Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/21.3.1:21.3.1 Misbruik van rechten met een religieus object
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/21.3.1
21.3.1 Misbruik van rechten met een religieus object
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS456433:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Halder, Asiel & Migratierecht 2010, p. 477.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De eerste vraag, of onoprechte personen rechten met een religieus object niet zullen gaan misbruiken om zo voor zichzelf een vrijheidssfeer te creëren, refereert eigenlijk niet naar een probleem dat zich specifiek voordoet ten aanzien van rechten met een religieus object. Ook voor vele andere rechten spelen bewijsproblemen. Het verschil is wel dat voor die rechten het bewijsprobleem meestal geen betrekking heeft op zoiets bovennatuurlijks als het geloof in God of goden. Dat maakt een oplossing voor dit type bewijsprobleem extra moeilijk. In de nationale en EHRM-jurisprudentie wordt een oprechtheidstoets niet als zodanig benoemd. Wel zien we in het asielrecht dat een asielzoeker die stelt om godsdienstige redenen te zijn gevlucht zijn verhaal voor het bestuursorgaan of rechter aannemelijk moet maken. Ook zien we in het kader van gelijke behandeling (AWGB) dat een bijzondere (godsdienstige) school slechts onderscheid op grond van godsdienst mag maken indien zij kan aantonen dat het hierin een eenduidig beleid voert. We zouden dit voorbeelden kunnen noemen van een oprechtheidstest. Vanuit de gehele breedte van het recht bezien valt echter op dit terrein nog veel te winnen.1 Er zijn vooralsnog geen harde criteria in wetgeving en jurisprudentie ontwikkeld op grond waarvan de oprechtheid van een rechtssubject kan worden getoetst.