Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/9.2
9.2. Waarde van en tegenprestatie voor een onderneming in het erfrecht
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS616825:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor de onderbouwing van dit standpunt verwijs ik naar hoofdstuk 5, § 7.2. Zie verder in paragraaf 5 over de verdelingswaarde van een onderneming.
Ik onderbouw dit standpunt, met verwijzing naar voorbeelden en nuanceringen, in hoofdstuk 5, § 9.
Op de vermogensrechtelijke kwalificatie(s) van een onderneming kom ik terug in hoofdstuk 10, § 2.2 en § 2.3.
Zie over dit vraagstuk verder, hoofdstuk 10, § 2.4.
Hausmann komt voor het Duitse erfrecht tot een vergelijkbare conclusie als zijschrijft dat de rechtsverhouding het doel, de functie en de methode van waardering bepaalt. Veronika Hausmann, Die Vererbung von Landgutern nach dem BGB (diss. Mainz), Konstanz: Hartung-Gorre Verlag 2000, p. 163. Zie ook hoofdstuk 11, § 2.2.
Zie bijvoorbeeld in hoofdstuk 5, § 3.1.6.3 en hoofdstuk 11, § 2.3.
Indien men, naar de opvatting van de meeste schrijvers die ook de mijne is, aanneemt dat goodwill niet als een goed, als een absoluut vermogensrecht, kan worden aangemerkt, terwijl algemeen wordt aangenomen dat aan goodwill wel een waarde kan worden toegekend, kan daarmee tevens worden onderbouwd dat waarde geen eigenschap van een goed is. Zie over de vermogensrechtelijke kwalificatie van goodwill, hoofdstuk 10, § 5.
Hetzelfde zou men overigens kunnen beweren voor de rechtsverhoudingen tussen de overheid, bijvoorbeeld de Belastingdienst, en haar ‘onderdanen’.
Voor de Duitse legitiemeregeling wordt de toepassing van de beginselen van ‘Treu und Glauben’ (§ 242 BGB) eveneens afgewezen, zowel voor de waardering (zie hoofdstuk 11, § 2.2) als voor de opeisbaarheid van het Pflichtteil (zie hoofdstuk 11, § 2.3).
Uit de inventarisatie in hoofdstuk 4, § 2 blijkt dat de begrippen waarde, tegenprestatie en prijs in het erfrecht in abstracte zin worden gebruikt om de daarin voorkomende rechtsverhoudingen te (kunnen) concretiseren, waarbij het meestal gaat om een in geld uitgedrukt belang of geconcretiseerde prestatie. In de onderzochte bepalingen en sub-rechtsgebieden (zie hoofdstuk 5, § 1) voert het begrip waarde de boventoon; de (redelijke) prijs wordt slechts in art. 4:38 lid 1 BW aangetroffen en de (redelijke) tegenprestatie slechts in art. 4:126 lid 2 letter art. BW.
De in beide laatstgenoemde bepalingen gehanteerde begrippen lijken niet te duiden op het gebruik daarvan in abstracte zin. Zowel een prijs als een tegenprestatie duiden op een – op een ‘markt’ – overeengekomen onderhandelingsresultaat. Niets is, althans voor wat betreft deze bepalingen, echter minder waar.
In hoofdstuk 5, § 7.2 heb ik betoogd dat het gebruik van het woord prijs in art. 4:38 BW in feite niet juist is; de kantonrechter ‘maakt’ immers geen prijs. Wat van het woordgebruik ook zij, in deze bepaling wordt met een redelijke prijs voor erflaters onderneming naar mijn mening in ieder geval niet gedoeld op de op een markt overeengekomen – concrete – prijs. De door de kantonrechter vast te stellen vergoeding dient mijns inziens gelijk te zijn aan de waarde van de betrokken onderneming, indien deze in een verdeling van erflaters nalatenschap aan een voortzetter zou worden toegedeeld. Een ‘abstracte prijs’ derhalve. De redelijke prijs is naar mijn mening dan ook te vereenzelvigen met een verdelingswaarde.1
In hoofdstuk 5, § 9 ben ik op de redelijke tegenprestatie van art. 4:126 lid 2 letter a BW ingegaan. Het begrip wordt in deze bepaling eveneens in abstracte zin gehanteerd, omdat de redelijke tegenprestatie dient te worden vergeleken met de overeengekomen tegenprestatie (prijs) om te bezien of van een quasi-legaat als in deze bepaling bedoeld, sprake is. Voor de toetsing van de redelijkheid van een tegenprestatie dient de objectieve waarde in het economische verkeer als – enig – uitgangspunt te worden genomen. Dit is in overeenstemming met de rol die het quasi-erfrecht inneemt in de schuldeisersbescherming en in de legitiemeregeling. Ik kom in laatstgemelde paragraaf tot de conclusie dat de door de wetgever in het leven geroepen ordening tussen de verschillende erfrechtelijke crediteuren is gediend met een gelijksoortig waardebegrip. De waarde in het economische verkeer is daarvoor de aangewezen waarderingsmaatstaf.2
Voor de goede orde zij opgemerkt dat de in art. 4:126 lid 2 letter a BW bedoelde quasi-erfrechtelijke verkrijging ziet op ‘een goed van een der partijen’.
Aannemende dat een onderneming niet als een goed, als een vermogensrecht, kan worden aangemerkt, dringt zich de vraag op of het quasi-erfrecht een onderneming, als een algemeenheid van goederen en schulden, kan betreffen.3 De verkrijging van de goederen kan quasi-erfrechtelijk van aard zijn, waarbij de tegenprestatie geheel of gedeeltelijk bestaat uit de overgenomen schulden. Óf deze goederen en schulden in hun onderlinge samenhang als een onderneming kunnen worden aangemerkt, dient naar mijn mening – objectief bezien – op het verkrijgingsmoment te worden beoordeeld.4 Het is immers de vraag of de tegenprestatie redelijk is voor een onderneming als zodanig of voor een onsamenhangend geheel van goederen en schulden.
In beide laatstgenoemde bepalingen worden de begrippen prijs en tegenprestatie derhalve in abstracte zin gebruikt; in art. 4:38 BW wordt mijns inziens naar een verdelingswaarde verwezen terwijl de redelijkheid van de tegenprestatie in art. 4:126 lid 2 letter a BW wordt afgemeten aan de waarde in het economische verkeer van de quasi-erfrechtelijke verkrijging. Het waardebegrip, zo blijkt hieruit reeds en opnieuw, heeft in het erfrecht geen uniforme inhoud. Voor wat betreft de bepalingen waarin het begrip waarde expliciet wordt gebruikt, luidt de conclusie niet anders.
In hoofdstuk 4, § 3.2.2 heb ik aangegeven dat aan – de inhoud van – het waardebegrip de formulering van een waarderingsgrondslag vooraf gaat. Naar mijn mening dient voor het erfrecht van een actuele waarde te worden uitgegaan. In art. 4:6 BW kan daarvoor een aanknopingspunt worden gevonden, nu daarin de waarde op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden wordt voorgeschreven. Verkrijgings- of vervaardigingsprijzen, die een historische waarde mede bepalen, blijven in beginsel buiten beschouwing.
Met de actuele waarde als grondslag kunnen verschillende waardebegrippen worden onderscheiden, waarbij voor het erfrecht kan worden gedacht aan de economische waarde (de waarde in het economische verkeer) of de verdelingswaarde (de waarde die bij de verdeling van een nalatenschap in aanmerking moet worden genomen).
De schakel tussen bijvoorbeeld het begrip economische waarde en de concrete, geschatte waarde, wordt – mede – gevormd door de toe te passen waarderingsmethode(n). De keuze voor een bepaalde waarderingsmethode, of een combinatie van verschillende methoden, wordt bepaald door het doel van de waardering en het perspectief van waaruit deze dient te geschieden, zo heb ik in laatstgemelde paragraaf geschreven.5 Het doel van een waardering op basis van de economische waarde kan de vaststelling van de omvang van de legitimaire massa zijn. Ervan uitgaande dat daarvoor de meest objectieve waarde in aanmerking moet worden genomen, dient mijns inziens van zowel het perspectief van een fictieve verkoper als van een fictieve koper op een fictieve markt te worden uitgegaan. Welke waarderingsmethode of methoden vervolgens toegepast zouden kunnen of moeten worden om deze waarde te bepalen, valt buiten het bestek van deze proeve; ik kan mij voorstellen dat bijvoorbeeld de aard en de omvang van de onderneming daarop mede van invloed kunnen zijn. Omdat ik abstraheer van de mogelijke of geboden waarderingsmethoden, heb ik de waarde in het economische verkeer dan ook telkens aangeduid als een waarderingsmaatstaf.
Voor de concretisering van een verdelingswaarde speelt laatstbedoelde waarderingsmaatstaf eveneens een rol. De verdelingswaarde vloeit als het ware voort uit de verbintenisrechtelijke en/of goederenrechtelijke rechtsverhouding tussen deelgenoten. De objectieve waarde in het economische verkeer kan daarbij als referentiepunt dienen, maar ook een hoofdrol of zelfs de enige rol vervullen. De invloed van deze waarderingsmaatstaf wordt door bedoelde rechtsverhouding, die inhoud krijgt door hetgeen de wet regelt, de deelgenoten overeengekomen zijn en het ongeschreven recht voorschrijft, bepaald. Ter concretisering van een verdelingswaarde kunnen derhalve, afgezien van de ‘objectieve (fictieve) marktsituatie’, andere factoren van belang zijn, waarbij bijvoorbeeld gedacht kan worden aan een verzorgingsbelang of de continuïteit van de tot de gemeenschap behorende onderneming.
Bij dit alles dient te worden bedacht, zoals vaker in deze proeve aangegeven,6 dat de waarde van een goed niet als een eigenschap daarvan kan worden aangemerkt.7 Waarde is ‘iets’ dat door de wetgever of door rechtssubjecten aan een goed (of een schuld) kan worden toegekend, en hangt samen met de complexe verhouding van een goed (of een schuld) tot zijn ‘omgeving’. Waarde ‘bevindt’ zich in wettelijke of verbintenisrechtelijke rechtsverhoudingen tussen rechtssubjecten, welke rechtsverhoudingen de inhoud van het toepasselijke waardebegrip (mede) bepalen.8 De voor het desbetreffende waardebegrip relevante waarderingsfactoren kunnen zowel in het te waarderen object als in de betrokken rechtssubjecten gelegen zijn.
In hoofdstuk 5, § 12.2 concludeerde ik op basis van het in dat hoofdstuk verrichte onderzoek dat de waardebegrippen in de verschillende erfrechtelijke sub-rechtsgebieden van Boek 4 BW aan de volgende tweedeling kunnen worden onderworpen:
de, door de wil van de wetgever beheerste, sub-rechtsgebieden waarin de objectieve (verkoop)waarde in het economische verkeer in aanmerking dient te worden genomen als primaire waardebepalende factor, te weten de ‘wilsrechtenregeling’, de ‘andere wettelijke rechten’ en de legitieme portie, in welke sub-rechtsgebieden de redelijkheid en billijkheid geen of slechts in door de wetgever aangegeven, expliciete gevallen een rol (kunnen) spelen;9
de, door de wil van de erflater en/of de erfgenamen beheerste, sub-rechtsgebieden waarin de redelijkheid en billijkheid gebieden om met alle relevante factoren, dus ook met de objectieve, economische waarde, die de waarde voor de desbetreffende rechtssubjecten – mede – bepalen rekening te houden, te weten de wettelijke verdeling, in het bijzonder betreffende de vaststelling van de daaruit voortvloeiende geldvorderingen, de inbrengregeling en de nalatenschapsverdeling.
Het leidende waardebegrip in de onder 1 bedoelde sub-rechtsgebieden is de economische waarde, oftewel de waarde in het economische verkeer als waarderingsmaatstaf (zie hiervoor), en in de onder 2 bedoelde sub-rechtsgebieden de verdelingswaarde, of – zo men voor de wettelijke verdeling wil – de verrekenwaarde, dan wel in het algemeen gesproken, de rechtssfeerwaarde.
In dit hoofdstuk zal ik, zoals in paragraaf 1 aangegeven, beide bedoelde waardebegrippen met betrekking tot de onderneming concretiseren aan de hand van mijn bevindingen in het onderzoek voor deze proeve. Op de bedoelde sub-rechtsgebieden als zodanig zal ik in beginsel niet terugkomen; ik verwijs daarvoor naar de desbetreffende paragrafen van hoofdstuk 5.
Voordat ik op beide bedoelde waardebegrippen voor de onderneming inga, sta ik in de volgende paragraaf kort stil bij mijn conclusies in hoofdstuk 8 voor wat betreft de rechtseenheid in de waardebegripsvorming, nu deze mede van belang kunnen zijn voor de concretisering van de waarde van de onderneming, in het bijzonder met het oog op toepasbare waarderingsmaatstaven en mogelijk relevante waarderingsfactoren.