Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/5.4.3
5.4.3 Bewijsstandaarden: wettelijke strafbeïnvloedende omstandigheden
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS469272:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Zie Hoge Raad 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4330 (BNB 2008/111, met noot Albert) en Hof Amsterdam 18 januari 2006, r.o. 5.6, ECLI:NL:GHAMS:2006:AU9848). Zie ook Hof Den Haag 28 januari 2005, nr. 04/0063, MK IV (ECLI:NL:GHSGR:2005:AS6725; V-N 2005/29.8).
Althans, in de visie van Schuyt. Zij is namelijk van mening dat meerdaadse samenloop in het strafrecht ook niet door de strafrechter afzonderlijk bewezen hoeft te worden, omdat dit als het ware automatisch voortspruit uit het bewijs van de feiten die samenlopen (Schuyt, p. 258).
De wetgever verwijst bij de introductie van deze strafverzwarende omstandigheid bijvoorbeeld uitdrukkelijk naar de relatief lage tarieven van box 3 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2008-2009, 31 301, nr. 16). Ik kan me dan ook niet aan de indruk onttrekken dat dit een belangrijke rol heeft gespeeld bij de verhoging van het vergrijpboetemaximum naar 300%.
Zie voor recidive: Hoge Raad 13 augustus 2004, nr. 37 804, r.o. 3.7, ECLI:NL:HR:2004:AL7032 (BNB 2005/41, met noot Feteris), voor listigheid en een omvangrijk belastingnadeel: HofAmsterdam 24 november 2011, nr. 04/02812 en 05/00646, r.o. 5.7.2.3, V-N 2012/ 11.25.5(ECLI:NL:GHAMS:2011:BU6291) en voor slechte financiële omstandigheden en financiële schade als gevolg van negatieve publiciteit: Hof Amsterdam 12 november 1990, r.o. 4.11, ECLI:NL:GHAMS:1990:AW6338.
Corstens/Borgers, XVI.12.
Zie bijvoorbeeld voor de specifieke recidiveregelingen van 426, lid 2 Sr en 453 Sr (oud): Hoge Raad 21 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0736; NJ 2003, 186 resp. Hoge Raad 29 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5568.
Zie ook Nijboer, p. 75.
Vgl. de betreffende passage in de Recommendation ‘Consistency in sentencing’, hoofdstuk 3, onderdeel 3.4.4.4.
Zie ook De Jong in Melai/Groenhuijsen e.a., artikel 261 Sv, aantekening 3.5.
Zie bijvoorbeeld voor de algemene recidiveregeling van artikel 43a Sr: Hoge Raad 12 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7957 (NJ 2006, 511) en Hoge Raad 5 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6981 (NJ 2003, 126, met noot Reijntjes). Zie bijvoorbeeld m. b.t. de strafverzwarende omstandigheid van artikel 44 Sr (ambtenaar): Rechtbank Arnhem (Militaire Kamer) 13 juli 2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BJ2310.
De AWR beschrijft twee strafbeïnvloedende omstandigheden: de (strafverminderende) inkeerregeling van artikel 67n AWR en de strafverzwarende omstandigheid met betrekking tot het ontgaan van belastingheffing over box 3-inkomen (artikel 67d, lid 5 en artikel 67e, lid 6 AWR). De inkeerbepaling is van toepassing op alle aanslagbelastingen en is daarmee vrij algemeen van aard.1 De belangrijkste voorwaarde voor een geslaagd beroep op de inkeerregeling is de vrijwilligheid of spontaniteit van het inkeergedrag (zie paragraaf 5, lid 1 BBBB). Uit rechtspraak volgt dat deze vrijwilligheid ‘aannemelijk’ moet zijn.2
De strafverzwaringsgrond aangaande box 3-inkomsten is meer specifiek dan de inkeerregeling: deze heeft alleen betrekking op de inkomstenbelasting en niet op de andere aanslagbelastingen of aangiftebelastingen. Uit de parlementaire geschiedenis van de betreffende wettelijke strafverzwarende bepalingen volgt dat voor het bewijs daarvan – los van de te bewijzen schuldgraad – enkel het blote feit dat de verzwegen inkomsten zijn te betitelen als box 3-inkomsten volstaat.3 De vraag aan welke box (1, 2 of 3) de inkomsten moeten worden toegerekend, wordt reeds beantwoord in het heffingstraject, omdat het antwoord op deze vraag onder meer bepalend is voor het belastingtarief en de hoogte van de belastingaanslag. Het toepassen van de specifieke strafverzwarende omstandigheid aangaande box 3-inkomsten volgt dus automatisch uit het onderzoek naar de belastingheffing zelf; er valt dienaangaande niets ‘extra’s’ meer te bewijzen in een boeteonderzoek. In zoverre vertoont deze strafverzwaringsgrond enige gelijkenis met de meerdaadse samenloopregeling in het strafrecht.4
Een ander gevolg van de voorgaande constatering dat de strafverzwarende omstandigheid met betrekking tot box 3-inkomsten geen nader boeteonderzoek en -bewijs behoeft, is dat in principe het reguliere fiscale bewijsrecht wordt toegepast zoals dat geldt bij de aanslagregeling. Dat betekent niet alleen dat de inspecteur de box 3-inkomsten slechts ‘aannemelijk’ hoeft te maken, maar ook dat bijvoorbeeld de bewijslast kan worden omgekeerd ten aanzien van de allocatie van de inkomsten (box 1, 2 of 3). De betreffende wettelijke strafverzwaringsgrond gedraagt zich dus als een soort extra heffing op verzwegen box 3-inkomsten in geval van grove schuld of opzet.5
Daarnaast bevat het BBBB, in zowel de algemene straftoemetingsparagrafen 7 en 8 als in de specifieke boeteparagrafen, verschillende strafbeïnvloedende omstandigheden. Uit de rechtspraak volgt dat deze beleidsmatige omstandigheden, of ze nu strafverzwarend of strafverminderend zijn, aannemelijk moeten zijn om in aanmerking te kunnen worden genomen.6
In het strafrecht is het voor het bewijs van het strafbare feit – de eerste vraag van artikel 350 Sv – noodzakelijk dat de rechter zich ter zake overtuigd acht. Er moet dan sprake zijn van een zeer klemmende graad van waarschijnlijkheid. Volgens Corstens en Borgers gaat het hierbij om ‘het aantonen dat in redelijkheid niet kan worden getwijfeld aan de juistheid van het verwijt dat aan de verdachte wordt gemaakt’.7 Wettelijke strafbeïnvloedende omstandigheden die onderdeel uitmaken van de delictsomschrijving – dit zullen over het algemeen strafverzwarende omstandigheden zijn (zie bijvoorbeeld de artikelen 311, 312 en 322 Sr) – moeten derhalve wettelijk en overtuigend bewezen worden.8
Er zijn ook strafbeïnvloedende factoren die geen onderdeel uitmaken van de (wettelijke) delictsomschrijving, maar die wel in het Wetboek van Strafrecht of Strafvordering zijn opgenomen, zoals recidive (artikel 43a Sr), samenloop (artikel 55 e.v. Sr) of het in overleg met de OvJ als verdachte afleggen van een getuigenverklaring (artikel 44a Sr). Dergelijke in de wet omschreven (algemene) omstandigheden kunnen zowel strafverzwarend (recidive) als strafverminderend (afspraak omtrent afleggen verklaring) zijn. Dit onderscheid is van belang voor de van toepassing zijnde bewijsstandaarden.
Voor het bewijs van wettelijke strafverminderende omstandigheden kan mijns inziens aangesloten worden bij de hoofdregel dat omstandigheden die leiden tot een voor een verdachte gunstige(r) einduitspraak aannemelijk moeten zijn geworden.9 Dat betekent dat als een rechter een strafverminderende omstandigheid aannemelijk acht, hij er niet van overtuigd is dat die omstandigheid zich niet heeft voorgedaan.10 De bewijsstandaard voor wettelijke strafverzwarende omstandighe den die geen onderdeel uitmaken van de delictsomschrijving, is daarentegen vergelijkbaar met de standaard die heeft te gelden voor strafverzwarende omstandigheden die wél in een delictsomschrijving zijn opgenomen.11 Deze dienen namelijk eveneens over het algemeen ten laste gelegd en dus wettelijk en overtuigend bewezen te worden.12
Het is een gemakkelijker opgave om een omstandigheid aannemelijk te maken dan om het buiten gereden twijfel vast te (laten) stellen. Dit verschil in bewijsstandaarden van strafverminderende en strafverzwarende omstandigheden heeft tot gevolg dat de kant van ‘voordeel’ voor de verdachte – door het aannemen van een strafverminderende omstandigheid – eenvoudiger kan worden bereikt dan het ‘nadeel’.
Als het strafdossier een strafverzwarende omstandigheid bevat die niet door de OvJ ten laste is gelegd, maar die wel tijdens het onderzoek ter terechtzitting is besproken, dan kan de strafrechter deze omstandigheid bij de beraadslaging meewegen bij zijn oordeel. Artikel 312 Sv kan hierbij eveneens van invloed zijn. Deze bepaling geeft de OvJ namelijk de bevoegdheid om wettelijke strafverzwarende omstandigheden, die tijdens het onderzoek ter terechtzitting bekend zijn geworden, alsnog ten laste te leggen.