Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/12.5.7.1:12.5.7.1 Inleiding
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/12.5.7.1
12.5.7.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491810:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als vermogensbestanddelen van de splitsende rechtspersoon fiscale meerwaarden bevatten en als gevolg van een fiscaal gefaciliteerde splitsing het bereik van de Wet VPB 1969 verlaten, is de latere heffing niet verzekerd.1 Ik focus op situaties waarin de vermogensbestanddelen bij de verkrijgende rechtspersoon niet gaan behoren tot het Nederlandse ondernemingsvermogen. Nederland verliest dan zijn fiscale greep op dat vermogen. Standaardvoorwaarde 1, lid 1 schrijft voor dat de splitser de vermogensbestanddelen onmiddellijk vóór het (af)splitsingstijdstip moet waarderen op de waarde in het economische verkeer. Deze standaardvoorwaarde fungeert in deze context dus als een exitheffing. De fiscaal begeleide splitsing verloopt zodoende niet geheel zonder heffing van vennootschapsbelasting ingeval de vermogensbestanddelen fiscale meerwaarden bevatten. Op verzoek kan de gespreide betalingsregeling van art. 25b IW 1990 worden toegepast. Ik ga hierna eerst in op reguliere gevallen waarin vermogen als gevolg van de fiscaal gefaciliteerde splitsing het bereik van de Wet VPB 1969 verlaat. Daarna besteed ik aandacht aan de bijzondere situatie waarin een buiten Nederland gelegen vi in het kader van een fiscaal begeleide splitsing overgaat naar een in het buitenland gevestigde verkrijger.2