HR, 22-10-2021, nr. 20/03660
20/03660
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-10-2021
- Zaaknummer
20/03660
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:1574, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑10‑2021; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2020:1878
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:584
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑10‑2021
ECLI:NL:PHR:2021:584, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 20‑05‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1574
- Vindplaatsen
V-N 2021/45.5 met annotatie van Redactie
ERF-Updates.nl 2021-0312
NLF 2021/2070 met annotatie van Theo Hoogwout
BNB 2022/20 met annotatie van E.J.W. Heithuis
FED 2022/88 met annotatie van A.E. de Leeuw
NTFR 2021/4279 met annotatie van mr. J. Nieuwenhuizen
Viditax (FutD) 2021102201
FutD 2021-3267
NLF 2021/1246 met annotatie van Theo Hoogwout
V-N 2021/28.4 met annotatie van Redactie
NTFR 2021/2059 met annotatie van mr. J. Nieuwenhuizen
Viditax (FutD) 2021061125
FutD 2021-1821
Uitspraak 22‑10‑2021
Inhoudsindicatie
artikel 5.4, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001; uitgezonderde bezittingen; vruchtgebruik op grond van een uiterste wilsbeschikking of buitenlands wettelijk erfrecht; Franse ‘donation entre vifs à titre de partage anticipé’; geen uitleg van buitenlands recht in cassatie.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/03660
Datum 22 oktober 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 30 september 2020, nrs. BK-19/00743 tot en met BK-19/007461., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 18/7643 tot en met 18/7646) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2013, 2014, 2015 en 2016 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door [A], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal Niessen heeft op 20 mei 2021 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.2.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
De ouders van belanghebbende woonden in Frankrijk. Bij notariële akte van 6 juni 2011 hebben de ouders de bloot eigendom van de door hen bewoonde woning in Frankrijk (hierna: de woning) overgedragen aan belanghebbende, onder voorbehoud van een levenslang vruchtgebruik voor beide ouders en voor de langstlevende ouder. De overdracht heeft plaatsgehad naar Frans recht, als een ‘donation entre vifs à titre de partage anticipé’. Volgens de daarvan opgemaakte akte is de overdracht gegrond op de bepalingen van de artikelen 1075 en volgende van de Code Civil.
2.2
Op [...] 2012 is de vader van belanghebbende overleden.
2.3
De waarde van de bloot eigendom van de woning is in de jaren 2013 tot en met 2016 begrepen in de rendementsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen van belanghebbende.
3. De procedure voor het Hof
3.1
Voor het Hof was in geschil of artikel 5.4, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001 meebrengt dat de bloot eigendom van de woning bij belanghebbende niet behoort tot de bezittingen die onderdeel uitmaken van de rendementsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat dit het geval is omdat het vruchtgebruik ten behoeve van de moeder op de woning rust op grond van een uiterste wilsbeschikking dan wel buitenlands wettelijk erfrecht.
3.2
Het Hof heeft tot uitgangspunt genomen dat onder ‘uiterste wilsbeschikking’ op grond van artikel 4:42, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek moet worden verstaan een eenzijdige rechtshandeling waarbij een erflater een beschikking maakt die eerst werkt na zijn overlijden en die in Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek is geregeld of in de wet als zodanig wordt aangemerkt. Het Hof heeft vastgesteld dat de bloot eigendom van de woning is overgedragen aan belanghebbende en het recht van vruchtgebruik is gevestigd op 6 juni 2011 bij leven van beide ouders. Daarbij heeft het Hof vastgesteld dat de titel van verkrijging volgens de daaraan ten grondslag liggende akte is ‘donation entre vifs à titre de partage anticipé’ als bedoeld in de artikelen 1075 en volgende van de Code Civil. Uit artikel 1075 van de Code Civil volgt dat een ieder zijn bezittingen kan overdragen aan en verdelen onder zijn vermoedelijke erfgenamen en dat een dergelijke overdracht blijkens het genoemde artikel de vorm kan hebben van een ‘donation-partage’ (schenking-verdeling) of een ‘testament-partage’ (testamentaire verdeling). In het eerste geval zijn de bepalingen inzake schenkingen tussen de levenden (‘donations entre vifs’) van toepassing. Het Hof is van oordeel dat, mede gelet op de bepalingen van het Franse recht die aan de akte ten grondslag liggen, de ‘donation entre vifs à titre de partage anticipé’ gezien moet worden als een schenking bij leven ten titel van vervroegde verdeling en niet als een verkrijging krachtens Frans erfrecht. Voor de jaren 2014 tot en met 2016 geldt bovendien dat het vruchtgebruik van de woning evenmin is gevestigd op grond van buitenlands wettelijk erfrecht. De uitzondering van artikel 5.4, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001 is daarom niet van toepassing, aldus het Hof.
4. Beoordeling van de klachten
4.1
Tegen dit oordeel keren de klachten zich met het betoog dat het Hof artikel 5.4, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001 te beperkt heeft uitgelegd. Belanghebbende leidt uit de bewoordingen en parlementaire behandeling van deze bepaling af dat de wetgever heeft beoogd in die gevallen waarin in een erfrechtelijke context de situatie is ontstaan dat de belastingplichtige de bloot eigendom heeft van een zaak waarvan een overlevende ouder het vruchtgebruik geniet, de waarde van die onroerende zaak alleen bij de vruchtgebruiker in de belastingheffing wordt betrokken, en niet bij de bloot eigenaar.
4.2
Deze door belanghebbende voorgestane uitleg van artikel 5.4, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001 kan niet worden gevolgd aangezien deze geen steun vindt in de tekst of strekking van die bepaling, terwijl de wetsgeschiedenis, weergegeven in de onderdelen 3.13 tot en met 3.23 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, evenmin aanknopingspunten biedt om aan te nemen dat de wetgever die uitleg voor ogen heeft gestaan. Het Hof heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat voor de uitlegging van artikel 5.4, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001 dient te worden aangeknoopt bij het begrip ‘uiterste wilsbeschikking’ als bedoeld in artikel 4:42, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek.
4.3
Voor zover de klachten erop neerkomen dat het oordeel van het Hof over de toepassing van artikel 5.4, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001 berust op een onjuiste toepassing van de Franse wettelijke bepalingen, kunnen zij niet tot cassatie leiden. De uitleg van buitenlands recht kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst, en voor het overige is het bestreden oordeel verweven met de aan de feitenrechter voorbehouden waarderingen.
4.4
De klachten falen.
5. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, M.T. Boerlage en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2021.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 22‑10‑2021
Beroepschrift 22‑10‑2021
Betreft: beroep in cassatie tegen uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, Team Belastingrecht, zaaknummer BK-SGR 19/007643 t/m 19/00746 van 30 september 2020, verzonden onder geleidebrief van 1 oktober 2020 met als kenmerk het zaaknummer Referte: het zaakdossier van de behandeling door het Gerechtshof
Edelhoogachtbare dame(s) en/of he(e)r(en),
Namens mijn echtgenote stel ik bij dezen beroep in cassatie in tegen de uitspraak van de Belastingkamer van het Gerechtshof Den Haag die hierboven is vermeld en waarvan ik kopie bijvoeg. Dit beroep vindt zijn grondslag in onze overtuiging dat die Belastingkamer, net als eerder die van de Rechtbank, een minder juiste tot onjuiste uitleg geeft aan het sleutelstuk in de onderhavige kwestie, te weten de Franse notariële acte van ‘donation-partage’ die de ouders van mijn echtgenote op 6 juni 2011 hebben gepasseerd, in zijn verhouding tot de Nederlandse Wet Inkomstenbelasting 2001 (WIB), meer in het bijzonder artikel 5.4 lid 3 sub a over de berekeningsgrondslag van de Vermogensrendementsheffing (‘box 3’) ingaande 1 januari 2012.
Voor de goede orde merk ik op dat mijn echtgenote enkel de Franse nationaliteit heeft maar sinds januari 1984 legaal ingezetene van Nederland is, ook in fiscaal opzicht. Zij is niet lang daarna door het aanvragen van een SoFi-, nu BS-nummer, ook fiscaal ingezetene van Nederland geworden, ruimschoots voordat de WIB met de Vermogensrendementsheffing verscheen. Die wet wil zich bemoeien met de belangen van fiscale ingezetenen zonder de Nederlandse nationaliteit in hun land van herkomst. Daaruit volgt een verplichting van de uitvoerder van de wet, de minister van Financiën, om de vatbaarheid van die belangen in het land van herkomst en de wijze van hun ontstaan zorgvuldig te toetsen aan letter en geest van de Nederlandse wet.
De vader van mijn echtgenote had en haar moeder heeft eveneens enkel de Franse nationaliteit. Zij waren sinds 1976 gevestigd in Frankrijk op het adres waar de moeder van mijn echtgenote nog steeds woonachtig is en waren derhalve ‘fiscaal ingezetenen’ van de Franse Republiek.
Zoals ik in het voortraject al meermalen heb opgemerkt, is van enig belang dat het Franse wettelijke huwelijksvermogensrecht sinds 1804 de grondvorm heeft die in Nederland per 1 januari 2018 is ingevoerd, namelijk het stelsel van de beperkte gemeenschap. Bezittingen en schulden van elke echtgenoot daterend van voor het huwelijk, alsmede verwervingen staande huwelijk door overgang krachtens vererving of schenking, blijven aan de echtgenoot aan wie zij behoorden of door wie zij zijn verworven. Staande huwelijk verworven andere bezittingen en aangegane andere schulden zijn van beide partners gezamenlijk. Zulke stelsels van beperkte gemeenschap onderscheiden dus bij een echtpaar tenminste drie vermogens, dat van elke echtgenoot afzonderlijk en het gezamenlijk vermogen, de gemeenschap.
De Franse notariële acte van 6 juni 2011 bevat de beschikkingen die de ouders hebben willen maken over de registergoederen in hun gemeenschappelijk vermogen dat krachtens het Franse wettelijke huwelijksvermogensrecht is ontstaan, aangezien die goederen alle waren verworven na hun huwelijkssluiting. Eveneens zijn in de acte betrokken geldschenkingen van de ouders aan hun zoon in 1999 en 2005, die als voorschot op zijn erfdeel zijn verstrekt en derhalve in de berekening van de verdeling meegenomen moesten worden. Aangezien het hier ging om zaken behorend tot het gemeenschappelijk vermogen, is de acte ook door beide ouders gezamenlijk gepasseerd. De ouders hebben daarbij een verdeling aangebracht tussen hun ‘vermoedelijke erfgenamen’, te weten hun op datum van de acte overlevende kinderen. Die waren bij het passeren van de acte ook aanwezig en hebben ermee ingestemd. De ouders hebben geen beschikkingen getroffen ter zake van de aanwijzing van (andere) erfgenamen, zodat krachtens Frans erfrecht alleen de twee kinderen onder de term ‘vermoedelijke erfgenamen’ begrepen kunnen zijn. Van de te verdelen registergoederen hebben de ouders zich het vruchtgebruik voorbehouden voor hen beide en uitdrukkelijk ook voor de langstlevende, het laatste zonder mindering na overlijden van de eerstoverledene. De blooteigendom van die registergoederen hebben zij tenslotte aan hun ‘vermoedelijke erfgenamen’, in casu hun kinderen geschonken onder de werking van artikel 1075 van de Franse Code Civil, met bepaling van inbreng in de successie waarvan de afhandeling tot na overlijden van de langstlevende ouder is uitgesteld. Mijn echtgenote heeft daarbij onder voorbehoud van het genoemde vruchtgebruik toebedeeld gekregen de uiteindelijk volle eigendom van de woning van haar ouders in […] [R], Frankrijk, waarvan de blooteigendom haar bij dezelfde acte is geschonken, maar onder voorbehoud van het genoemde vruchtgebruik voor beide ouders en de langstlevende van hen.
In paragraaf 5.5 heeft het Gerechtshof het karakter van de acte en zijn grondslag in de Code Civil aanvankelijk correct verwoord. Ik citeer:
‘Op grond van artikel 1075 van de Code Civil kan een ieder zijn bezittingen overdragen aan en verdelen onder zijn vermoedelijke erfgenamen. Een dergelijke overdracht kan blijkens het genoemde artikel de vorm hebben van een ‘donation-partage’ (schenking-verdeling) of een ‘testament-partage’ (testamentaire verdeling). In het eerste geval zijn de bepalingen inzake schenkingen tussen levenden (‘donations entre vifs’) van toepassing, in het tweede geval de bepalingen inzake ‘testaments’.’
Ik geef hier in een voetnoot1. de volledige tekst van dat artikel 1075 en teken daarbij aan dat de weergave van de term ‘donation-partage’ met ‘schenking-verdeling’ iets te letterlijk is, aangezien de verdeling logischerwijze voorafgaat aan de schenking van zaken die in de verdeling waren begrepen. Beter zou zijn ‘schenking na verdeling’. De acte van 6 juni 2011 grijpt, zoals het Gerechtshof correct memoreerde, terug op artikel 1075 en volgende. Op p. 3 van de acte is onder de rubriek ‘donation-partage’ de omschrijving ervan gegeven: ‘schenking onder de levenden ten titel van vervroegde verdeling, conform artikelen 1075 en volgende van de Code Civil’ (‘donation entre vifs a titre de partage anticipé, conformément aux dispositions des articles 1075 et suivants du Code civil’).
In dezelfde paragraaf zet het Gerechtshof dan uiteen dat de onderhavige acte
‘het karakter heeft van een notariële akte van schenking. Het vruchtgebruik is dus niet gevestigd op grond van een uiterste wilsbeschikking. De door belanghebbende gestelde omstandigheid dat de rechtsfiguur van de ‘donation-partage’ beperkt is tot de kring van erflaters en hun vermoedelijke erfgenamen, dat de akte voorziet in een vruchtgebruik ten behoeve van de langstlevende ouder en dat de akte niet is herroepen of herzien bij leven van de eer- stoverleden ouder, doen hieraan niet af. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat de ‘donation-partage’ wordt aangemerkt als voorschot op het erfdeel en wordt verrekend met de legitieme portie van belanghebbende bij overlijden van de langstlevende ouder, nu de grondslag van het vruchtgebruik is gelegen in een notariële akte van schenking’.
Deze interpretatie is naar onze mening niet correct.
Het hof gaat namelijk voorbij aan de plaats waar artikel 1075 in de Code Civil is opgenomen. Dat is Boek III handelend over de onderscheiden wijzen waarop men de eigendom verkrijgt’ (‘Des différentes manières dont on acquiert la propriété’).
Na de ‘Algemene Bepalingen’ volgen 21 Titels, waarvan ik enkele noem: Titel 1 ‘Erflatingen’ (‘Successions’), Titel 2 over ‘Handelingen van vrijgevigheid’ (; Libéralités’), Titel 5 over het ‘huwelijkscontract en de huwelijksrégimes’ (‘Du contrat de mariage et les régimes matrimoniaux’), Titel 6 over ‘verkoop’ (‘De la vente’), Titel 7 over ‘ruiling’ (‘De Téchange). Titel 2 is in dit bestek aan de orde. Na hoofdstukken over ‘schenkingen onder de levenden’ (IV), ‘testamentaire bepalingen’ (V) en ‘Libéralités graduelles et résiduelles’ (VI) handelt hoofdstuk VII van Titel 2 over ‘libéralités-partages’, te vertalen als ‘handelingen van vrijgevigheid gepaard gaande met toedeling (van erfgoed)’. Dit hoofdstuk VII is onderverdeeld in secties, eerst de algemene bepalingen waarvan artikel 1075 het eerste is. De tweede sectie geeft nadere bepalingen over de ‘donations-partages’, de derde over de ‘testaments-partages’.
Artikel 1075 beperkt de ‘libéralités-partages’ uitdrukkelijk en exclusief tot handelingen van vrijgevigheid jegens de ‘vermoedelijke erfgenamen’ (‘héritiers pré- somptifs’) en onderscheidt dan de figuren ‘donations-partages’ en ‘testaments- partages’. Artikel 1075 staat daarmee uitdrukkelijk in een context waarin het erfrecht van invloed is, door immers de kring van begunstigden van deze ‘handelingen van vrijgevigheid gepaard gaande met toedeling (van erfgoed)’ te beperken tot de ‘vermoedelijke erfgenamen’.
Terecht constateert het Gerechtshof in paragraaf 5.9 van zijn uitspraak:
‘De Franse rechtsfiguur van de ‘donation entre vifs a titre de partage’ kent geen tegenhanger in het Nederlandse recht (…)’
waarbij ik opmerk dat het ontbreken van het woord ‘anticipé’ na ‘partage’ in de Franse omschrijving een wezenlijk element van de figuur veronachtzaamd. Maar ook mét toevoeging van dat woord blijft overeind dat een overeenkomstige figuur in het Nederlands recht onbekend is. De vraag wordt dan uiteraard hoe de naar Frans recht ingerichte acte van 6 juni 2011 zich verhoudt tot het Nederlandse recht, in het onderhavige geval de WIB 2001.
De opvatting van het hof in het al aangehaalde artikel 5.5 van de uitspraak dat de acte
‘het karakter heeft van een notariële akte van schenking’,
kunnen wij onmogelijk delen omdat daarmee het even noodzakelijke element van de vervroegde erfdeling onder de ‘vermoedelijke erfgenamen’ die eigen is aan de figuur van ‘donation-partage’, wordt veronachtzaamd. De acte behelst als gezegd beschikkingen van de ouders terzake van de registergoederen in hun gemeenschap. Die beschikkingen behelzen de overdracht van de blooteigendom van die goederen aan de ‘vermoedelijke erfgenamen’ onder voorbehoud van het vruchtgebruik van de voormalige eigenaars, de ouders, en uitdrukkelijk ook het vruchtgebruik van de langstlevende daarvan zonder mindering na het overlijden van de eerste echtgenoot en met plicht tot inbreng van de goederen in de successieafhandeling van die gemeenschap voor de in de acte gestipuleerde waarden. Dat alles inkorten tot ‘een acte van schenking’ tout court doet aan de aard van het stuk teveel af om houdbaar te zijn. Wij zijn in het voortraject al verscheidene malen tegen deze tordering van het karakter van de acte in het geweer gekomen en doen dat ook nu weer.
Het hof vervolgt dan:
‘Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat de akte het karakter heeft van een notariële akte van schenking, en niet van een uiterste wilsbeschikking. Het vruchtgebruik is dus niet gevestigd op grond van een uiterste wilsbeschikking. De door de belanghebbende gestelde omstandigheden dat de rechtsfiguur van ‘donation-partage’ beperkt is tot de kring van erflaters en hun vermoedelijke erfgenamen, dat de akte voorziet in een vruchtgebruik ten behoeve van de langstlevende ouder en dat de akte niet is herroepen of herzien bij leven van de eerstoverleden ouder, doen hieraan niets af. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat de ‘donation-partage’ wordt aangemerkt als voorschot op het erfdeel en wordt verrekend met de legitieme portie van belanghebbende bij overlijden van de langstlevende ouder, nu de grondslag van het vruchtgebruik is gelegen in een notariële acte van schenking. Belanghebbendes stellingen falen in zoverre.’ [mijn cursivering]
We zien hier hoe het hof eerst de Franse figuur van ‘donation-partage’ reduceert tot een schenking tout court en vervolgens het daartegen ingebrachte terzijde veegt omdat dat geacht wordt niets af te doen aan die initiële reductie en en passant de ‘grondslag van het vruchtgebruik’ gelegen acht ‘in een notariële akte van schenking’.
Daarop grijpt het hof terug wanneer hij in paragraaf 5.9 schrijft:
‘Voor de toepassing van artikel 5.4, derde lid, aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001 is een vruchtgebruik krachtens schenking niet gelijk te stellen met een vruchtgebruik krachtens uiterste wilsbeschikking of op grond van een buitenlands wettelijk erfrecht, waarvan in dit geval geen sprake is.’
Het hof poneert daar met zoveel woorden dat in het onderhavige geval het vruchtgebruik ‘krachtens schenking’ zou zijn ontstaan. Dat is een ernstige misvatting. Het vruchtgebruik dat in de acte is gestipuleerd, behoorde voorheen aan de beide ouders als vol-eigenaars van de onderhavige woning. De bedoeling was en is om hen dat vruchtgebruik levenslang te garanderen, eerst gedurende het leven van beide ouders en daarna van de langstlevende, nádat de registergoederen in hun gemeenschap waren verdeeld en de blooteigendom bij schenking was overgedragen aan de ‘vermoedelijke erfgenamen’. Dat is geen schenking van vruchtgebruik, maar het voorbehoud van hun ook voorheen reeds bestaande genotsrechten na het moment dat de blooteigendom van de onderhavige zaak aan hun ‘vermoedelijke erfgenaam’ is overgedragen. Er heeft dus op geen enkele wijze een ‘overgang’ van het vruchtgebruik plaatsgevonden, wat met de term ‘vruchtgebruik krachtens schenking’ wel wordt gesuggereerd.
Het hof vervolgt in artikel 5.9 met de mededeling:
‘In geval van een schenking van een Nederland gelegen woning aan een (in Nederland woonachtige) belatingplichtige onder voorbehoud van een recht van vruchtgebruik ten behoeve van beide ouders, behoort de blote eigendom van de woning bovendien evenzeer tot de ren- dementsgrondslag in box 3 van de verkrijger (…).’
Maar een vruchtgebruik van beide ouders is een heel andere figuur dan het vruchtgebruik van de langstlevende ouder. De eerste figuur valt buiten de reikwijdte van artikel 5.4 lid 3 sub a, zoals ons door de inspecteur fijntjes is aangewezen. Dat is ook de reden geweest dat wij onze actie inzale het fiscale jaar 2012 hebben moeten laten vallen.
Voortgaand op zijn in paragraaf 5.5 ontwikkelde gedachtengang stelt het hof dan in paragraaf 5.6
‘dat de ‘donation entre vifs a titre de partage’ gezien moet worden als een schenking bij leven ten titel van vervroegde verdeling en niet als een verkrijging krachtens Frans erfrecht’, Voor de j aren 2014 tot en met 2016 geldt derhalve bovendien dat het vruchtgebruik van de woning evenmin is gevestigd op grond van een buitenlands wettelijk erfrecht.’
Ik voeg aan het Franstalige citaat van het hof het noodzakelijke ‘anticipé’ graag weer toe en herhaal dat de figuur van ‘donation-partage’ weliswaar niet woordelijk aan het Franse erfrecht is ontleend maar daarbij wel degelijk aansluit door de kring van begunstigden te beperken tot de ‘vermoedelijke erfgenamen’. Uiteindelijk dient dit alles om de conclusie die het hof in paragraaf 5.7 heeft neergelegd, mogelijk te maken:
‘De uitzondering van artikel 5.4., derde lid aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001 is niet van toepassing.’
Wij zijn van mening dat het hof met zijn redenering en conclusie geen recht gedaan heeft aan de Franse rechtscontext waarin de acte van 6 juni 2011 is ontstaan. Die is in een Procrustesbed bij gesneden en opgerekt tot Nederlandse maten door het element van ‘toedeling van erfgoed in een gemeenschap’ sluipenderwijs weg te redeneren. Ook het tot 2018 bestaande verschil van wettelijke huwelijksvermogensstelsels tussen Nederland en Frankrijk en de daaruit voortvloeiende verschillen in rechtspraktijk zijn niet meegewogen.
Wij komen tot een diametraal tegenovergestelde conclusie ten opzichte van het hof. Aangrijpingspunt is de tekst van het artikel, lid en onderdeel van de WIB 2001 waarop wij ons beroepen. Dat luidt:
‘Art. 5.4 Toedeling bij bepaalde verkrijgingen krachtens erfrecht
(…)
‘3
Tot de bezittingen behoren niet goederen:
- • a.
waarop een vruchtgebruik rust ten behoeve van de echtgenoot van een overleden ouder van de belastingplichtige op grond van een uiterste wilsbeschikking van die ouder dan wel op grond van buitenlands wettelijk erfrecht; (…)’.
Het artikel is met uitzondering van de laatste acht woorden ingaande 2012 in de WIB verschenen. Die laatste woorden acht woorden (‘dan wel … erfrecht’) zijn ingaande 2014 toegevoegd.
Het citaat laat er geen misverstand over bestaan dat het wetsartikel betrekking neemt op situaties waarin de blooteigendom van een zaak bij een belastingplichtige berust en het vruchtgebruik van die zaak bij diens nog levende ouder op grond van een uiterste wilsbeschikking van de vooroverleden ouder dan wel op grond van een buitenlands wettelijk erfrecht. Het citaat noemt dan wel niet die blooteigendom, maar waar een vruchtgebruik is, moet ook een blooteigendom bestaan. Het citaat laat zich echter met geen woord uit over de wijze waarop die blooteigendom tot stand is of zou moeten zijn gekomen. Daarmee zijn ons inziens alle wettige figuren van overgang van blooteigendom mogelijk, toegestaan en geldig, inbegrepen schenking.
De bedoeling van de Nederlandse wetgever leid ik af uit artikel 5.4 lid 5 (voorheen 4):
‘5
Indien goederen ingevolge het derde lid niet tot de bezittingen van de belastingplichtige behoren, worden die goederen bij de in dat lid bedoelde echtgenoot in aanmerking genomen voor de waarde die deze goederen zouden hebben indien daarop geen vruchtgebruik zou rusten.
Ik citeer ten overvloede uit de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer 2011–2012 dossier 33004 stuk 3 van 30 september 2011) § 2.5:
‘Op dit moment worden in de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) vorderingen en schulden die voortvloeien uit het wettelijk erfrecht fiscaal genegeerd. De crediteur hoeft ze niet op te geven als bezitting in box 3 en de debiteur kan ze niet als schuld in box 3 opvoeren. In box 1 en box 2 is voor betaalde rente op deze schulden geen renteaftrek toegelaten. Het gaat hierbij om vorderingen van kinderen op de langstlevende ouder of stiefouder en de daartegenover staande schulden van die (stief)ouder aan de kinderen. In bepaalde gevallen wordt ook een vruchtgebruik dat voortvloeit uit het wettelijk erfrecht gedefiscaliseerd, wat inhoudt dat bij de vruchtgebruiker de volledige eigendom wordt belast en bij de blote eigenaar niets in de heffing wordt betrokken. Hiermee sluit de belastingheffing aan bij de maatschappelijke realiteit in erfrechtelijke situaties: degene die de beschikking heeft over de vererfde bezittingen wordt voor die bezittingen belast, en degene die slechts een (niet-opeisbare) vordering of het blote eigendom heeft wordt niet belast. (…)’
Daaruit valt moeiteloos op te maken dat het de bedoeling van de minister van Financiën is geweest om in situaties waarin in een erfrechtelijke context een situatie is ontstaan waarin de blooteigendom van een zaak bij een belastingplichtige en het vruchtgebruik bij diens overlevende ouder ligt, het vruchtgebruik wordt belast en de blooteigendom niet. Technisch gesproken zou ook een vruchtgebruik van beide nog in leven zijnde ouders onder de omschrijving van de Memorie vallen, maar het wetsartikel sluit die figuur vooreerst uit. Van belang is bovendien dat ook in de Memorie van Toelichting geen woord wordt besteed aan de wijze waarop de impliciete blooteigendom is of zou moeten zijn ontstaan.
De hier dienende kwestie spitst zich dus toe op de vraag of de Franse acte van 6 juni 2011 kan worden beschouwd als een uiterste wilsbeschikking in de zin van het Nederlandse BW 4:42 eerste lid als grondslag van het vruchtgebruik. Dat artikel luidt:
‘Een uiterste wilsbeschikking is een eenzijdige rechtshandeling, waarbij een erflater een beschikking maakt, die eerst werkt na zijn overlijden en die in dit Boek is geregeld of in de wet als zodanig wordt aangemerkt’.
Het vruchtgebruik voor de langstlevende echtgenoot dat in de acte van 6 juni 2011 is gestipuleerd, kan ons inziens niet anders worden opgevat dan als een eenzijdige rechtshandeling van de eerst te overlijden echtgenoot jegens de langstlevende, zonder dat op het moment van de handeling al duidelijk is welke ouder het eerst zal overlijden. Zo'n vruchtgebruik treedt ook pas na dat overlijden in werking. Deze wilsbeschikking van de eerst te overlijden echtgenoot jegens de andere is in dit geval vervat in een acte in optima forma, notarieel aangezien het om register- goederen gaat, wortelend in de Franse wet, niet herroepen, gewijzigd of anderszins aangetast en in een duidelijk erfrechtelijke context als gevolg van de omstandigheid dat de figuur van ‘donation-partage’ zich beperkt tot de kring van erflaters en hun vermoedelijke erfgenamen. Andere beschikkingen met betrekking tot hun gemeenschappelijke goederen en hun bestemming hebben de ouders van mijn echtgenote ook niet getroffen, aangezien daartoe immers geen noodzaak meer bestond na het passeren van de acte van 6 juni 2011. Het overlijden van de vader van mijn echtgenote op 19 juni 2012 heeft tenslotte het vruchtgebruik voor de langstlevende ouder in werking gesteld.
Ik resumeer:
- —
Ons beroep op de toepassing van art. 5.4 lid 3 sub a WIB rust niet op het vruchtgebruik op grond van buitenlands wettelijk erfrecht maar op vruchtgebruik op grond van een uiterste wilsbeschikking van de eerstoverleden ouder jegens de langstlevende ouder.
- —
Tegenover het vruchtgebruik dat dat artikel benoemt, staat een blooteigendom dat gesitueerd wordt bij een belastingplichtig kind. Over de wijze waarop die blooteigendom is of zou moeten zijn ontstaan laat het artikel zich niet uit.
- —
Het oogmerk van de wetgever is in art. 5.4.lid 5 en uit de Memorie van Toelichting uitdrukkelijk om in situaties waar blooteigendom en vruchtgebruik zijn gescheiden, de waarde van de onderhavige zaak in de heffingsgrondslag voor de Vermogensrenementsheffing (‘box 3’) bij de vruchtgebruiker in aanmerking te nemen en de blooteigendom onbelast te laten.
- —
De Franse acte van 6 juni 2011 moet terzake van het uitdrukkelijk bepaalde vruchtgebruik voor de langstlevende ouder zonder vermindering ten gevolge van het verscheiden van de eerstoverledene worden opgevat als een wilsuiting van de eerstoverlijdende ouder, die eerst na zijn overlijden in werking treedt en aldus aan de omschrijving van het Nederlandse BW 4:42 voldoet.
- —
De Franse acte van 6 juni 2011 roept uitdrukkelijk het Franse erfrecht in met zijn beperking tot de ‘vermoedelijke erfgenamen’. Het ontbreken van een beschikking die in afwijking van het wettelijk erfrecht bepalingen treft over de aanwijzing van erfgenamen behelst een stilzwijgend beroep op dat erfrecht. Daarmee is de erfrechtelijke context die de titel van arikel 5.4 en de Memorie van Toelichting schetsen, ruimschoots aanwezig.
- —
Bijgevolg zijn er geen redenen om art. 5.4 lid 3 sub a WIB niet van toepassing te achten op de hier dienende kwestie.
Wij menen daarom dat het Gerechtshof ten onrechte art. 5.4 lid 3 sub a niet van toepassing heeft bevonden.
De vraag wie in dezen de juiste opvatting vertolkt, leggen wij graag voor aan uw edelhoogachtbare college. Wij wachten uw bescheid geduldig af.
Gaarne vertrouwend u hiermee naar genoegen te hebben bericht, verblijven wij met hoogachting en beleefde groet,
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 22‑10‑2021
1 Art. 1075 Code Civil: ‘Toute personne peut faire, entre ses héritiers présomptifs, la distribution et le partage de ses biens et de ses droits. Cet acte peut se faire sous forme de donation- partage ou de testament-partage. II est soumis aux formalités, conditions et régies prescrites pour les donations entre vifs dans le premier cas et pour les testaments dans le second.
Conclusie 20‑05‑2021
Inhoudsindicatie
A-G Niessen heeft conclusie genomen in een zaak over de vraag of een bezitting, na te zijn overgedragen als donation entre vifs à titre de partage anticipé, wel of niet behoort tot de rendementsgrondslag van de blooteigenaar op de grond dat een vruchtgebruik op de bezitting rust op grond van een uiterste wilsbeschikking dan wel buitenlands wettelijk erfrecht. De ouders van belanghebbende hebben de blote eigendom van een door hen bewoonde woning in Frankrijk overgedragen aan belanghebbende, onder voorbehoud van een levenslang vruchtgebruik voor beide ouders en voor de langstlevende ouder. De overdracht heeft plaatsgehad naar Frans recht, en wel als een donation entre vifs à titre de partage anticipé. Nadien is de vader van belanghebbende overleden. Voor het gerechtshof Den Haag was in geschil of de blote eigendom van de woning niet behoort tot de rendementsgrondslag van belanghebbende op de voet van artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001 doordat een vruchtgebruik voor haar moeder op de woning rust op grond van een uiterste wilsbeschikking van wijlen haar vader dan wel buitenlands wettelijk erfrecht. Naar het oordeel van het Hof mist deze bepaling hier toepassing. Het Hof heeft vooropgesteld dat Nederlands burgerlijk recht een uiterste wilsbeschikking omschrijft als een eenzijdige rechtshandeling waarbij een erflater een beschikking maakt die eerst werkt na zijn overlijden en die in het wettelijke erfrecht is geregeld of als zodanig wordt aangemerkt. Vervolgens heeft het Hof onderzocht onder welke voorwaarden een rechtshandeling van de erflater wordt aangemerkt als diens wilsbeschikking naar Frans recht en is het nagegaan of de akte tot overdracht van (de blote eigendom van) de woning voldoet aan deze voorwaarden voor zover de akte ertoe strekt een vruchtgebruik voor de langstlevende ouder te vestigen. Het Hof komt tot de gevolgtrekking dat de akte in zoverre het karakter heeft van een notariële akte van schenking naar Frans recht. Daarom rust het vruchtgebruik van de moeder van belanghebbende op de woning niet op grond van een uiterste wilsbeschikking van wijlen haar vader en evenmin op grond van buitenlands wettelijk erfrecht, aldus het Hof. Tegen deze gevolgtrekking voert belanghebbende drie klachten aan. Ten eerste heeft het Hof artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001 te beperkt uitgelegd door deze bepaling niet toe passen op een geval waarin een ‘erfrechtelijke context’ speelt maar een testament ontbreekt, zoals hier. Ten tweede heeft het Hof ten onrechte bepaalde kenmerken van een overdracht als donation entre vifs à titre de partage anticipé veronachtzaamd. Ten derde heeft het Hof het toepasselijke Franse recht onjuist uitgelegd. A-G Niessen stelt voor de uitleg van de term “uiterste wilsbeschikking” in artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001, voorop dat deze term, die voortkomt uit het Nederlandse burgerlijke recht, in beginsel moet worden uitgelegd naar wat dit recht daaronder verstaat. Dat is – kort gezegd – een eenzijdige rechtshandeling waarbij een erflater een beschikking maakt die eerst werkt na zijn overlijden. Dit ligt niet alleen naar spraakgebruik (een beschikking die de erflater maakt bij uiterste wil) voor de hand. Het vindt ook nog eens bevestiging in de onderdelen b en c van hetzelfde artikellid, die zo mogelijk nog explicieter aansluiten bij het burgerlijke recht. Ook de parlementaire geschiedenis pleit voor een met dit recht overeenkomende uitleg door te refereren aan een verdeling van de nalatenschap die plaatsvindt op grond van een “testament”, aan een vruchtgebruik dat is gevestigd bij “testament” of aan voorbeelden van testamentaire bepalingen, zoals een (keuze)legaat of een partiële verdeling van de nalatenschap. Doel en strekking van artikel 5.4, lid 3, Wet IB 2001 verzetten zich evenmin tegen zo’n uitleg. Deze bepaling strekt ertoe bij wijze van een afwijkende toerekening van bezittingen tegemoet te komen aan de positie waarin een wettelijk erfrechtelijke verdeling dan wel een daarmee vergelijkbare testamentaire verdeling de betrokkene heeft gebracht. Voor de uitleg van de term “buitenlands wettelijk erfrecht” leidt de A-G uit de relevante parlementaire geschiedenis af dat deze term slechts ziet op gevallen waarin een recht van vruchtgebruik direct uit de buitenlandse erfwet ontstaat, dus van rechtswege zonder een uiterste wilsbeschikking. Volgens de A-G ligt in de – in cassatie onbestreden – vaststellingen van het Hof besloten dat het vruchtgebruik voor de moeder van belanghebbende niet direct is ontstaan uit de Franse erfwet. Dan rust dit vruchtgebruik op de woning niet op grond van buitenlands wettelijk erfrecht. De resterende vraag is of het op de woning rust op grond van een uiterste wilsbeschikking. Voor het antwoord daarop heeft het Hof volgens de A-G terecht beslissend geacht of de kenmerken die de overdrachtsakte heeft naar Frans recht overeenstemmen met wat het Nederlands burgerlijk recht verstaat onder een uiterste wilsbeschikking. Voor zover belanghebbende klaagt dat het Hof aldus artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001 te beperkt heeft uitgelegd, meent de A-G dat de klacht faalt. Voor zover zij klaagt dat het Hof bepaalde kenmerken van een overdracht als donation entre vifs à titre de partage anticipé heeft veronachtzaamd, meent de A-G dat de klacht eveneens faalt. Volgens de A G is het oordeel van het Hof dat de overdrachtsakte de kenmerken van een notariële akte van schenking naar Frans recht heeft, naar behoren gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Tot slot meent de A-G dat in cassatie niet met succes kan worden aangevoerd, zoals de laatste klacht doet, dat het Hof het toepasselijke Franse recht onjuist heeft uitgelegd. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie ongegrond wordt verklaard.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/03660
Datum 20 mei 2021
Belastingkamer III
Onderwerp/tijdvak Inkomstenbelasting 1 januari 2013 – 31 december 2016
Nrs. Gerechtshof BK-19/00743 tot en met BK-19/00746
Nrs. Rechtbank SGR 18/7643 tot en met SGR 18/7646
CONCLUSIE
R.E.C.M. Niessen
in de zaak van
[X]
tegen
de Staatssecretaris van Financiën
A-G Niessen heeft conclusie genomen in een zaak over de vraag of een bezitting, na te zijn overgedragen als donation entre vifs à titre de partage anticipé, wel of niet behoort tot de rendementsgrondslag van de blooteigenaar op de grond dat een vruchtgebruik op de bezitting rust op grond van een uiterste wilsbeschikking dan wel buitenlands wettelijk erfrecht.
1. Inleiding
1.1
Aan belanghebbende, [X] te [Z] , zijn aanslagen IB / PVV1.2013 tot en met 2016 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.028 (2013), € 8.000 (2014), € 8.000 (2015) respectievelijk € 12.973 (2016).
1.2
Na verzoeken om ambtshalve vermindering, is de aanslag IB / PVV 2013 gehandhaafd en zijn de aanslagen IB / PVV 2014 en 2015 verminderd tot telkens een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.000, elk bij een afzonderlijke beschikking van de Inspecteur2.. Na daartegen gemaakt bezwaar zijn deze beschikkingen gehandhaafd en is de aanslag IB / PVV 2016 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.973, elk bij een afzonderlijke uitspraak van de Inspecteur.
1.3
De Rechtbank3.heeft belanghebbendes beroep tegen die uitspraken van de Inspecteur ongegrond verklaard bij in één geschrift vervatte uitspraken.4.Het Hof5.heeft deze uitspraken van de Rechtbank bevestigd.6.
1.4
Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens regelmatig beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Hof. De Staatssecretaris7.heeft een verweerschrift ingediend. Hierop heeft belanghebbende niet gerepliceerd.
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
2.1
Op 6 juni 2011 hebben haar ouders de blote eigendom van een door hen bewoonde woning in Frankrijk (hierna: de woning) overgedragen aan belanghebbende, onder voorbehoud van een levenslang vruchtgebruik voor beide ouders en voor de langstlevende ouder. Nadien, op 19 juni 2012, is de vader van belanghebbende overleden.
2.2
Tot 6 juni 2011 behoorde de woning tot het gemeenschappelijke vermogen van de ouders van belanghebbende. De overdracht heeft plaatsgehad naar Frans recht, en wel als een donation entre vifs à titre de partage anticipé8.. Volgens de daarvan opgemaakte akte is de overdracht gegrond op de bepalingen van artikel 1075 en volgende van de Code Civil (hierna: CC). Na de overdracht is de akte niet gewijzigd, herroepen of herzien.
2.3
Voor zover van belang in cassatie, was voor de Rechtbank en het Hof in geschil of de blote eigendom van de woning wel of niet behoort tot de rendementsgrondslag van belanghebbende volgens artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001.
Rechtbank Den Haag
2.4
De Rechtbank heeft onderzocht of op de woning een vruchtgebruik rust op grond van een uiterste wilsbeschikking dan wel op grond van buitenlands wettelijk erfrecht als bedoeld in artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001. Dit onderzoek heeft de Rechtbank tot de slotsom gevoerd dat deze bepaling geen toepassing vindt.
2.5
De Rechtbank memoreert dat de akte verwijst naar de bepalingen van artikel 1075 tot en met 1078 CC. Deze bepalingen behoren tot Boek 3, Titel II, hoofdstuk VII, CC (artikel 1075 tot en met 1080 CC) over beschikkingen tussen bloedverwanten. Dit hoofdstuk valt uiteen in een sectie over Frans schenkingsrecht (artikel 1076 tot en met 1078 CC) en een sectie over Frans erfrecht (artikel 1079 en artikel 1080 CC). De akte verwijst niet naar de bepalingen van artikel 1079 en artikel 1080 CC, aldus de Rechtbank.
2.6
De Rechtbank overweegt dat de overdracht heeft plaatsgehad naar Frans recht ten titel van vervroegde erfdeling. Deze vervroegde erfdeling vindt plaats bij leven. Daarom ligt naar het oordeel van de Rechtbank een schenking ten grondslag aan die overdracht, en niet een uiterste wilsbeschikking. Bovendien spreekt de akte steeds van een schenker en begiftigden. Aan dit oordeel doet volgens de Rechtbank niet af dat belanghebbende de vermoedelijke erfgenaam is of dat de schenking is bedoeld als voorschot op een toekomstige erfenis.
2.7
De redactie van Fiscaal up to Date9.meent dat artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001 hier toepassing mist ook omdat beide ouders van belanghebbende nog in leven waren op het moment van de overdracht. Zij annoteert bij de uitspraak van de Rechtbank:
(…) In artikel 5.4 Wet IB 2001 is immers geregeld dat de regel slechts van toepassing is als het vruchtgebruik toekomt aan een echtgenoot van een overleden ouder. Uit deze voorwaarde volgt naar onze mening dat, zelfs in het geval waarin moet worden geoordeeld dat de schenking aan belanghebbende moet worden aangemerkt als een verkrijging krachtens het Franse erfrecht, de bloot eigendom tot de rendementsgrondslag moet worden gerekend. Ten tijde van de schenking van de onroerende zaak waren haar beide ouders immers nog in leven.
Gerechtshof Den Haag
2.8
Evenals de Rechtbank, is het Hof van oordeel dat artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001 toepassing mist, na te hebben onderzocht of daarop een vruchtgebruik rust op grond van een uiterste wilsbeschikking dan wel Frans wettelijk erfrecht.
2.9
In overeenstemming met de toelichtingen van partijen over het toepasselijke Franse recht begrijpt het Hof dat dit recht onderscheidt tussen een wilsbeschikking en een schenking tussen levenden. Artikel 895 CC omschrijft de wilsbeschikking (testament) als een rechtshandeling waarbij de erflater (testateur) bepaalt in geval van overlijden afstand te doen van zijn eigendommen en rechten, terwijl volgens artikel 894 CC de schenking tussen levenden (donation entre vifs) een rechtshandeling is waarbij de schenker (donateur) onmiddellijk en onherroepelijk afstand doet van de gift ten gunste van de verkrijger (donaitaire), die de gift accepteert.
2.10
Uit artikel 1075 CC leidt het Hof af dat eenieder zijn bezittingen kan overdragen en verdelen onder zijn vermoedelijke erfgenamen, naar de vorm van hetzij een donation-partage hetzij een testament-partage. In het eerste geval vinden de bepalingen over donations entre vifs toepassing, in het tweede geval die over testaments. De akte verwijst naar de artikelen 1077 en 1078 CC, die deel uitmaken van de bepalingen over donations-partages, en spreekt evenals die bepalingen steeds van donateur en donaitaires. Daarentegen verwijst de akte niet naar de artikelen 1079 en 1080 CC, die behoren tot de bepalingen over testaments-partages, en spreekt in tegenstelling tot die bepalingen niet van bénéficiaire. Daarnaast is de blote eigendom van de woning overgedragen en het vruchtgebruik daarop gevestigd bij leven van beide ouders van belanghebbende, zodat deze rechtshandelingen niet pas na het overlijden van één van beide ouders zijn ingetreden. Daarom heeft de akte naar het oordeel van het Hof het karakter van een notariële akte van schenking, en niet van een uiterste wilsbeschikking. Dit oordeel voert het Hof voorts tot de slotsom dat het vruchtgebruik niet is gevestigd op grond van Frans wettelijk erfrecht.
2.11
Aan dit oordeel doet volgens het Hof niet af dat een donation-partage is beperkt tot de kring van erflaters en hun vermoedelijke erfgenamen, dat de akte voorziet in een vruchtgebruik voor de langstlevende ouder of dat de akte niet is herroepen of herzien bij leven van de eerstoverleden ouder. Daaraan doet volgens het Hof evenmin af dat een donation-partage wordt aangemerkt als voorschot op het erfdeel en wordt verrekend met de legitieme portie van belanghebbende bij overlijden van de langstlevende ouder.
3. Het geding in cassatie
3.1
In cassatie bestrijdt belanghebbende het oordeel van het Hof dat hier artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001 toepassing mist, met drie klachten. De eerste klacht verwijt het Hof een te beperkte uitleg te hebben gegeven aan deze bepaling. Volgens belanghebbende heeft de wetgever daarmee het oog gehad op gevallen zoals dit met een ‘erfrechtelijke context’. De tweede klacht verwijt het Hof ten onrechte bepaalde kenmerken van een overdracht bij wijze van donation entre vifs à titre de partage anticipé te hebben veronachtzaamd. Volgens belanghebbende is van belang dat naar Frans recht alleen de vermoedelijke erfgenamen mogen optreden als verkrijgers. De derde klacht verwijt het Hof een onjuiste uitleg van het toepasselijke Franse recht.
3.2
Hieronder begin ik met (de wijzigingen in) de tekst van artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001 (zie 3.3-3.6). Ik vervolg met de parlementaire geschiedenis daarvan. Hierbij sta ik afzonderlijk stil bij wat daaraan voorafging (zie 3.7-3.12), de parlementaire geschiedenis van de bewoordingen “een uiterste wilsbeschikking” (zie 3.13-3.29) en die van de bewoordingen “buitenlands wettelijk erfrecht” (zie 3.30-3.32). Dan kom ik toe aan de klachten (zie 3.33-3.39).
De wettelijke toerekening van bezittingen met ‘erfrechtelijk’ vruchtgebruik
3.3
Volgens artikel 5.4, lid 3, Wet IB 2001 blijft (de blote eigendom van) een bezitting met een kwalificerend vruchtgebruik buiten de rendementsgrondslag van de blooteigenaar. Zo’n bezitting behoort volgens artikel 5.4, lid 4, Wet IB 20010 tot de rendementsgrondslag van de vruchtgebruiker, en wel als ware hij de volle eigenaar. Een vruchtgebruik kwalificeert als het – kort gezegd – voortkomt uit een erfrechtelijke aanspraak en toekomt aan de langstlevende echtgenoot van de eerstoverleden ouder van de belastingplichtige. Sinds 1 januari 2012 luiden artikel 5.4, leden 3 en 4, Wet IB 2001 als volgt (het door mij gecursiveerde gedeelte geldt sinds 1 januari 2014):
3 Tot de bezittingen behoren niet goederen: a. waarop een vruchtgebruik rust ten behoeve van de echtgenoot van een overleden ouder van de belastingplichtige op grond van een uiterste wilsbeschikking van die ouder dan wel op grond van buitenlands wettelijk erfrecht; b. waarop ten gevolge van de uitoefening door de belastingplichtige van een wilsrecht als bedoeld in de artikelen 19 of 21 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek een vruchtgebruik rust ten behoeve van de langstlevende echtgenoot, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van Boek 4 van dat wetboek; c. waarop ten behoeve van de echtgenoot van een overleden ouder van de belastingplichtige op grond van artikel 29 of 30 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek een vruchtgebruik is gevestigd.
4 Indien goederen ingevolge het derde lid niet tot de bezittingen van de belastingplichtige behoren, worden die goederen bij de in dat lid bedoelde echtgenoot in aanmerking genomen voor de waarde die deze goederen zouden hebben indien daarop geen vruchtgebruik zou rusten.
3.4
Tot 1 januari 2012 zag artikel 5.4, lid 2 (oud), Wet IB 2001 slechts op het vruchtgebruik dat artikel 4:19 of 4:21 BW vestigt op bezittingen die de belastingplichtige verkrijgt van zijn of haar langstlevende (stief)ouder na het uitoefenen van het desbetreffende wilsrecht.10.Tot deze datum zag artikel 5.4, lid 4 (oud), Wet IB 2001 op het vruchtgebruik uit een testamentair wilsrecht dat inhoudelijk overeenkomt met die wettelijke wilsrechten, mits het desbetreffende testament de gehele nalatenschap verdeelde.
3.5
Tot die datum kwalificeerde elk ander vruchtgebruik voor de langstlevende echtgenoot niet, zelfs niet als het voortkwam uit de (partiële) verdeling van de nalatenschap van de eerstoverleden ouder van de belastingplichtige volgens diens testament of het daarop toepasselijke wettelijke erfrecht. Dus tot diezelfde datum rekende de belastingplichtige de blote eigendom van een bezitting met zo’n ander vruchtgebruik bij de rendementsgrondslag; de langstlevende echtgenoot deed hetzelfde voor de waarde van het vruchtgebruik.11.
3.6
Voordat ik inga op de parlementaire geschiedenis van deze wetswijziging, merk ik nog op dat het gewijzigde artikel 5.4, lid 3, Wet IB 2001 bezittingen met een kwalificerend vruchtgebruik niet ‘defiscaliseert’ – ook al wordt wel eens gezegd van wel (zoals in die parlementaire geschiedenis; zie 3.13). Het ‘defiscaliseert’ niet de blote eigendom van zulke bezittingen: het fiscaliseert deze blote eigendom simpelweg bij een ander, namelijk bij de vruchtgebruiker in plaats van de blooteigenaar. Het ‘defiscaliseert’ het vruchtgebruik net zo min: het fiscaliseert zulke bezittingen bij de vruchtgebruiker als ware hij de volle eigenaar. Het gaat veeleer om een toerekeningsregel tussen belastingplichtigen ter zake van bezittingen waarop een kwalificerend vruchtgebruik rust.
De parlementaire geschiedenis van de gewijzigde toerekeningsregel
Vóór het voorstel tot wetswijziging
3.7
Op 1 januari 2012 is artikel 5.4, lid 3, Wet IB 2001 gewijzigd als onderdeel van de wet Overige fiscale maatregelen 2012.12.De parlementaire geschiedenis van deze wetswijziging gaat evenwel verder terug dan het daartoe strekkende wetsvoorstel. Ik sta eerst stil bij deze ‘preliminaire’ geschiedenis.
3.8
Vóór de wijziging van artikel 5.4, lid 3, Wet IB 2001 heeft het parlement meermaals de bewindspersonen verzocht de werking van deze bepaling uit te breiden naar andere ‘erfrechtelijke’ rechten van vruchtgebruik.13.In een brief van 14 september 2010 heeft de destijds demissionaire minister van Financiën uiteindelijk geantwoord tegemoet te willen komen aan deze verzoeken, maar een eventueel wetsvoorstel te willen laten aan een aan te treden ambtsopvolger.14.
3.9
Volgens de minister van Financiën verdient het niettemin overweging de werking van artikel 5.4, lid 3, Wet IB 2001 uit te breiden tot de maatschappelijk normaal geachte gevallen waarin een erflater zowel een partner als kinderen achterlaat en de partner komt te beschikken over alle goederen van de nalatenschap terwijl de kinderen de blote eigendom verkrijgen. Voor zo’n uitbreiding ziet de minister van Financiën een rechtvaardiging in de maatschappelijke opvattingen die mede ten grondslag liggen aan het wettelijke erfrecht. Voor een uitbreiding buiten die gevallen ziet hij geen rechtvaardiging. Hij schrijft in de brief:15.
(…) [In] gevallen waarin de erflater een partner en kinderen nalaat, [wordt] het als normaal (…) beschouwd dat de langstlevende partner de beschikking krijgt over alle goederen van de nalatenschap. De kinderen krijgen slechts een niet-opeisbare vordering of een blooteigendom hetgeen er voor hun gevoel vaak op neer komt dat zij «niets» krijgen. Deze allocatie van de goederen van de nalatenschap komt niet primair voort uit zakelijke motieven, maar uit het gevoel dat de langstlevende «in de spullen» moet blijven. (…) Hierin kan mijns inziens voldoende rechtvaardiging worden gevonden om de bestaande defiscaliseringsregeling uit te breiden. In gevallen waarin een erflater kinderen en een partner achterlaat zou meer dan nu het geval is, gekeken kunnen worden naar het eindresultaat dan naar de wijze waarop dit resultaat tot stand is gekomen. Het is goed verdedigbaar dat vorderingen die kinderen krachtens erfrecht krijgen op de partner van hun overleden ouder, die in beginsel pas opeisbaar zijn bij het overlijden van die partner, in de inkomstenbelasting worden genegeerd zodat de kinderen over het verkregen vermogen geen inkomstenbelasting verschuldigd zijn. Datzelfde zou ook moeten gelden voor een bloot-eigendom bij de kinderen van goederen waarvan de langstlevende partner het vruchtgebruik heeft. Het zou daarbij niet uit mogen maken of de vorderingen of de blote eigendom zijn ontstaan door toepassing van het wettelijk erfrecht, door een vruchtgebruiktestament of door bijvoorbeeld een keuzelegaat tegen inbreng van de waarde. Daarmee wordt aangesloten bij het maatschappelijk gevoelen op dit punt. Voor een uitbreiding van de defiscalisering buiten de gevallen waarin een erflater kinderen en een partner achterlaat, zie ik echter geen rechtvaardiging.
3.10
Als de toerekeningsregel wordt uitgebreid tot de maatschappelijk normaal geachte gevallen, maakt deze regel minder scherp onderscheid naar gelang het vruchtgebruik direct voortkomt uit het wettelijke erfrecht dan wel uit een met dat erfrecht overeenkomend testament. Dit ziet de minister als een bijkomend voordeel:16.
(…) Het voordeel hiervan is wel dat nalatenschappen fiscaal neutraler worden behandeld dan nu het geval is, zodat de fiscaliteit minder verstorend werkt op de wijze waarop de afwikkeling van een nalatenschap vorm krijgt.
3.11
Na de brief van 14 september 2010 is het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 5.4, lid 3, Wet IB 2001 aangekondigd in de Fiscale Agenda van de inmiddels aangetreden staatssecretaris van Financiën.17.Hij deelt de opvatting die regeling uit te breiden naar de maatschappelijk gebruikelijke gevallen waarin de langstlevende echtgenoot beschikt over goederen uit de nalatenschap van de eerstoverleden ouder en de belastingplichtige de bloot eigenaar is:18.
Het is wenselijk deze regeling uit te breiden tot gevallen waarbij weliswaar niet het wettelijk erfrecht is gevolgd maar waar op grond van een testament een situatie ontstaat die materieel voldoende vergelijkbaar is met het wettelijk erfrecht. Daaronder vallen onder meer: partiële verdelingen van een nalatenschap, (keuze)legaten tegen inbreng van de waarde, vruchtgebruiktestamenten en legitieme-vorderingen van een onterfd kind. De defiscalisering blijft wel beperkt tot vorderingen / schulden of genotsrechten in gevallen waarin de erflater, zoals dat maatschappelijk gebruikelijk is, goederen nalaat aan zijn langstlevende partner en zijn kind enkel een niet opeisbare vordering op die partner krijgt of een bloot eigendom.
3.12
Na deze ‘preliminaire’ geschiedenis van de wetswijziging van artikel 5.4, lid 3, Wet IB 2001 wend ik mij tot de parlementaire geschiedenis van het daartoe strekkende wetsvoorstel. Daarvoor ga ik te rade bij, als gezegd, het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2012.
Het voorstel tot wetswijziging: Overige fiscale maatregelen 2012
3.13
Zoals artikel 5.4, lid 3, Wet IB 2001 luidt sinds 1 januari 2012 (en tot 1 januari 2014; zie 3.3 en 3.30 hierna), zo luidde de in het wetsontwerp voorgestelde tekst van deze bepaling.19.In de memorie van toelichting merkt de regering op dat de voorgestelde tekst beoogt de toerekeningsregel toe te snijden op maatschappelijk gebruikelijke verdelingen van nalatenschappen van erflaters die een langstlevende echtgenoot en kinderen achterlaten. Ik citeer (maar laat de voetnoot weg):20.
(…) Zoals reeds aangekondigd in de Fiscale agenda wordt voorgesteld deze regeling uit te breiden tot gevallen waarbij weliswaar niet het wettelijk erfrecht is gevolgd maar waar op grond van een testament of van een verdeling van de nalatenschap een situatie ontstaat die materieel voldoende vergelijkbaar is met het wettelijk erfrecht. Daaronder vallen onder meer: partiële verdelingen van een nalatenschap, (keuze)legaten tegen inbreng van de waarde waarbij de inbreng wordt schuldig gebleven, vruchtgebruiktestamenten en legitieme vorderingen van een onterfd kind. De defiscalisering blijft wel beperkt tot vorderingen / schulden of genotsrechten in gevallen waarin de erflater, zoals dat maatschappelijk gebruikelijk is, goederen nalaat aan zijn langstlevende partner, en kinderen van de erflater of van die langstlevende partner enkel een niet opeisbare vordering op die partner of een bloot eigendom krijgen.
3.14
Met andere woorden, het wetsontwerp beoogt dezelfde toerekening als die welke geldt bij een wettelijk erfrechtelijke verdeling, voor een daarmee vergelijkbare testamentaire verdeling. Het beoogt eenzelfde toerekening uitsluitend voor goederen uit de nalatenschap van een erflater met een langstlevende echtgenoot en kinderen. Het ziet dus op gevallen waarin het testament een vergelijkbare verhouding voor de nalatenschapsgoederen treft tussen de langstlevende echtgenoot en kinderen als de verhouding die daarvoor tussen hen zou zijn ontstaan bij toepassing van het wettelijke erfrecht.
3.15
Overigens vereist het wetsontwerp niet langer dat de testamentaire verdeling alle goederen van de nalatenschap omvat. Anders dan voorheen (zie 3.4) is dezelfde toerekening bij testamentaire en wettelijk erfrechtelijke verdelingen niet beperkt tot gehele verdelingen van de nalatenschap. De voorgestelde regeling ziet namelijk mede op partiële verdelingen daarvan. In de artikelsgewijze toelichting merkt de regering hierover op:21.
Het nieuwe artikel 5.4, derde lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 ziet op gevallen waarin op grond van het testament van de erflater een vruchtgebruik is gevestigd ten behoeve van de langstlevende echtgenoot. Door deze bepaling vallen onder meer de klassieke vruchtgebruiktestamenten onder de defiscalisering. Door deze bepaling wordt ook het huidige artikel 5.4, vierde lid, van de Wet IB 2001 overbodig. In het huidige vierde lid van genoemd artikel is de defiscalisering geregeld van blooteigendom / vruchtgebruiksituaties die zijn ontstaan door de uitoefening door het kind van een wilsrecht op grond van een testament dat materieel overeenkomt met het wettelijk erfrecht. De eis dat defiscalisering alleen kan plaatsvinden in situaties die materieel overeenstemmen met het wettelijk erfrecht wordt in de voorgestelde opzet van artikel 5.4 van de Wet IB 2001 niet langer gesteld. Daarmee valt de blooteigendom / vruchtgebruiksituatie die is ontstaan door de uitoefening van een testamentair wilsrecht onder de werking van het voorgestelde derde en vierde lid van artikel 5.4 van de Wet IB 2001 zonder dat daarvoor een aanvullende bepaling nodig is.
3.16
Wel blijft het wetsontwerp beperkt tot de kring van ouders en hun kinderen.22.Tijdens de parlementaire behandeling is gevraagd naar een mogelijke uitbreiding van deze kring.23.In de nota naar aanleiding van het verslag antwoordt de regering daarop – langs dezelfde lijnen als de gewezen minister (zie 3.9) – dat het wetsontwerp het oog heeft op de maatschappelijk gebruikelijke gevallen van erfopvolging bij een erflater met een langstlevende echtgenoot en kinderen. De regering vervolgt dat dit maatschappelijke gevoelen niet een verdergaande uitbreiding van de toerekeningsregel rechtvaardigt:24.
(…) De huidige defiscaliseringsregeling komt maar ten dele tegemoet aan dit maatschappelijk gevoelen, omdat de regeling enkel van toepassing is indien materieel de weg van het wettelijk erfrecht wordt gevolgd en niet bij testamenten die langs een andere weg tot een gelijke uitkomst leiden. Hierin ligt voldoende rechtvaardiging om de bestaande defiscaliseringsregeling uit te breiden. Hierin ligt echter geen rechtvaardiging om ook de kring van personen waarvoor de defiscalisering geldt, uit te breiden. (…)
3.17
Weliswaar ziet het wetsontwerp op testamentaire verdelingen die materieel vergelijkbaar zijn met de wettelijk erfrechtelijke verdeling, maar het gaat niet zo ver dat het niet langer ertoe doet hoe beschikking en eigendom ter zake van nalatenschapsgoederen worden gesplitst in een testamentaire verdeling tussen de langstlevende echtgenoot en kinderen. Immers, de toerekeningsregel is beperkt tot (bezittingen met) een wilsrechtelijk of testamentair recht van vruchtgebruik dat beschikking (bij de langstlevende echtgenoot) en eigendom (bij de kinderen) splitst (zie 3.3). Een ander (genots)recht kwalificeert niet, ook al bereikt het een vergelijkbare splitsing (zie ook de in 3.16 aangehaalde opmerking in de nota naar aanleiding van het verslag).
3.18
Voor zover artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, en lid 4, Wet IB 2001 bezittingen met een kwalificerend vruchtgebruik toerekent aan de langstlevende echtgenoot als vruchtgebruiker, vergen deze bepalingen dat het vruchtgebruik voortkomt uit een “uiterste wilsbeschikking”. In zoverre moet de “uiterste wilsbeschikking” de vestigingshandeling van dit vruchtgebruik zijn (zie ook de in 3.15 aangehaalde artikelsgewijze toelichting). Als de vestigingshandeling een andere rechtshandeling dan de “uiterste wilsbeschikking” is, mist artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001 dus toepassing.25.
3.19
Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsontwerp is niet specifiek ingegaan op de betekenis van de term “uiterste wilsbeschikking” in (het destijds voorgestelde) artikel 5.4, lid 3, onderdeel a. Wel is nog gevraagd of deze bepaling van het wetsontwerp kan worden uitgebreid tot twee andere gevallen dan de testamentaire verdeling van een nalatenschap. Het eerste geval betreft de verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap die is ontbonden door overlijden, het tweede een finaal verrekenbeding dat wordt geëffectueerd door overlijden van één van beide echtgenoten.26.In de nota naar aanleiding van het verslag zegt de regering toe terug te komen op deze vragen:27.
Door de leden van de fractie van de ChristenUnie zijn enkele vragen gesteld over een mogelijke uitbreiding van de defiscalisering tot vorderingen en schulden die zijn ontstaan bij de verdeling van een huwelijksgemeenschap door overlijden en tot vruchtgebruik/blooteigendom situaties die zijn ontstaan bij de verdeling van een nalatenschap zonder testament. Ik wil mij nader beraden over de mogelijke implicaties daarvan en zal daarop nog tijdens de behandeling van dit wetsvoorstel terugkomen.
3.20
Voor de betekenis van de term “uiterste wilsbeschikking” in artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001 zou het instructief zijn geweest als de regering zou zijn teruggekomen op het tweede geval. In dat geval ontstaat namelijk weliswaar een vruchtgebruik bij overlijden, maar niet op grond van een testament. Maar in de verdere behandeling van het wetsontwerp in de Tweede Kamer heb ik, ondanks de daartoe strekkende toezegging, niet kunnen constateren dat de regering is teruggekomen op (één van) beide vragen.28.De Tweede Kamer heeft het wetsontwerp aangenomen met algemene stemmen.29.
3.21
Bij de behandeling in de Eerste Kamer is opnieuw gevraagd naar het geval waarin het overlijden van één van beide echtgenoten een finaal verrekenbeding effectueert, maar niet naar dat waarin overlijden leidt tot ontbinding en verdeling van de huwelijksgemeenschap.30.Ook is wederom gevraagd naar een uitbreiding van de kring van ouders en hun kinderen.31.Daarop licht de regering in de memorie van antwoord toe dat deze regel eraan tegemoet komt dat de betrokkenen niet door eigen toedoen zijn beland in de daarvoor in aanmerking komende gevallen, maar door toedoen van het (wettelijke) erfrecht. Ik citeer:32.
Aan de Wet inkomstenbelasting 2001 ligt het uitgangspunt ten grondslag dat iedereen wordt belast voor zijn eigen inkomsten, in box 1, box 2 of box 3. De defiscalisering (…) heeft ten doel om in situaties van verdeling van een nalatenschap volgens het wettelijk erfrecht dan wel daarmee materieel overeenkomende verdelingen, slechts de (…) vermogensrendementsheffing toe te passen bij degene die over dat vermogen en de inkomsten daaruit kan beschikken. Dat is in beginsel de langstlevende ouder. Om dit resultaat te bewerkstelligen wordt tussen de langstlevende ouder en de kinderen de niet-opeisbare schuld genegeerd. (…) Die uitzondering is gemaakt omdat de respectieve debiteuren en crediteuren zich niet zelf in de positie van schuldeiser of schuldenaar hebben gebracht, maar die toestand een gevolg is van de toepassing van wettelijke regels, in casu het wettelijk erfrecht.
3.22
Hoewel deze toelichting verwijst naar de posities van schuldeiser en schuldenaar, neem ik aan dat het niet anders is voor die van vruchtgebruiker en blooteigenaar. Immers, voor deze posities geldt evenzeer dat de langstlevende echtgenoot en kinderen daarin niet komen te verkeren door eigen toedoen maar door dat van het wettelijke erfrecht. Vervolgens merkt de regering over het wetsontwerp op:33.
De voorgestelde wijzigingen voorzien in een verdere uitbreiding naar gevallen waarin niet het wettelijk erfrecht is gevolgd maar waar op grond van een testament of een verdeling het resultaat gelijk is aan dat waarin het wettelijk erfrecht wel zou zijn gevolgd. (…) Hiermee zijn wat mij betreft wel de grenzen bereikt van hoever de defiscalisering werking kan hebben. Defiscalisering is van toepassing in de rechte lijn alsmede in gevallen van ongehuwde partners die in de sfeer van de Successiewet 1956 gelijkgesteld zijn met echtgenoten, als er sprake is van een verdeling krachtens wettelijk erfrecht of een daarmee materieel overeenkomende verdeling op grond van een testament. Deze criteria zijn duidelijk en goed objectief toetsbaar. De regeling moet immers ook uitvoerbaar en controleerbaar blijven. Verdere uitbreidingen van de toepassing van de defiscalisering brengen naar mijn smaak die aspecten in gevaar.
3.23
Daarmee heeft de regering toegelicht waarom het volgens haar niet wenselijk is de toerekeningsregel uit te breiden buiten de kring van ouders en hun kinderen. Maar daarmee is zij niet ingegaan op de vraag of deze regel kan worden uitgebreid tot de verdeling van een door overlijden ontbonden huwelijksgemeenschap – althans, het valt niet in te zien dat zo’n uitbreiding de toerekeningsregel onuitvoerbaar of oncontroleerbaar zou maken. In de verdere behandeling van het wetsontwerp in de Eerste Kamer is zij net zo min daarop ingegaan. Toch heeft (ook) de Eerste Kamer met algemene stemmen het wetsontwerp aangenomen.34.
De uitleg van “uiterste wilsbeschikking”
3.24
Na de ‘preliminaire’ en parlementaire geschiedenis van de wetswijziging van artikel 5.4, lid 3, Wet IB 2001 kom ik toe aan de uitleg van een “uiterste wilsbeschikking”, zoals deze term voorkomt in onderdeel a van dat artikellid. Die term komt voort uit het burgerlijke recht. Als uitgangspunt heeft mijns inziens dan te gelden dat die term wordt uitgelegd naar wat het burgerlijke recht daaronder verstaat.35.Volgens artikel 4:42, lid 1, BW is een uiterste wilsbeschikking een eenzijdige rechtshandeling waarbij een erflater een beschikking maakt die eerst werkt na zijn overlijden en die in het wettelijke erfrecht is geregeld of als zodanig wordt aangemerkt.
3.25
Niet alleen ligt deze uitleg naar het spraakgebruik – zo geef ik onmiddellijk toe – nogal voor de hand: artikel 4:42, lid 1, BW omschrijft een uiterste wilsbeschikking namelijk in wezen als een beschikking die de erflater maakt bij uiterste wil. Maar ook vindt deze uitleg nog eens bevestiging in de andere onderdelen van artikel 5.4, lid 3, Wet IB 2001. Immers, onderdelen b en c van dit artikellid sluiten zo mogelijk nog explicieter aan bij het burgerlijke recht.
3.26
Het hiervóór in 3.24 bedoelde uitgangspunt lijdt uitzondering als de parlementaire geschiedenis aanwijzingen bevat voor een van het burgerlijke recht afwijkende uitleg. Zulke aanwijzingen heb ik hier niet kunnen vinden. Integendeel, de aangehaalde parlementaire geschiedenis pleit op verschillende plaatsen vóór een met dat recht overeenkomende uitleg. Zo refereert de parlementaire geschiedenis herhaaldelijk aan een verdeling van de nalatenschap die plaatsvindt op grond van een “testament” (zie 3.13, 3.15 en 3.22; zie ook 3.11), aan een vruchtgebruik dat is gevestigd bij “testament” (zie 3.13 en 3.15; zie ook 3.9) of aan voorbeelden van testamentaire bepalingen, zoals een (keuze)legaat (zie 3.13; zie ook 3.9 en 3.11) of een partiële verdeling van de nalatenschap (zie 3.13; zie ook 3.11). Evenzo is het illustratief dat de parlementaire geschiedenis als voorbeeld van een geval waarin de toerekeningsregel toepassing mist, slechts andere testamentaire rechten dan vruchtgebruik noemt, en niet (ook) andere non-testamentaire rechten (zie 3.16).
3.27
Hoewel de regering is gevraagd of de toerekeningsregel toepassing vindt of kan vinden bij non-testamentaire verdelingen, is daarop inconcludent geantwoord (zie 3.20 en 3.23). Daaraan valt mijns inziens niet een aanwijzing te ontlenen voor de uitleg van de term “uiterste wilsbeschikking”. Daarop valt in elk geval niet te baseren dat deze term – in zoverre in afwijking van het burgerlijke recht – mede zou zien op non-testamentaire verdelingen.
3.28
Het gaat om een non-testamentaire verdeling in een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 november 2017,36.namelijk om een woning waarop een recht van gebruik en bewoning voor de langstlevende echtgenote rust op grond van een akte van verdeling van de nalatenschap en huwelijksgoederengemeenschap van de erflater. Diens testament voorzag in een vruchtgebruik voor de echtgenote op de gehele nalatenschap. Het hof beslist dat artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001 toepassing mist:
4.4
Zoals hiervoor (…) is vastgesteld, is belanghebbendes (mede-)eigendom van de woning ontstaan bij de akte van verdeling (…), waarbij aan ieder van de vijf kinderen, onder wie belanghebbende, een vijfde onverdeeld aandeel in de eigendom van de woning is toebedeeld en aan belanghebbendes moeder het beperkte recht van gebruik en bewoning, zulks in afwijking van het testament van belanghebbendes vader. Er is dus in het onderhavige geval geen sprake van een vruchtgebruik ten behoeve van moeder dat is gevestigd krachtens het testament van vader.
Ik versta deze beslissing aldus dat naar het oordeel van het hof het recht van gebruik en bewoning niet geldt als vruchtgebruik,37.en de akte van verdeling niet als “uiterste wilsbeschikking”. Aldus verstaan, stemt deze beslissing – mijns inziens terecht – overeen met wat het burgerlijke recht verstaat onder een vruchtgebruik en uiterste wilsbeschikking.38.Overigens heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie tegen die uitspraak niet-ontvankelijk verklaard op de voet van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.39.
3.29
Bovendien verzetten het doel en de strekking van artikel 5.4, leden 3 en 4, Wet IB 2001 zich niet ertegen “uiterste wilsbeschikking” op te vatten in overeenstemming met het burgerlijke recht. Deze bepalingen strekken ertoe bij wijze van een afwijkende toerekening van bezittingen tegemoet te komen aan de positie waarin een wettelijk erfrechtelijke verdeling de betrokkene heeft gebracht (zie 3.21-3.22). De wetswijziging op 1 januari 2012 strekt slechts ertoe dezelfde tegemoetkoming te bieden wanneer dezelfde positie niet ontstaat door een wettelijk erfrechtelijke verdeling maar door een daarmee vergelijkbare testamentaire verdeling (zie 3.14).
Het voorstel tot nadere wetswijziging: Overige fiscale maatregelen 2014
3.30
Inmiddels biedt de wet een voorziening voor bepaalde ‘buitenlandse’ gevallen waarin nagelaten bezittingen zijn bezwaard met een recht van vruchtgebruik voor de langstlevende echtgenoot, hoewel een “uiterste wilsbeschikking” ontbreekt. Op 1 januari 2014 is namelijk artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001 zodanig gewijzigd dat mede het vruchtgebruik op grond van “buitenlands wettelijk erfrecht” kwalificeert (zie ook 3.3).
3.31
Deze wetswijziging maakt deel uit van de wet Overige fiscale maatregelen 2014.40.De memorie van toelichting spreekt van een lacune in de toerekeningsregel:41.
Een dergelijk vruchtgebruik krachtens erfrecht [als bedoeld in artikel 5.4, lid 3, Wet IB 2001; A-G] vloeit naar Nederlands recht nooit direct uit de wet voort, maar wordt gevestigd op grond van een uiterste wilsbeschikking, na de uitoefening van wilsrechten als bedoeld in artikel 5.4, derde lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 of op verlangen van de langstlevende echtgenoot in de gevallen, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, van genoemd artikel. Gebleken is echter dat zich gevallen voordoen waarin op grond van buitenlands wettelijk erfrecht een vruchtgebruik is ontstaan dat materieel overeenkomt met een vruchtgebruik als bedoeld in artikel 5.4, derde lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001, maar waarbij die blooteigendom-vruchtgebruiksituaties niet onder die bepaling vallen omdat het vruchtgebruik niet gevestigd is op grond van een uiterste wilsbeschikking. Hier is sprake van een lacune die met de wijziging van artikel 5.4, derde lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 wordt verholpen.
3.32
Hieruit maak ik op dat de wetswijziging slechts ziet op gevallen waarin buitenlands wettelijk erfrecht de verdeling van de nalatenschap van een erflater met een langstlevende echtgenoot en kinderen beheerst. Voor zulke gevallen wordt een vruchtgebruik dat volgens buitenlands wettelijk erfrecht ontstaat van rechtswege – dus direct uit de buitenlandse erfwet, zonder een “uiterste wilsbeschikking” – voor de langstlevende echtgenoot, aangemerkt als een kwalificerend vruchtgebruik.
De beoordeling van de klachten
3.33
Belanghebbende is eigenaar van een woning waarop een recht van vruchtgebruik rust voor de echtgenote van wijlen haar vader. Dan behoort de woning tot de rendementsgrondslag van belanghebbende, tenzij het recht van vruchtgebruik daarop rust op grond van een uiterste wilsbeschikking,42.of buitenlands wettelijk erfrecht,43.als bedoeld in artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001. Het Hof heeft geoordeeld – kort gezegd – dat dit recht op de woning rust op grond van een schenking. In cassatie bestrijdt belanghebbende dit oordeel.
3.34
Het Hof heeft – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat de ouders van belanghebbende (elk de onverdeelde helft in de gemeenschappelijke eigendom van) de woning hebben overgedragen op grond van een daarvan opgemaakte akte volgens Frans recht, onder voorbehoud van een vruchtgebruik voor beiden bij leven en voor de langstlevende bij overlijden van één van hen.44.Daarin ligt mijns inziens als vaststelling besloten dat volgens Frans recht de rechtshandeling tot vestiging van het vruchtgebruik de daartoe strekkende bepaling van deze akte is. Anders gezegd, het vruchtgebruik rust naar Frans recht vanaf het opmaken van de akte niet van rechtswege op de woning en dus niet op grond van buitenlands wettelijk erfrecht als bedoeld in artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001 (zie 3.32). Zie ik het goed, dan klaagt belanghebbende niet over het oordeel van het Hof dat dit vruchtgebruik niet op grond van buitenlands wettelijk erfrecht rust op de woning.
3.35
De resterende vraag is of het vruchtgebruik voor de moeder van belanghebbende rust op de woning op grond van een uiterste wilsbeschikking als bedoeld in artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001. Voor het antwoord op deze vraag heeft het Hof vooropgesteld wat het Nederlandse burgerlijke recht verstaat onder een uiterste wilsbeschikking.45.Vervolgens heeft het onderzocht onder welke voorwaarden van Frans recht een rechtshandeling van de erflater wordt aangemerkt als diens wilsbeschikking, en is het nagegaan of de akte in zoverre als zij ertoe strekt dit vruchtgebruik te vestigen, al dan niet voldoet aan deze voorwaarden.46.Daarmee heeft het Hof voor het antwoord op die vraag beslissend geacht of de kenmerken die de akte in zoverre heeft naar Frans recht, overeenstemmen met wat het Nederlands burgerlijk recht verstaat onder een uiterste wilsbeschikking. Dat lijkt mij terecht (zie 3.24-3.29).
3.36
In cassatie betoogt belanghebbende dat artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001 met de bewoordingen “een uiterste wilsbeschikking” doelt op gevallen, zoals hier, waarin een ‘erfrechtelijke context’ aan de orde is maar een testament ontbreekt, en de wetgever dus een ruimere uitleg van deze bewoordingen heeft bedoeld.47.Voor zo’n ruimere uitleg bestaan evenwel onvoldoende aanknopingspunten in de parlementaire (of ‘preliminaire’) geschiedenis van die bepaling. Ik memoreer dat daarin steeds wordt verwezen naar andere testamentaire rechten dan vruchtgebruik, niet naar non-testamentaire rechten (zie 3.26) en naar testamentaire verdelingen, niet naar non-testamentaire verdelingen (zie 3.27). Het betoog van belanghebbende mist dus doel.
3.37
Naar het oordeel van het Hof heeft de akte het karakter van een notariële akte van schenking naar Frans recht. Hierbij heeft het Hof de tekst van de akte vergeleken met de Franse wettelijke bepalingen over, aan de ene kant, testamentaire verdelingen en, aan de andere, schenkingen tussen levenden. Volgens het Hof (a) verwijst de akte naar de artikelen 1077 en 1078 CC over schenkingen tussen levenden, maar niet naar de artikelen 1079 en 1080 CC over testamentaire verdelingen, (b) spreekt de akte steeds over donateur en donataires zoals ook de artikelen 1077 en 1078 CC doen, maar niet over bénéficiaire zoals de artikelen 1079 en 1080 CC doen en (c) is het in de akte verwoorde vruchtgebruik gevestigd niet pas bij overlijden van één van beide ouders.48.Aldus is dit oordeel mijns inziens naar behoren gemotiveerd. Het is geenszins onbegrijpelijk.
3.38
In cassatie betoogt belanghebbende dat het Hof ten onrechte heeft veronachtzaamd dat naar Frans recht slechts de vermoedelijke erfgenamen van de overdrager(s) mogen optreden als verkrijgers van een overdracht bij wijze van donation entre vifs à titre de partage anticipé.49.Ik merk op dat het Hof deze omstandigheid heeft betrokken in de oordeelsvorming maar onvoldoende heeft geacht voor het oordeel dat het vruchtgebruik op de woning rust op grond van “een uiterste wilsbeschikking”.50.Dit betoog van belanghebbende treft dus evenmin doel.
3.39
Tot slot betoogt belanghebbende dat het Hof het toepasselijke Franse recht onjuist heeft uitgelegd. Dit betoog ziet eraan voorbij dat de wet niet toestaat de uitspraak van het Hof te casseren op de grond dat het recht van een vreemde staat is geschonden.51.Met andere woorden, in cassatie kan niet met succes worden aangevoerd, zoals belanghebbende doet, dat het Hof de Franse wettelijke bepalingen over een overdracht bij wijze van donation entre vifs à titre de partage anticipé verkeerd heeft uitgelegd. Als gezegd, is de uitleg van deze bepalingen door het Hof geenszins onbegrijpelijk (zie 3.37). Ook dit betoog kan dus niet tot cassatie leiden.
4. Conclusie
De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑05‑2021
Inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen.
De inspecteur van de Belastingdienst, kantoor [P] .
De rechtbank Den Haag.
Rechtbank Den Haag 24 oktober 2019, nrs. SGR 18/7643 t/m SGR 18/7646, ECLI:NL:RBDHA:2019:11206, ERF-2019-0271, FutD 2019-2959 met annotatie van de redactie, NTFR 2019/2822, V-N Vandaag 2019/2519, Vp-bulletin 2020/16 met annotatie van Rebbens en Tobben.
Het gerechtshof Den Haag.
Gerechtshof Den Haag 30 september 2020, nrs. BK-19/00743 t/m BK-19/00746, ECLI:NL:GHDHA:2020:1878, ERF-2020-0243, FutD 2020-3026, NTFR 2020/3517 met annotatie van Alink, V-N Vandaag 2020/2441.
De staatssecretaris van Financiën.
In mijn vrije vertaling: een schenking tussen levenden ten titel van vervroegde verdeling.
Zie FutD 2019-2959.
Artikel 4:19 BW betreft het geval dat de langstlevende ouder wenst te hertrouwen. In dit geval kent die bepaling het kind een wilsrecht toe goederen te verkrijgen tot een gelijke waarde als de vordering van het kind uit de nalatenschap van de eerstoverleden ouder jegens zijn of haar langstlevende ouder. Artikel 4:21 BW biedt het kind een vergelijkbaar wilsrecht jegens zijn of haar stiefouder.
Tenzij de voordelen uit het desbetreffende goed worden gerekend tot het belastbare inkomen in box 1 of box 2 van de langstlevende ouder. Te denken valt aan de eigen woning van de langstlevende ouder die hij of zij bewoonde samen met de eerstoverleden ouder bij leven. Of tenzij, zoals hier, de langstlevende ouder niet in Nederland belastingplichtig is ter zake van (de voordelen uit) het desbetreffende goed.
Stb. 2011, 640.
Al in 2006 bij de evaluatie van de Wet IB 2001 heeft de Tweede Kamer hierom verzocht bij de staatssecretaris van Financiën. Zie Kamerstukken II 2005-2006, 30 375, nr. 4, p. 6. Aanvankelijk zag de staatssecretaris geen aanleiding tegemoet te komen aan dit verzoek. Idem, p. 21-22. Later zegde hij daarop toe terug te komen bij de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de Successiewet. Zie Kamerstukken II 2008-2009, 30 375, nr. 6, p. 5-6. Vóór het ontvangen van dit wetsvoorstel en tijdens het behandelen ervan heeft de Tweede Kamer de staatssecretaris herinnerd aan deze toezegging. Zie Kamerstukken II 2008-2009, 30 375, nr. 7, p. 25 en Kamerstukken II 2009-2010, 31 930, nr. 76, p. 12 en p. 20. Ook de Eerste Kamer zegde hij toe daarop terug te komen. Zie Handelingen I 2009-2010, nr. 13, p. 455.
Idem, p. 6-7.
Idem, p. 7.
De Fiscale Agenda, Naar een eenvoudiger, meer solide en fraudebestendig belastingstelsel, 14 april 2011, Kamerstukken II 2010-2011, 32 740, nr. 1.
Idem, p. 62.
Zie artikel 1(H) wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2012, Kamerstukken II 2011-2012, 33 004, nr. 2.
Idem, p. 37.
Dit is niet helemaal zuiver. Voor de toepassing van de toerekeningsregel hoeft de langstlevende echtgenoot niet een ouder van de belastingplichtige te zijn. Los daarvan geldt als ouder van de belastingplichtige ook diens stiefouder. Zie artikel 5.4, lid 6, Wet IB 2001 (tekst op 1 januari 2012). En als langstlevende echtgenoot geldt ook – kort gezegd – de ongehuwde partner van de (stief)ouder van de belastingplichtige. Zie artikel 5.4, lid 6, Wet IB 2001 in samenhang gelezen met artikel 1a, leden 1 tot en met 4, Successiewet. Zie ook Kamerstukken II 2011-2012, 33 004, nr. 3, p. 35 en p. 37-38. Daarnaast geldt de toerekeningsregel nog voor een persoon die bij plaatsvervulling is geroepen tot de nalatenschap van de eerstoverleden (stief)ouder van de belastingplichtige, zoals een kleinkind van die (stief)ouder. Zie artikel 5.4, lid 5, onderdeel a, Wet IB 2001 (tekst op 1 januari 2012).
Terzijde merk ik op dat voor de wilsrechtelijke vruchtgebruiken van artikel 5.4, lid 3, onderdelen b en c, Wet IB 2001 niet is vereist dat zij voortkomen uit een bepaalde vestigingshandeling. Al is uiteraard wel nodig dat de verrichte handeling rechtsgeldig een vruchtgebruik vestigt volgens de daarvoor geldende vereisten van het burgerlijke recht. Zo vereist het vestigen van een vruchtgebruik op een registergoed, zoals een in Nederland gelegen woning, een notariële akte en inschrijving daarvan in de openbare registers. Zie artikel 3:89, lid 1, in samenhang gelezen met artikel 3:98 van het Burgerlijk Wetboek.
In deze constatering sta ik overigens niet alleen. In haar bespreking van de behandeling van het wetsontwerp in de Tweede Kamer constateert Klinkert-Cino hetzelfde. Zie J.A.M. Klinkert-Cino, ‘Defiscalisering anno 2012’, FBN 2011/65, onderdeel 5.3. In zijn bespreking van de wetswijziging op 1 januari 2012 constateert Schoenmaker het ook. Zie F.A.M. Schoenmaker, ‘Defiscalisering van het erfrecht in de inkomstenbelasting anno 2012’, KWEP 2013/1, onderdelen 8 en 10.
Handelingen II 2011-2012, nr. 25, item 7, p. 44.
Idem.
Idem, p. 26-27.
Handelingen I 2011-2012, nr. 14, item 6, p. 23.
Zie ook R.E.C.M. Niessen, Rechtsvinding in belastingzaken (inaugurele rede), Amersfoort: Sdu Uitgevers 2009, p. 36 en de aldaar aangehaalde literatuur.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 november 2017, nr. 16/01059, ECLI:NL:GHARL:2017:9607, Belastingadvies 2018/3.3 met annotatie van Kolthof, FutD 2017-2841, NTFR 2017/2883, V-N Vandaag 2017/2668, Vp-bulletin 2018/37 met annotatie van de redactie. De uitleg van “uiterste wilsbeschikking” in artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001 is verder niet aan bod gekomen in de gepubliceerde rechtspraak, voor zover ik heb kunnen nagaan.
Voor zover de belanghebbende zich heeft beroepen op de goedkeuring in het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 8 mei 2015, nr. BLKB2015/409M, Stcrt. 2015, 13801, oordeelt het hof namelijk nog dat daarvoor een vruchtgebruik is vereist en dat in dit geval geen sprake is van een vruchtgebruik. Idem.
Terzijde merk ik op dat de Nederlandse wet niet alle beschikkingen die een erflater maakt bij uiterste wil, aanmerkt als uiterste wilsbeschikkingen. Te denken valt aan een uiterste wil die twee of meer personen maken bij dezelfde akte. Zo’n uiterste wil – ook wel: erfovereenkomst – is volgens artikel 4:93 BW nietig. Eenzelfde uiterste wil kan naar het buitenlandse burgerlijke recht dat de erfopvolging van de erflater beheerst, wél als geldig worden erkend in Nederland. Zie hierover A.L.G.A. Stille, Erfrecht in het IPR (Praktijkreeks IPR), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2020, p. 235-238, die verwijst naar artikel 3, lid 1, onderdeel b, van Verordening (EU) nr. 650/2012 (de zogeheten Erfrechtverordening). Hier is niet de vraag aan de orde of het Unierecht in voorkomend geval met zich brengt (ook) zo’n uiterste wil aan te merken als een uiterste wilsbeschikking als bedoeld in artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001. Ik laat die vraag dan ook rusten.
Hoge Raad 25 mei 2018, nr. 17/05961, ECLI:NL:HR:2018:766, FutD 2018-1400, NTFR 2018/1247, V-N Vandaag 2018/1118.
Stb. 2013, 566.
Zo ja, dan behoort de woning niet tot haar rendementsgrondslag in 2013-2016.
Zo ja, dan behoort de woning tot de rendementsgrondslag in 2013, maar niet daartoe in 2014-2016.
Zie de bestreden uitspraak, r.o. 2.3.
Idem, r.o. 5.4.
Idem, r.o. 5.4-5.6.
Zie het beroepschrift in cassatie, p. 7 en p. 8-9.
Zie de bestreden uitspraak, r.o. 5.5.
Zie het beroepschrift in cassatie, p. 4, p. 6 en p. 8.
Zie de bestreden uitspraak, r.o. 5.5.
Zie artikel 79, lid 1, onderdeel b, van de Wet op de rechterlijke organisatie.