Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.3.2
4.3.2 Vastgoedtransacties die als dienst kwalificeren
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291353:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van een dienst is eveneens sprake indien bij de levering van een appartementsrecht een cascogarantie is overeengekomen op grond waarvan de leverancier zich verplicht om het casco en de gemeenschappelijke ruimten van het appartementencomplex te onderhouden (besluit Staatssecretaris van Financiën 7 augustus 2003, nr. CPP2003/1857M, FED 2003/571, ingetrokken bij besluit Staatssecretaris van Financiën 14 juli 2009, nr. CPP2008/137M, V-N 2009/39.23 vanwege het beschrijvende/casuïstische karakter).
MvA, Kamerstukken II 1967/68, 9324, 9410, nr. 6, p. 61.
Onder vigeur van de Tweede en Zesde Richtlijn stonden deze voorbeelden in bijlage A, punt 9 van de Tweede Richtlijn respectievelijk art. 6 lid 1, tweede alinea Zesde Richtlijn.
HR 23 juni 1999, nr. 34.536, BNB 1999/293.
De formulering van dit voorbeeld is naar mijn mening ongelukkig, omdat hierin ook het begrip ‘dienst’ wordt vermeld. In plaats van de omschrijving ‘het verrichten van een dienst’ had daarom beter gekozen kunnen worden voor de omschrijving ‘het verrichten van een handeling’ of ‘een doen, nalaten of dulden’.
Voorbeelden van vastgoedtransacties die als een dienst moeten worden aangemerkt zijn: de verhuur van vastgoed, de zogenoemde ‘verhuur plus’ van vastgoed, time share van vastgoed, operational leasing van vastgoed en financial leasing van vastgoed die op grond van art. 14 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn niet als een levering kwalificeert. Daarnaast omvat het begrip ‘dienst’ ook tal van andere diensten die weliswaar geen vastgoedtransacties zijn, maar wel betrekking hebben op vastgoed, zoals de oplevering van werken in onroerende staat die op grond van het nationale recht van een lidstaat niet gelijkgesteld is met een levering, het onderhoud van vastgoed1, de bemiddeling bij de aan- of verkoop van vastgoed door een makelaar2 en vastgoedbeheer. Uit art. 31bis lid 2 Btw-uitvoeringsverordening blijkt dat voormelde opsomming gemakkelijk uit te breiden is met tal van andere diensten. Niet alleen in art. 31bis lid 2 Btw-uitvoeringsverordening, maar ook in art. 25 Btw-richtlijn worden een aantal voorbeelden van diensten genoemd die in het kader van dit onderzoek van belang kunnen zijn:
de overdracht van een onlichamelijke zaak;
de verplichting om een daad na te laten of om een daad of situatie te dulden;
het verrichten van een dienst op grond van een vordering door of namens de overheid, dan wel krachtens de wet.3
Bij de overdracht van een onlichamelijke zaak kan gedacht worden aan de overdracht van het recht om vastgoed te huren, de overdracht van de in art. 15 lid 2 Btw-richtlijn genoemde rechten, deelbewijzen en aandelen die op grond van het nationale recht van een lidstaat niet vereenzelvigd worden met het onderliggende vastgoed (zie paragraaf 4.2.6) en het verlenen van een recht tot aankoop van vastgoed tegen een vastgestelde prijs4. Bij de verplichting om een daad na te laten of een situatie te dulden kan – ervan uitgaande dat geen sprake is van een zakelijk gebruiksrecht op een onroerend goed als bedoeld in art. 15 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn (zie paragraaf 4.2.6.4.3.5) – gedacht worden aan de vestiging van een erfdienstbaarheid. Het verrichten van een dienst op grond van een vordering door of namens de overheid dan wel krachtens de wet is de ‘dienstpendant’ van de leveringsgelijkstelling in art. 14 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn (zie paragraaf 4.2.4.2).5 Het gaat derhalve om onvrijwillig aan de overheid verleende diensten. Hierbij kan gedacht worden aan de onteigening van een beperkt zakelijk recht op een onroerend goed dat op grond van art. 15 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn niet vereenzelvigd is met het onderliggende vastgoed. Daarnaast kan gedacht worden aan een onvrijwillige door of namens de overheid gevorderde beëindiging van een huurovereenkomst, bijvoorbeeld in het kader van onteigening.