de (nieuwe) behandeling van de zaak.
10.4.
Derhalve was [X] zeer verbaasd toen zij van mr. Lambeck — griffier — te horen kreeg dat de zitting was bepaald op 22 januari 2019 en dat de zaak behandeld zou worden door mrs. H.E. Kostense, A. Bijlsma én … B.A. van Brummelen. [X] heeft haar ongenoegen uitgesproken over deze gang van zaken. Zo heeft [X] onder meer een beroep gedaan op artikel 8:19 Awb en heeft [X] mr. Van Brummelen verzocht om zich conform voornoemd artikel te verschonen, nu sprake is van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het antwoord van het Hof was helaas negatief, nu mr. Van Brummelen geen aanleiding zag om zich te verschonen. Het Hof heeft zijn beslissing nader gemotiveerd in rechtsoverweging 6.1 tot en met 6.6 van de bestreden uitspraak.
10.5.
Indien en voor zover Uw Raad de uitspraak van het Hof zou casseren en Uw Raad de zaak niet zelf volledig af zou doen, wenst [X] met name uit het oogpunt van een behoorlijke rechtspleging een volledig nieuwe samenstelling van de zetel, inhoudende dat er geen enkele raadsheer betrokken zal worden bij de (nieuwe) behandeling die reeds betrokken is geweest bij de procedure.117. In ieder geval wenst [X] een samenstelling zonder mr. Van Brummelen, aangezien mr. Van Brummelen reeds twee keer betrokken is geweest bij de behandeling van de zaak en de ‘tweede’ uitspraak op sommige punten een letterlijke kopie bevat van de ‘eerste’ uitspraak, hetgeen [X] het gevoel geeft dat deze zaak niet vanuit een objectieve bril is behandeld.
11. Conclusie / zaak zelf afdoen
11.1.
[X] vordert op grond van dit middel en de daaraan ten grondslag liggende klachten de al dan niet gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak van het Hof Amsterdam van 21 mei 2019 met kenmerk 18/00102 tot en met 18/00105, met zodanige verdere beslissing, mede ten aanzien van de kosten, als Uw Raad juist zal achten.
11.2.
[X] vordert voorts dat de toe te wijzen proceskostenvergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van het arrest van de Uw Raad.
11.3.
Tot slot verzoekt [X] Uw Raad om indien en voor zover het cassatieberoep van [X] al dan niet gedeeltelijk slaagt en de uitspraak van het Hof als gevolg daarvan al dan niet gedeeltelijk vernietigd wordt, de zaak — uiteraard indien en voor zover mogelijk en al dan niet gedeeltelijk — zelf af te doen. Indien en voor zover dit niet mogelijk is, verzoekt [X] Uw Raad om te oordelen dat een volledig nieuwe samenstelling van de Douanekamer vereist is, en verzoekt [X] Uw Raad om zeer duidelijke instructies te geven aan de (zelfde) Douanekamer.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 26‑06‑2020
maar gezien de omvang van het geding zeker niet volledig c.q. uitputtend.
[X] verwijst in het bijzonder naar randnummer 3.1 van haar schriftelijke conclusie na cassatie en verwijzing, in het navolgende aangeduid als ‘SCnCV’.
[X] merkt op dat in het eerder gewezen arrest door Uw Raad door Uw Raad is vermeld dat er ten behoeve van [X] in de periode 18 december 2002 tot en met 26 februari 2003 twaalf aangiften ten invoer zijn gedaan. [X] verwijst naar r.o. 2.1.1. In randnummers 3.3.e.v.-SCnCV heeft [X] reeds uiteengezet dat voornoemde datum van 26 februari 2003 een kennelijke verschrijving van Uw Raad betreft,
Vgl. o.a. randnummer 3.2-SCnCV
Randnummer 3.5- SCnCV.
Randnummer 2.6- SCnCV.
O.a. randnummer 3.16-SCnCV.
Randnummer 3.17-SCnCV.
Vgl. r.o. 6.14 van de in cassatie bestreden uitspraak en randnummer 3.2. van het ‘eerste’ beroepschrift in cassatie, zijnde het beroepschrift dat het arrest van Uw Raad heeft uitgelokt.
[X] verwijst onder meer naar r.o. 3.2.2.1 van de uitspraak van het Hof.
Vgl. r.o. 2.5.3.3, tweede alinea, van het arrest van Uw Raad d.d. 24 november 2017.
[X] verwijst in het bijzonder naar randnummers 3.8 tot en met 3.14- SCnCV.
Randnummer 3.21-SCnCV.
O.a. randnummer 3.18 en 3.19-SCnCV.
Dat betekent echter niet dat [X] zich kan verenigen met de ‘Turkse UTB’ ter hoogte van € 254.443,30. [X] kan louter het oordeel van het vorige Hof terzake deze Turkse UTB niet meer aantasten, gelet op de eerste uitspraak van Uw Raad in onderhavige kwestie.
Randnummer 4.1 e.v.-SCnCV.
O.a. randnummer 4.2-SCnCV en pagina 14 van de conclusie van dupliek d.d. 24 oktober 2013 van de Inspecteur waarin staat vermeld: ‘Overigens merk ik op dat ‘het hoorgesprek’ niet heeft plaatsgevonden in de bezwaarprocedure{.}’.
O.a. randnummer 4.10-SCnCV.
Nr. 15/05787.
Randnummer 4.15-SCnCV en r.o. 5.5.1 van de uitspraak van het Hof in dit hoger beroep d.d. 3 november 2015.
Vgl. in het bijzonder r.o. 2.2.1 tot en met 2.3.3 van het arrest van Uw Raad d.d. 24 november 2017.
Vgl. in het bijzonder r.o. 2.5.3.3 e.v. van het arrest van Uw Raad d.d. 24 november 2017. [X] spreekt van ‘monster’ en niet van ‘monsters’, aangezien Uw Raad louter doelde op het monster van de ‘Russische knoflook’. Het monster van de ‘Turkse knoflook’ doet niet meer terzake, aangezien Uw Raad geoordeeld heeft dat het cassatiemiddel van [X] dat betrekking heeft op de ‘Turkse knoflook’ niet kon slagen.
De Hoge Raad spreekt van ‘had kunnen hebben’. Echter, de jurisprudentie waarnaar de Hoge Raad verwijst spreekt over ‘zou kunnen hebben gehad’, reden waarom [X] aanhaakt bij de jurisprudentie waarnaar de Hoge Raad verwezen heeft, aangezien de zinsnede ‘zou kunnen hebben gehad’ ook door [X] in een eerder stadium is aangehaald, bijvoorbeeld, doch zeker niet uitsluitend, in haar cassatieberoepschrift.
Randnummer 4.21-SCnCV en voetnoot 40.
Vgl. stap (i) van de beslisboom.
Vgl. stap (ii) van de beslisboom.
Vgl. stap (iii) van de beslisboom.
Vgl. stap (iv) van de beslisboom.
Vgl. r.o. 2.3.2 van het arrest van Uw Raad d.d. 24 november 2017.
R.o. 6.10 van de in dit cassatieberoep bestreden uitspraak.
Vgl. o.a. randnummer 7.2 van de pleitnota ten behoeve van de mondelinge behandeling op 22 januari 2019 en randnummer 4.3-SCnCV. Eveneens pagina 33 van het verweerschrift in hoger beroep d.d. 29 november 2012.
Vgl. r.o. 2.8.1 van het arrest van Uw Raad.
R.o. 2.3.2 van het arrest van Uw Raad.
R.o. 2.3.2 van het arrest van Uw Raad.
Vgl. de ‘eerste’ uitspraak van het Hof in de onderhavige zaak.
Vgl. r.o. 6.13 van de in cassatie bestreden uitspraak.
R.o. 6.9 van de in cassatie bestreden uitspraak.
Vgl. artikel 424 Rv: ‘De rechter, naar wie het geding is verwezen, zet de behandeling daarvan voort en beslist met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad.’
Zijnde in dit geval het zelfde Hof.
De zogenoemde fixatieregel. Vgl. randnummer 2.3-SCnCV.
Vgl. pagina 2 van de pleitnota van de Inspecteur d.d. 22 januari 2019.
R.o. 6.12 van de in cassatie bestreden uitspraak, laatste zinsnede.
Vgl. r.o. 6.9 van de in cassatie bestreden uitspraak.
ECLl:NL:HR:2015:1809, r.o. 2.6.3.
ECLl:NL:HR:2015:2161, r.o. 2.6.4: ‘Het niet vooraf horen van een bestuurder bij een aansprakelijkstelling op de voet van artikel 36 van de Wet wordt echter niet gerechtvaardigd door — kort gezegd — het in het algemeen bestaande belang van de ontvanger bij invordering van een belastingschuld. Een en ander moet worden gerechtvaardigd door omstandigheden die in het individuele geval daartoe noopten.’
Vgl. ook punt 3.4 en verder uit de conclusie van A-G mr. Ettema van 4 juni 2019 inzake nrs. 18/01694, 18/01696 en 18/03982.
Vgl. in dit kader ook de conclusie van A-G mr. Ettema van 4 juni 2019 inzake nrs. 18/01694, 18/01696 en 18/0398, in het bijzonder hoofdstuk 3 en randnummer 3.9.
Vgl. bijvoorbeeld F./Commissie, ECLl:EU:T:2000:153. Vgl. ook het zeer recente arrest van het Gerecht d.d. 10 januari 2019, ECLl:EU:T:2019:1. Vgl. in dit kader ook de conclusie van A-G mr. Ettema van 4 juni 2019 inzake nrs. 18/01694, 18/01696 en 18/0398, in het bijzonder hoofdstuk 4.
HvJ (Grote Kamer), 18 juli 2013, gevoegde zaken C-584/10 P, C-593/10 Pen C-595/10 P.
Vgl. in dit kader ook de conclusie van A-G mr. Ettema van 4 juni 2019 inzake nrs. 18/01694, 18/01696 en 18/0398, in het bijzonder hoofdstuk 7 en randnummer 7.9.
O.a. randnummer 4.2-SCnCV en pagina 14 van de conclusie van dupliek d.d. 24 oktober 2013 van de Inspecteur waarin staat vermeld: ‘Overigens merk ik op dat ‘het hoorgesprek’ niet heeft plaatsgevonden in de bezwaarprocedure{.}’.
Punt 57.
[X] verwijst naar r.o. 5.5.4 van de uitspraak van 3 november 2015 in onderhavige kwestie.
Vgl. overweging 59 van Prequ' ltalia en r.o. 6.9 van de in cassatie bestreden uitspraak.
Terwijl het horen van de belanghebbende voorafgaand aan het uitreiken van een UTB juist een groot belang dient. Het belang van het voorafgaand horen van een belanghebbende is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 6 van de schriftelijke conclusie na cassatie en verwijzing. [X] verwijst volledigheidshalve naar de stellingen die aldaar opgenomen zijn.
Vgl. randnummer 4.10-SCnCV en r.o. 4.6.1 van de uitspraak van de Rechtbank d.d. 24 februari 2012.
Vgl. randnummer 6.1-SCnCV.
Vgl. bijv. ECLl:NL:HR:2017:384, r.o. 2.2.3.
Vgl. ook de noot van de Redactie Vakstudie Nieuws onder het arrest van Uw Raad, V -N 2-17/58.3, waarin staat vermeld: ‘Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU kan worden afgeleid dat geen sprake mag zijn van het (nagenoeg) onmogelijk maken van een beginsel in brede zin. Vrij vertaald, betekent dit dat beperkingen op grond van individuele feiten en omstandigheden kunnen zijn gerechtvaardigd en categoriale uitsluitingen in principe niet.’ En: Het accepteren van het algemene invorderingsbelang als gerechtvaardigde beperkingsgrond heeft immers tot gevolg dat in alle invorderingszaken het horen in de fase van het voornemen kan worden beperkt en daardoor de wezenlijke inhoud van het verdedigingsbeginsel in de kern wordt aangetast.’
Vgl. randnummer 11.1 van de pleitnota ten behoeve van de zitting die op 22 januari 2019 bij het Hof heeft plaatsgevonden.
Vgl. r.o. 2.8.1 van het arrest van Uw Raad.
Vgl. pagina 2 van de pleitnota van de Inspecteur d.d. 22 januari 2019.
Vgl. o.a. randnummer 10.11-SCnCV.
Vgl. ook o.a. randnummer 10.12-SCnCV.
Vgl. randnummer 1.4 van het bezwaarschrift van [X].
Vgl. randnummer 9.3-SCnCV en hoofdstuk 10-SCnCV.
Omdat het Hof (dus) geoordeeld heeft dat het niet hoeft te beoordelen het besluitvormingsproces een andere afloop zou kunnen hebben gehad.
[X] verwijst uitdrukkelijk naar hoofdstuk 10 van haar schriftelijke conclusie na cassatie en verwijzing. Eveneens naar randnummers 13.6 tot en met 13.14 van haar pleitnota d.d. 22 januari 2019.
Vgl. randnummer 10.16 e.v.-SCnCV. Vgl. eveneens randnummer 12.1-SCnCV.
Vgl. o.a. randnummer 9.10-SCnCV. Zo ook randnummer 11.4-SCnCV.
R.o. 5.2.3.3, laatste alinea van het arrest van Uw Raad.
Vgl. de laatste zinsnede van r.o. 6.14 van de in cassatie bestreden uitspraak.
Vgl. de volledige tekst van het tweede cassatiemiddel zoals opgenomen in het beroepschrift in cassatie van [X].
Zo ook op pagina 20 van het beroepschrift in cassatie.
[X] verwijst onder meer, doch niet uitsluitend, naar randnummer 13.13 en 13.15 en van haar schriftelijke conclusie na cassatie.
Hetgeen voldoende is. aangezien er louter twijfel gezaaid hoeft te worden over het vermoeden van de Inspecteur.
Vgl. bijvoorbeeld randnummer 11.64 van de schriftelijke conclusie na cassatie. Vgl. eveneens randnummer 11.67 van de schriftelijke conclusie na cassatie.
Vgl. randnummer 11.64-SCnCV en voetnoot 118 incl. AH-002, randnummer 3.10 waarin staat vermeld dat de FIOD enkel een aantal importeurs/handelaren in Chinese knoflook bezocht heeft. Daarbij speelt dus ook nog eens dat de FIOD louter importeurs/handelaren in Chinese knoflook heeft bezocht en dus (te) sturend te werk is gegaan. Vgl. randnummer 11.64 -SCnCV.
Vgl. ook pagina 26 van 3-OPV. Zo ook randnummer 11.61-SCnCV en pagina 13 van 3-OPV.
[X] verwijst naar onder meer 3-OPV, pagina 13 en naar randnummer 11.61 van haar schriftelijke conclusie na cassatie en verwijzing. Zo hebben de heren R. Cervati en M. Cervati verklaard dat de knoflook die hen via (enkel) foto's werd getoond op Chinese knoflook lijkt.
[X] verwijst naar r.o. 5.6.3 van 's Hofs ‘eerste’ uitspraak in onderhavige kwestie d.d. 3 november 2015.
Vgl. de laatste zinsnede van r.o. 2.5.3.1: ‘Aangezien de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat in de onderhavige gevallen de Inspecteur voldoende aanwijzingen had dat de knoflook niet uit Rusland maar uit China afkomstig was, en op belanghebbende derhalve de last rust dit vermoeden te ontzenuwen, wordt in dit verband van belang hetgeen middel Il aanvoert.’
Vgl. randnummer 6.4.4 supra.
Vgl. r.o. 2.8.2, laatste alinea, van het arrest van Uw Raad d.d. 24 november 2017.
Waarop de UTB's (louter) gebaseerd zijn.
Weliswaar zijn die stellingen aangevoerd in het kader van de vraag of het besluitvormingsproces een andere afloop zou kunnen hebben gehad, hetgeen ook logisch is nu Uw Raad daarover een oordeel heeft gegeven, maar dat neemt niet weg dat die stellingen ook relevant zijn voor het ontzenuwen van het vermoeden dat de knoflook afkomstig was uit China.
Vgl. o.a. randnummer 3.4, 5.2 en 13.18 van de pleitnota ten behoeve van de zitting die op 22 januari 2019 bij het Hof heeft plaatsgevonden.
Vgl. randnummer 4.8-SCnCV.
R.o. 6.21 in de uitspraak van 21 mei 2019 is een letterlijke kopie van r.o. 5.7.3 in de uitspraak van 3 november 2015. R.o. 6.22 komt volledig overeen met r.o. 5.7.4. R.o. 6.23 is een letterlijke kopie van r.o. 5.7.5 R.o. 6.24 is (bijna) een letterlijke kopie van r.o. 5.7.6.
Lees: aangezien.
Dus r.o. 2.3 in de uitspraak van de Rechtbank.
Vgl.o.a.randnummer 11.109-SCnCV. Vgl.eveneens randnummer 40 vande pleitnota van [X] d.d. 24 maart 2015.
Vgl. ook pagina 12 en voetnoot 13 van de conclusie van repliek van [X] d.d. 14 juni 2013.
[X] verwijst in het bijzonder naar randnummer 11.49 e.v.-SCnCV.
Welke fax is overgelegd bij het schrijven van […] aan […] d.d. 17 december 2013.
Vgl. randnummer 11.50-SCnCV en pagina 28 van het 10 dagen stuk d.d. 13 maart 2015.
Vgl. randnummer 11.102-SCnCV en conclusie van dupliek d.d. 24 oktober 2013, pagina 5 onder d).
Vgl. o.a. randnummer 11.53 tot en met 11.55-SCnCV.
Vgl.o.a. randnummer 11.103 en 11.104-SCnCV.
Dus r.o. 2.5 in de uitspraak van de Rechtbank.
Vgl. o.a. randnummer 11.109-SCnCV. Vgl. eveneens randnummer 42 van de pleitnota van [X] d.d. 24 maart 2015.
Vgl. ook pagina 12 en voetnoot 13 van de conclusie van repliek van [X] d.d. 14 juni 2013.
Dus r.o. 2.10 in de uitspraak van de Rechtbank.
Bijlagen 36 en 37.
Bijlage 30. Vgl. 10 dagen stuk d.d. 27 januari 2012, pagina 19.
Vgl. ook randnummer 11.85-SCnCV en voetnoot 122 aldaar.
Bijlage 136.
Vgl. o.a. randnummer 11.85-SCnCV en voetnoot 123-SCnCV.
Vgl. o.a. randnummer 11.99-SCnCV.
Vgl. o.a. randnummer 11.99-SCnCV.
Vgl. o.a. randnummers 11.97-11.104-SCnCV en randnummer 13.26, vierde gedachtestreepje, van de pleitnota d.d. 22 januari 2019.
Vgl. randnummer 13.26 laatste gedachtestreepje van de pleitnota d.d. 22 januari 2019, alsmede pagina 25 van 0-OPV.
Vgl. o.a. randnummer 11.101-SCnCV.
Vgl.randnummer 11.101-SCnCV enhet verweerschriftinhoger beroep d.d.29november 2012, pagina 6.
NJB 2018/636, afl. 13.
Vgl. ECLl:NL:HR:2019:164, waarin Uw Raad oordeelde dat uit oogpunt van een behoorlijke rechtspleging het hof de zaak na verwijzing moet behandelen en beslissen in een volledig anderesamenstelling, dat wil zeggen zonder raadsheren die bij de eerste of de tweede uitspraak betrokken zijn geweest.
Uitspraak 26‑06‑2020
Inhoudsindicatie
Douanerechten; Unierechtelijke verdedigingsbeginsel; rechtvaardiging voor het afzien van horen?; toetsing naar de specifieke omstandigheden van elk geval; andere afloop.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/03226
Datum 26 juni 2020
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 21 mei 2019, nrs. 18/00102 tot en met 18/00105, betreffende aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van douanerechten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Het eerste geding in cassatie
De uitspraak van het Hof is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 24 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2980 (hierna: het verwijzingsarrest), vernietigd, met verwijzing van het geding naar hetzelfde gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
2. Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1
Na verwijzing was voor het Hof in geschil of de Inspecteur bij het uitreiken van de in geding zijnde uitnodigingen tot betaling het Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging (hierna: het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel) heeft geschonden.
3.2.1
Het Hof heeft vooropgesteld dat volgens de verwijzingsopdracht in de eerste plaats diende te worden onderzocht of omstandigheden aanwezig zijn geweest die kunnen rechtvaardigen dat belanghebbende niet voorafgaand aan het uitreiken van de uitnodigingen tot betaling in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord en, zo dit het geval is, of vaststaat dat voldoende waarborgen bestaan voor opschorting van de tenuitvoerlegging van de uitnodigingen tot betaling.
3.2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat het voor de uitvoering van deze verwijzingsopdracht niet hoeft te treden in de door de Inspecteur na verwijzing aangevoerde rechtvaardigingsgronden om belanghebbende niet vooraf te horen. Daartoe heeft het Hof het na het verwijzingsarrest verschenen arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 20 december 2017, Prequ’ Italia Srl1.(hierna: het arrest Prequ’ Italia), van belang geacht. Uit dit arrest heeft het Hof afgeleid dat wat betreft het geven van een (bezwarende) douanebeschikking het algemeen belang van de Unie en in het bijzonder het belang dat de Unie heeft bij de snelle inning van haar eigen middelen, rechtvaardigen dat niet vooraf wordt gehoord, als maar vaststaat dat de nationale bepalingen ter uitvoering van de in artikel 244, tweede alinea, van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW) vastgelegde voorwaarden voor opschorting van de tenuitvoerlegging van (bezwarende) douanebeschikkingen niet eng worden toegepast of uitgelegd. Dit geldt dus onverkort ook voor de in geding zijnde uitnodigingen tot betaling, aldus het Hof. Voor die uitnodigingen tot betaling is voorzien in een adequate waarborg voor opschorting van de tenuitvoerlegging zodat gerechtvaardigd was dat de Inspecteur belanghebbende niet heeft gehoord voorafgaand aan het uitreiken van de uitnodigingen tot betaling, aldus nog steeds het Hof.Het voorgaande brengt naar het oordeel van het Hof mee dat ookniet hoeft te worden beoordeeld of het besluitvormingsproces van de Inspecteur met betrekking tot het uitreiken van de uitnodigingen tot betaling een andere afloop had kunnen hebben.
3.3
Het middel is onder meer gericht tegen de hiervoor in 3.2.2, eerste alinea, weergegeven oordelen van het Hof. Het betoogt dat aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld of de Inspecteur het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft geschonden door belanghebbende niet voorafgaand aan het uitreiken van de in geding zijnde uitnodigingen tot betaling in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Het middel slaagt in zoverre op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 2.4.2 en 2.4.3 van het arrest dat de Hoge Raad op 19 juni 2020 heeft uitgesproken in de zaak met nummer 18/039822.. De hiervoor in 3.2.2, eerste alinea, weergegeven oordelen van het Hof geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3.5.1
Uit hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen, volgt dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3.5.2
De Inspecteur heeft als rechtvaardiging voor het niet vooraf horen van belanghebbende aangevoerd dat hij de aanslagbiljetten van 16 december 2005, 1 maart 2006 en 2 maart 2006 heeft doen uitreiken vanwege een dreigende verjaring van de douaneschulden die zijn ontstaan voor twee douaneaangiften van 30 december 2002, een douaneaangifte van 3 maart 2003, respectievelijk twee douaneaangiften van 5 maart 2003. Een dreigende verjaring van de douaneschuld is een grond die kan rechtvaardigen dat de belanghebbende niet voorafgaand aan het uitreiken van de uitnodiging tot betaling in de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord.3.Gelet op de verjaringstermijn van drie jaar had de Inspecteur een rechtvaardiging om voor de hiervoor bedoelde douaneaangiften de verschuldigde douanerechten na te vorderen zonder belanghebbende eerst te horen en heeft hij dus het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel in zoverre niet geschonden.
3.5.3
Op de aanslagbiljetten van 1 maart 2006 respectievelijk 2 maart 2006 zijn nog uitnodigingen tot betaling vermeld die zien op andere douaneschulden dan hiervoor in 3.5.2 bedoeld. Het betreft douaneschulden die zijn ontstaan voor drie douaneaangiften van 1 september 2003 (met aangiftenummers [0001] tot en met [0003] ), voor twee douaneaangiften van 1 december 2003 (met aangiftenummers [0004] en [0005] ) respectievelijk voor een douaneaangifte van 28 oktober 2003 (met aangiftenummer [0006] ). Ter zake van deze douaneaangiften resteerde voldoende tijd om belanghebbende voor het verstrijken van de verjaringstermijn van drie jaar in de gelegenheid te stellen te worden gehoord over het voornemen douanerechten te heffen en om haar daarbij voor het geven van een reactie een als redelijk aan te merken termijn te stellen.4.Voor deze uitnodigingen tot betaling heeft de Inspecteur het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel dus wel geschonden.
3.5.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.5.3 is overwogen, moet worden beoordeeld of het besluitvormingsproces met betrekking tot het uitreiken van de desbetreffende uitnodigingen tot betaling zonder schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel een andere afloop had kunnen hebben. Die vraag dient de rechter te beoordelen aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval.5.In dit verband laten de stukken van het geding geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende in bezwaar en beroep stellingen heeft aangevoerd waarvan op voorhand niet kon worden uitgesloten dat deze tot een andere afloop van dit besluitvormingsproces hadden kunnen leiden. Dit brengt mee dat de desbetreffende uitnodigingen tot betaling niet in stand kunnen blijven.
3.5.5
Opmerking verdient dat de vernietiging van de hiervoor in 3.5.4 bedoelde uitnodigingen tot betaling vanwege de schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel niet betekent dat een aan elk van die uitnodigingen tot betaling ten grondslag liggende boeking van de douaneschuld van rechtswege vervalt. Uit hetgeen hiervoor in 3.4 is overwogen, volgt dat onherroepelijk vaststaat dat de bij die uitnodigingen tot betaling geheven douanerechten zijn verschuldigd en dat zij terecht zijn geboekt. Voorts volgt hieruit dat belanghebbende voor die douanerechten schuldenaar is (artikel 201, lid 3, van het CDW in samenhang gelezen met artikel 54 van het Douanebesluit). Het staat de Inspecteur vrij opnieuw uitnodigingen tot betaling vast te stellen en aan belanghebbende te doen uitreiken ter zake van deze douaneschulden.6.
4. Proceskosten
4.1
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4.2
Over de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank en voor het Hof wordt beslist als volgt.Zowel de Rechtbank als het Hof heeft de Inspecteur veroordeeld in de kosten van belanghebbende voor de in beroep respectievelijk in hoger beroep beroepsmatig verleende rechtsbijstand.De Rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond maar heeft de Inspecteur toch veroordeeld tot een proceskostenvergoeding, uitsluitend omdat belanghebbende terecht beroep had ingesteld tegen het uitblijven van de uitspraken op bezwaar. De Rechtbank heeft de hoogte van deze vergoeding vastgesteld met toepassing van de wegingsfactor 0,25 als bedoeld in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Niettemin heeft ook het Hof de Inspecteur veroordeeld tot een vergoeding van de kosten van het geding in hoger beroep waarbij het de hoogte van deze vergoeding heeft vastgesteld met toepassing van de wegingsfactor 0,5.Op grond van hetgeen hiervoor in 3.5.4 is overwogen, zijn de tegen de uitspraken op bezwaar ingestelde beroepen gegrond. Hierin ziet de Hoge Raad – doende wat de Rechtbank respectievelijk het Hof had behoren te doen – aanleiding de Inspecteur te veroordelen tot een hogere vergoeding van de kosten van het geding dan de Rechtbank respectievelijk het Hof heeft vastgesteld.Verder zal de Inspecteur worden veroordeeld in de kosten die belanghebbende heeft gemaakt ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in verband met de behandeling van de bezwaren.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken van de Inspecteur, maar uitsluitend voor zover zij betreffen de beslissingen over de uitnodigingen tot betaling voor de douaneschulden die zijn ontstaan voor de douaneaangiften met de aangiftenummers [0001] tot en met [0003] , [0004] , [0005] en [0006] , en wat betreft de beslissing omtrent de proceskosten,
- vernietigt de uitnodigingen tot betaling voor zover zij deze douaneschulden betreffen,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 519,
- draagt de Inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank van € 297,
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.100 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 2.363 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 1.313 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en in de kosten in verband met de behandeling van de bezwaren aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 261 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- beslist dat over de bij dit arrest vastgestelde aanvullende vergoedingen van de proceskosten wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum waarop dit arrest is uitgesproken.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, L.F. van Kalmthout, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2020.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 26‑06‑2020
HvJ 20 december 2017, Prequ’ Italia Srl, C-276/16, ECLI:EU:C:2017:1010.
Vgl. HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3295, rechtsoverweging 2.2.2.
Vgl. HvJ 18 december 2008, Sopropé – Organizações de Calçado Lda, C-349/07, ECLI:EU:C:2008:746.
Zie HR 16 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2077, rechtsoverweging 4.2.
Vgl. HR 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1034, rechtsoverweging 4.4.