Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.5.6
4.5.6 Ongerechtvaardigde verrijking en doorbreking van de paritas creditorum
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS498825:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie artikel 3:277; HR 3 november 2006, NJ 2007/155 (Nebula).
Dit argument werd genoemd door de Hoge Raad in het arrest Quint/te Poel (HR 30 januari 1959, NJ 1959/548) tegen het aannemen van een algemene verrijkingsactie. Zie daarover Brandsma 1994, p. 251; nuancerend: Hartkamp 2001, p. 333; Gerdes 2005, p. 179-206.
Vgl. ook Wissink 2002, p. 30-33, die meent dat de toewijsbaarheid van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking in gevallen waarin een andere partij ook een vordering heeft op grond van hetzelfde feitencomplex, van geval tot geval moet worden beoordeeld.
C kan bovendien de overeenkomst met B ontbinden omdat B tekort is geschoten in de nakoming van zijn verbintenis tot leveren en gebruiken van materialen; B schiet tekort omdat C – anders dan hij op grond van de overeenkomst met B mocht verwachten – een vergoeding voor deze materialen moet betalen aan A.
Welke gevolgen heeft de hierboven voorgestelde benadering van rechtshandelingen en derden voor de paritas creditorum?1 Uit het beginsel volgt onder meer dat als meerdere schuldeisers (die geen voorrang of voorrechten hebben) verhaal willen nemen op (een bestanddeel van) het vermogen van de schuldenaar, zij recht hebben op de opbrengst naar rato van de omvang van hun vordering. Dit brengt in een eventueel faillissement mee dat de curator (na eerst de boedelcrediteuren en bevoorrechte schuldeisers te hebben voldaan) het actief van het vermogen van de schuldenaar moet verdelen onder de schuldeisers naar rato van de omvang van hun vorderingen.
Voor het oude recht is wel eens opgemerkt dat het ontstaan van een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking in meerpartijenverhoudingen kan leiden tot een doorkruising van het beginsel van de paritas creditorum.2 Een voorbeeld verduidelijkt wat met deze opmerking wordt bedoeld. Stel, A betaalt op grond van een vergissing onverschuldigd een bedrag aan B. B wil het geld terugbetalen aan A, maar B vergist zich. B maakt het geld over naar de bankrekening van C. Daartoe is B alleen maar in staat doordat A geld had overgemaakt aan B – zonder de vergissing van A zou B’s saldo ontoereikend zijn geweest voor deze betaling aan C. B wordt vervolgens failliet verklaard. In de boedel bevindt zich een vordering op C tot terugbetaling. De faillissementsboedel is echter ontoereikend om de concurrente schuldeisers, zoals A, volledig te voldoen. A probeert aan de gevolgen van het faillissement te ontkomen door C aan te spreken op grond van ongerechtvaardigde verrijking. A stelt te zijn verarmd, doordat hij onverschuldigd geld heeft betaald aan B, waarvan hij geen (volledige) terugbetaling ontvangt. A stelt verder dat C zonder deze verarming van A geen onverschuldigde betaling van B zou hebben ontvangen. Kortom, A stelt dat C ten koste van hem ongerechtvaardigd is verrijkt. Stel nu dat als C zou nakomen aan A, ook de vordering van B op C teniet zou gaan, omdat C niet hoeft te betalen aan zowel A als de curator. In dat geval zouden de overige schuldeisers zich niet kunnen verhalen op de opbrengst van de vordering van B op C. A zou dan worden bevoordeeld ten koste van de andere schuldeisers van B, waardoor de gelijkheid van schuldeisers zou worden doorbroken.
Is deze doorkruising van de paritas creditorum onaanvaardbaar? Bedacht moet worden dat het enkele feit dat B of diens curator een vordering heeft op C niet bepalend is voor het ontstaan van de vordering van A op C. Dit blijkt als we kijken naar het voorbeeld uit paragraaf 4.5.5.1 waarin beunhaas B bouwwerkzaamheden verricht bij C en materialen gebruikt die zijn gestolen van A. Beunhaas B heeft op grond van de overeenkomst BC recht op vergoeding van de materialen. Wij zagen dat A een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking heeft tegen zowel B als C. Laten we aannemen dat B failliet is gegaan. Het moment waarop het faillissement werd uitgesproken, is niet van belang voor de vraag of A een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking verkrijgt. Evenzeer is het bestaan van de vordering van A niet relevant voor het antwoord op de vraag of zich in de boedel van B een vordering tot vergoeding van de materialen bevindt.
C heeft in sommige gevallen dus twee schuldeisers. In die gevallen gaat het mijns inziens om de rangorde van de vorderingen van A en B ten opzichte van elkaar. De vraag welke vordering voorgaat, zal moeten worden beantwoord aan de hand van (een analoge toepassing van) de regels van pluraliteit van schuldeisers artikel 6:15).3 Daarbij dient te worden bedacht dat de schuldeiser die een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking instelt, aanvaarde risico’s in beginsel niet mag afwentelen op derden. Ik sluit echter niet uit dat in bepaalde gevallen de vordering van A voorgaat; in het bijzonder in gevallen waarin geen sprake is van risicoafwenteling. Stel bijvoorbeeld dat beunhaas B failliet gaat voordat hij betaling heeft ontvangen voor de gebruikte materialen van opdrachtgever C. Verdedigbaar is dat de vordering van de bestolen eigenaar A voorgaat op de vordering van B die de curator wil innen. Dit heeft niet tot gevolg dat A ten onrechte risico’s afwentelt. A is immers bestolen en heeft niet met B gecontracteerd, waardoor hij niet het risico heeft aanvaard dat B geen verhaal zal blijken te bieden. Wanneer de vordering van A voorgaat, zal C niet aan de curator hoeven te betalen.4 De vorderingen van de overige crediteuren van B kunnen dan niet worden voldaan uit de vordering van B op C.
Mijn conclusie is dan ook dat de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking de paritas creditorum kan doorbreken. Of deze doorbreking in een concreet geval onaanvaardbaar is, dient te volgen uit (een analoge toepassing van) de regels over pluraliteit van schuldeisers artikel 6:15).