Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/4.2.2.2
4.2.2.2 Voorkomen van machtsmisbruik
J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS372373:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Nieuwe Weme 2004, p. 15-17 met verwijzing naar eerdere richtlijnvoorstellen en de totstandkomingsgeschiedenis van de City Code, die model stond voor de biedplicht uit de Overnamerichtlijn.
Aldus Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/723, De Brauw, Toezicht Financiële Markten (Groene Serie), art. 5:70 Wft, aant. 6 en Doorman 2008-2, p. 486.
Vgl. Gaede 2008, p. 189.
Zie over dat laatste ook Skog/Sjöman 2014, p. 397-398. Hijmans van den Bergh/Van Solinge 2000, p. 77 spreken van een regiefout. Gelet op de hiervoor genoemde ratio van de biedplicht lijkt mij dat niet terecht.
Idem Schuster 2013, p. 332.
Schuster 2013, p. 533.
Vgl. ook Nieuwe Weme 2004, p. 16-17.
Sterker, een eenduidige omschrijving van private benefits of methode om deze te berekenen ontbreekt, vgl. Schuster 2013, p. 541 e.v.
Vgl. bijvoorbeeld Ehrhardt/Nowak 2003, die uit het gegeven dat Duitse IPO’s met een dual class aandelenstructuur minder goed presteren dan de benchmark afleiden dat er sprake is van onttrekking van private benefits (“We argue that the only satisfactory explanation is ex ante unanticipated expropriation of minority shareholders due to poor investor protection in Germany. If this were not the underlying reason for the significant underperformance of DCS IPOs, we would have found yet another puzzling capital market anomaly”).
Grundmann 2007, p. 600 (met verwijzingen).
In de literatuur wordt betoogd dat dat niet zo is en dat daarom de Europese Commissie een liberale koers moet varen ten aanzien van de vele binnen de EU voorkomende vrijstellingen, zie Skog/Sjöman 2014, p. 404.
In de eerste plaats strekt de biedplicht tot bescherming van minderheidsaandeelhouders tegen het gevaar van machtsmisbruik door de controlerende effectenhouder.1 Degene die de controle in de vennootschap verkrijgt, komt in de positie te verkeren dat hij de overige aandeelhouders kan benadelen. De bescherming van het verplicht bod werkt preventief, dus nog voordat de grootaandeelhouder de gelegenheid krijgt zijn positie te misbruiken.2 Dat blijkt niet alleen uit het feit dat het enkele overschrijden van de zeggenschapsdrempel van 30% volstaat voor een biedplicht, maar volgt bovendien uit het ontstaan van de biedplicht bij iedere verwerving van overwegende zeggenschap, ook als iemand anders al de controle heeft.3 In zekere zin is de werking van het verplicht bod zelfs dubbel preventief: in de eerste plaats omdat er bescherming wordt geboden tegen het gevaar van misbruik en in de tweede plaats omdat de verplicht bod-regel in de praktijk ertoe leidt dat partijen er (veelal) voor zullen waken dat zij in de positie zullen komen een bod uit te moeten brengen.4 In zoverre moet het verplicht bod worden beschouwd als een aanvulling op de bestaande beschermingsmechanismen binnen het vennootschaps- en effectenrecht en derhalve als een belangrijke factor in het bevorderen van het functioneren van en het vertrouwen in de kapitaalmarkt.5
De bescherming tegen het gevaar van machtsmisbruik zit hem vooral in het vereiste dat degene die de controle verwerft een bod moet uitbrengen tegen een wettelijk gefixeerde “billijke prijs” (art. 5:80a Wft jo art. 25 en 25 Bob Wft).6 Daardoor krijgen minderheidsaandeelhouders immers de gelegenheid om de vennootschap te verlaten zonder dat zij in hun vermogenspositie worden benadeeld.
Men kan zich overigens afvragen of de enkele controleverwerving steeds het gevaar van machtsmisbruik jegens minderheidsaandeelhouders creëert.7 Hoewel de meeste theoretische modellen aannemen dat er ten koste van minderheidsaandeelhouders private benefits of control zullen worden onttrokken, is het empirische bewijs daarvoor niet altijd even sterk.8 ,9 Zo wordt er als bewijs voor voordeeltoe-eigening door controlerende partijen wel op gewezen dat van de koersstijging gedurende een overname binnen enkele maanden nadien minder dan de helft overblijft.10 Een meer voor de hand liggende verklaring daarvoor lijken tegenvallende efficiëntie- of synergievoordelen dan wel integratieproblemen. Gelet op het voorgaande kan het verplicht bod wellicht het beste worden gekarakteriseerd als een soort vangnet, voor het geval de bestaande beschermingsmechanismen zouden falen, waarbij onduidelijk is in hoeverre dat laatste aan de orde is.11