Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.9:5.9 Conclusie
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.9
5.9 Conclusie
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS649000:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de analyse van de beëindiging van de groepsvrijstellingsregeling blijkt dat de regeling rondom de intrekking van de 403-verklaring en de regeling rondom de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid diverse onvolkomenheden bevat. Zo is niet duidelijk wanneer de publicatieplicht herleeft wanneer de toepassing van de groepsvrijstellingsregeling wordt gestaakt. Gediscussieerd kan worden over de vraag of een 403-verklaring tevens een intrekkingsverklaring kan zijn. De vraag is of de volgorde waarin de voorwaarden om de overblijvende aansprakelijkheid te mogen beëindigen dwingendrechtelijk is.
Uit de rechtspraak blijkt dat de belangrijkste problemen rondom de beëindiging van de groepsvrijstellingsregeling zich manifesteren rondom de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid. Wanneer wordt aangenomen dat een 403-verklaring direct leidt tot het ontstaan van vorderingsrechten, zonder dat daar acceptatie door een schuldeiser voor nodig is, dan bestaat de overblijvende aansprakelijkheid uit zelfstandige vorderingsrechten van de schuldeisers die een vordering hebben op de (voorheen) vrijgestelde rechtspersoon. Het feit dat vorderingsrechten kunnen ‘verdwijnen’ door het eenzijdig afleggen van een verklaring, is een opmerkelijk verschijnsel.
Uit de rechtspraak blijkt dat het vaststellen van de hardheid van een vordering en de omvang van een vordering in een verzetprocedure tot geschillen leidt. De vraag is waar het evenwicht tussen de belangen van de schuldeisers en de rechtspersoon die een 403-verklaring heeft afgegeven ligt of zou moeten liggen. De geschillen rondom de hardheid van de vordering en de omvang van de vordering, kunnen niet worden toegeschreven aan de kwalificatie van de 403-verklaring of aan de daaruit voortvloeiende rechten.
Een ander probleem in het kader van de beëindiging van het groepsregime is de positie van pandhouders. Wanneer de 403-verklaring had geleid tot een afhankelijk zekerheidsrecht, zoals borgtocht, dan was er geen onduidelijkheid ontstaan over de positie van pandhouders. Nu sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid, is er sprake van zelfstandige vorderingsrechten en is geen sprake van afhankelijke rechten die simpelweg door een pandhouder uitgeoefend kunnen worden.
De conclusie is dat ook in het kader van de beëindiging van de groepsvrijstellingsregeling problemen ontstaan. Niet alle problemen die zich in het kader van de beëindiging van het groepsregime voordoen, vinden hun oorzaak in het feit dat hoofdelijke aansprakelijkheid als vereiste in de groepsvrijstellingsregeling is opgenomen.
Het probleem dat zich voordoet met betrekking tot de positie van pandhouders wordt veroorzaakt doordat het vereiste van hoofdelijke aansprakelijkheid als vereiste in de groepsvrijstellingsregeling is opgenomen. Indien het uit een 403-verklaring voortvloeiende recht zou kwalificeren als borgtocht, zou dit probleem zich niet voordoen.