Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/6.4.2.2
6.4.2.2 Aard van onzekere aanspraken
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186784:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Dit stemt overeen met de individuele ‘verhaalsverwachting’ besproken in Pannevis 2017.
Dit kan anders zijn. Dat maakt strikt genomen elke vordering tot een kansaanspraak. Daar ga ik hier aan voorbij.
Zie ook Tollenaar 2016, p. 37.
In wiskundige zin: de verwachtingswaarde van de uitkomst is niet de verwachte uitkomst. Zie ter illustratie Ellenberg 2014, p. 198-199.
Bron: www.kansspelautoriteit.nl/publish/pages/4261/factsheet_winskans_ prijzen_en_uitkeringspercentage_van_loterijen.pdf, laatst geraadpleegd 14 juni 2018.
Vergelijk ook Post e.a. 2018 over het tegenovergestelde gedrag in het televisiespel ‘Deal or no Deal’.
320. Het onzekere karakter van een voorwaardelijke vordering kan worden geïllustreerd met een statistische benadering.
Beschouw twee vorderingen. De eerste vordering is een onvoorwaardelijke vordering tot betaling van € 500. De tweede is een vordering tot betaling van € 1.000 onder opschortende voorwaarde. De kans op vervulling van die voorwaarde is 0,5. Gemiddeld wordt op de voorwaardelijke vordering 0,5 x € 1.000 = € 500 betaald.1 Neem aan dat de schuldenaar over voldoende vermogen beschikt om beide vorderingen te voldoen.2
Statistisch gezien hebben deze twee vorderingen dezelfde contante waarde. De eerste vordering is € 500 waard, omdat die dat zeker oplevert. De tweede vordering levert gemiddeld € 500 op en is aldus bezien ook € 500 waard. Zo beschouwd lijken deze twee vorderingen sterk op elkaar. Het is daarom verleidelijk om een voorwaardelijke vordering te behandelen als een onvoorwaardelijke vordering tot betaling van de contante waarde.3
Toch bestaat er een belangrijk verschil tussen deze twee vorderingen. 4 De eerste vordering levert zeker € 500 op, de tweede niet. Die levert de schuldeiser ofwel € 1.000 op, ofwel helemaal niets. Er wordt zeker geen op € 500 betaald.5
Dit verschil is het grootst bij een kleine kans op betaling van een grote geldsom, zoals bij een loterij. Een staatslot kost € 15. Het gemiddelde uitkeringspercentage daarvan is 69%.6 Gemiddeld wordt per lot dus 0,69 x € 15 = € 10,35 uitgekeerd. Toch zal geen deelnemer zijn staatslot hiervoor inruilen, omdat de deelnemer de onzekere aanspraak op een hoge geldprijs anders waardeert dan de (statistische) contante waarde. Deelnemers aan een loterij hebben liever een onzekere aanspraak die veel op kan leveren, of helemaal niets.7 Hetzelfde geldt tot op zekere hoogte voor achtergestelde schuldeisers.
Dit illustreert dat een onzekere aanspraak fundamenteel verschilt van een zekere aanspraak op de gemiddelde uitkomst daarvan. Dat geldt ook voor voorwaardelijke vorderingen. Deze onzekerheid moet in aanmerking worden genomen bij de behandeling van vorderingen onder opschortende voorwaarde.