Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/4.3.3
4.3.3 Neutraliteit
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS456407:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Soeteman, Pedagogiek 2008-1, p. 30-31.
EHRM 26 oktober 2000, nr. 30985/96 (Hasan en Chaush v Bulgarije), EHRC 2000/90, m.nt. Gerards, par. 78.
, EHRM 10 november 2005 (GK), nr. 44774/98 (Leyla Şahin v Turkije), par. 107; EHRM 4 december 2008, nr. 27058/05 (Dogru v Frankrijk), par. 62; EHRM 15 juni 2010, nr. 7710/ 02 (Grzelak v Polen), par. 86 en EHRM 7 juli 2011 (GK), nr. 23459/03, (Bayatyan v Armenië), par. 120.
EHRM 13 februari 2003, nr. 41340/98, 41342/98, 41343/98, 41344/98, AB 2003, 152 (Refah Partisi v Turkije), par. 91. Zie ook Kamerstukken II 2003/2004, 29614, nr. 2 (Kabinetsnota ‘Grondrechten in een pluriforme samenleving’), p. 8.
M.D. Evans 2012, p. 77.
Nussbaum 2013, p. 90.
Locke 2002, p. 130.
Locke 2002, p. 133.
Locke 2004, p. 61.
Er zijn uiteraard gematigde varianten van het liberalisme die meer ruimte bieden voor erkenning van religieuze en culturele diversiteit. Walzer maakt in dit verband onderscheid tussen wat hij noemt Liberalisme I en Liberalisme II. Liberalisme I (het Lockeaanse Liberalisme) staat vijandig tegenover het tolereren van verschillen, liberalisme II is wel bereid om het belang van gelijke behandeling af te wegen tegen het belang van erkenning. Zie Taylor 1995, p. 77 en ‘Commentaar’ hierop door Walzer op p. 121.
Locke 2002, p. 142.
Bijvoorbeeld wanneer een werknemer vanwege godsdienstige redenen niet op zondag wil werken. De redenering is dan dat hij vrij is om ergens anders te gaan werken waar hij niet op zondag wordt ingeroosterd.
Locke 2004, p. 56.
Zie 2.2.5.
Naast de invloed op de kwalificatie van het fenomeen godsdienst heeft het liberale uitgangspunt van neutraliteit ook grote invloed gehad op de reikwijdte van de vrijheidssfeer (zie hierover 2.2.9-2.2.10). Met betrekking tot art. 6 Grondwet is de leer van de redelijke uitleg van grondrechten hiervan een uitvloeisel. Met betrekking tot art. 9 EVRM is de in de jurisprudentie ontwikkelde leer dat een rechtssubject niet beschermd wordt in zijn uitingen of gedragingen indien deze het gevolg zijn van zijn eigen keuze, hiervan een uitvloeisel.
Een belangrijk liberaal ideaal is dat de staat geen standpunt inneemt ten aanzien van de intrinsieke waarde van verschillende opvattingen over het goede leven, bijvoorbeeld door te stellen of te laten blijken dat hij protestantse overtuigingen overtuigender vindt dan katholieke. De reden dat de staat zich neutraal opstelt is dat niet kan worden bewezen of godsdienstige of levensbeschouwelijke waarheden ‘waar’ zijn. Daarom wordt binnen het liberale perspectief geen definitie gegeven van wat godsdienst of levensbeschouwing is.1
Het liberale concept van neutraliteit komt in de Nederlandse rechtsorde terug in het beginsel van scheiding tussen kerk en staat en het in de jurisprudentie ontwikkelde leerstuk van de interpretatieve terughoudendheid. De scheiding tussen kerk en staat veronderstelt dat de staat geen standpunten inneemt over het ‘goede leven’. Om die reden kunnen we stellen dat het liberale begrip van godsdienst een onbepaald begrip is. De staat mag geen partij kiezen. Dit veronderstelt dat de staat geen waardeoordeel mag hebben over de inhoud van een geloofsovertuiging en ook niet over het belijden en het tot uitdrukking brengen van de overtuiging.2 De taakomschrijving van de staat die het EHRM geeft in de Refah Partisi-zaak (en later meermaals herhaald3) kunnen we begrijpen als een afgeleide van het liberale concept van neutraliteit. Het stelt dat voor de staat de rol is weggelegd van een neutrale en onpartijdige ‘organiser’ ten aanzien van de uitoefening van de verschillende godsdiensten en levensovertuigingen. De staat dient daarbij de openbare orde te bewaken en religieuze harmonie en tolerantie in een democratische samenleving na te streven.4 Dit kan de staat volgens het EHRM onder andere bewerkstelligen door ervoor te zorgen dat er een zekere graad van wederzijds respect is tussen groepen die met elkaar wedijveren en door te garanderen dat in het publieke domein verschillende ideeën en opinies naar voren kunnen komen.5
Een kenmerk van het liberaal gezindtepluralisme is dat het neutraliteit op een Lockeaanse wijze verstaat. Locke vindt dat wetten non-discriminatoir moeten zijn ten aanzien van religieuze gebruiken, dat wil zeggen dat dezelfde wetten ten aanzien van religieuze activiteiten op iedereen van toepassing dienen te zijn, ongeacht diens godsdienst.6 Locke geeft als voorbeeld van een discriminatoire wet, de Engelse wet uit het verleden die het illegaal maakte om Latijn te spreken in de kerk, maar mensen wel toestond om Latijn te spreken op school. Het was volgens Locke duidelijk dat een dergelijke wet de onderdrukking van rooms-katholieken als oogmerk had.7
Een ander voorbeeld van een discriminatoire wet is volgens Locke de wet die het illegaal maakte om mensen onder te dompelen in water tijdens de doop, maar die mensen wel toestond om zich onder te dompelen in water omwille van hun gezondheid of recreatie. Een dergelijke wet zou volgens Locke gericht zijn op de vervolging van baptisten. Locke stelt:
‘En laat het iedereen, tot welke kerk hij ook behoort, vrij zijn om alles waartoe men in het dagelijks leven krachtens de wet de vrijheid heeft, ook in de heilige eredienst te verrichten.’8
Omgekeerd is Locke echter ook van mening dat een wet die niet gericht is op het vervolgen of reguleren van godsdienst of de wijze waarop religieuze activiteiten plaatsvinden, oftewel een neutrale wet, gehandhaafd kan blijven ook indien hierdoor gelovigen van een bepaalde stroming zouden worden bevoordeeld of benadeeld. Een dergelijke wet kan gehandhaafd blijven omdat hij niet gericht is op de achterstelling van een bepaald geloof maar een neutraal karakter draagt. Locke stelt:
‘Want het private oordeel over een wet die gemaakt is met het oog op het algemeen belang of op politieke aangelegenheden, neemt haar verplichtende karakter niet weg en wettigt geen aanspraak op tolerantie.’9
Volgens Locke kunnen mensen als ze vinden dat hun geweten hun niet toestaat om een bepaalde wet te gehoorzamen het beste hun geweten volgen. Ze zullen volgens Locke dan echter wel de wettelijke gevolgen hiervan moeten dragen.10 Locke geeft als voorbeeld het zich op religieuze gronden onttrekken aan de wettelijke plicht van militaire dienst of het niet willen werken op bepaalde dagen vanwege religieuze gronden.11
De positie van Locke komt erop neer dat hij niet erkent dat de godsdienstvrijheid aan de orde is wanneer een beperking hierop geregeld wordt door een wet met een neutraal doel. Wanneer de rechter in een concrete casus van deze positie uitgaat kan dit twee mogelijke benaderingen impliceren. Ten eerste kan het zijn dat hij wel vindt dat de aangelegenheid godsdienstig is maar dat de wet een neutraal doel dient en dat om die reden het rechtssubject niet de vrijheid heeft om zijn godsdienst uit te oefenen. Hij legt dan als het ware een beperking op zonder daarbij terug te grijpen op het wettelijke beperkingsregime. Deze benadering past in het kader van artikel 6 Grondwet in de eerder beschreven leer van de redelijke uitleg van grondrechten (2.2.9) en in het kader van artikel 9 EVRM in de (inmiddels verlaten) EHRM jurisprudentielijn die erop neerkomt dat de godsdienstvrijheid niet aan de orde is wanneer het rechtssubject de mogelijkheid heeft om een beperking te voorkomen (2.2.10).12 Ten tweede kan de positie van Locke impliceren dat de rechter in een concrete casus ervan uit gaat dat de aangelegenheid niet als godsdienstig kan worden gekwalificeerd omdat deze aangelegenheid geregeld wordt door een neutrale wet. De redenering is dan dat een beperking in de vorm van een neutrale wet per definitie betrekking heeft op neutrale onderwerpen. Met andere woorden, de vermeende godsdienstige uiting of gedraging kan niet als zodanig worden gekwalificeerd omdat het een neutraal onderwerp betreft. Locke heeft het in dit kader over aangelegenheden die ‘indifferent’ zijn, dat wil zeggen onverschillig of neutraal. Volgens Locke kunnen indifferente aangelegenheden slechts worden gezien als godsdienstig indien daarvoor een onbetwijfelbaar mandaat is. Hij stelt:
‘Aangelegenheden die vanuit hun natuur indifferent zijn, kunnen door geen enkele menselijke autoriteit of menselijke wil tot deel van een heilige eredienst worden gemaakt en wel omdat ze indifferent zijn. Want juist omdat indifferente aangelegenheden door geen enkele eigenschap geschikt zijn om de goddelijke macht gunstig te stellen, is geen enkele menselijke autoriteit in staat om hen de waardigheid en verhevenheid te verlenen die hun verdienstelijk zou maken tegenover God.’
En:
‘Indifferente aangelegenheden zijn bij de verering van God slechts dan toegestaan wanneer ze door God ingesteld zijn, die ze door een onbetwijfelbaar mandaat de waardigheid verleend heeft om deel uit te maken van de eredienst die het de majesteit van de hoogste goddelijke macht verwaardigt om ons arme zondaars te ontvangen.’13
De consequentie van Lockes zienswijze is dat alledaagse uitingen en gedragingen, zoals het drinken van wijn en eten van brood tijdens de eredienst slechts dan een godsdienstige uiting of gedraging zijn wanneer duidelijk is dat deze uitingen en gedragingen een ‘onbetwijfelbaar mandaat’ hebben. Voor het drinken van wijn en eten van brood is dat dan het geval omdat volgens het heilige boek van de christenen Jezus deze gedraging zelf als sacrament zou hebben ingesteld. De vraag waarop Locke geen antwoord geeft, is wanneer men weet dat een uiting of gedraging een onbetwijfelbaar mandaat heeft. In feite zien we dit probleem ook terug in de hedendaagse jurisprudentie waar men worstelt met de vraag wanneer een uiting of gedraging een ‘directe uitdrukking’ is van godsdienst.
De tweede benadering van de rechter, die erop neerkomt dat uitingen en gedragingen niet als godsdienstig kunnen worden gekwalificeerd omdat ze worden gereguleerd door een neutrale wet en daarom ‘indifferent’ zijn, is voor het onderwerp van dit proefschrift van belang aangezien hier het begrip van godsdienst aan de orde is. Wanneer ik in het vervolg van dit proefschrift – in het kader van neutraliteit – spreek over een benadering die past bij het ideaaltype van liberaal gezindtepluralisme, dan doel ik op deze tweede benadering.
We kunnen stellen dat het Lockeaanse perspectief op neutraliteit terugkomt in het in de nationale en EHRM-jurisprudentie ontwikkelde – en tot voor kort onbetwiste – uitgangspunt dat alleen uitingen en gedragingen die een directe uitdrukking zijn van godsdienst of levensbeschouwing vallen onder de reikwijdte van artikel 9 EVRM en artikel 6 Grondwet.14 Alledaagse (Locke bezigt dus de term ‘indifferent’) en atypische uitingen of gedragingen die worden gereguleerd door ‘neutrale’ wetten worden dan niet erkend als uiting of gedraging van godsdienst of levensovertuiging. Een voorbeeld hiervan is de uitspraak over de antroposofische huisarts, waarin een huisarts weigerde deel te nemen aan een pensioensregeling. De ARRvS overwoog dat de pensioensregeling moet worden beschouwd als een neutrale wet en dat de weigering om hieraan deel te nemen niet kan worden gekwalificeerd als directe uitdrukking van godsdienst.15