Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/3.2.4
3.2.4 Zekerheidseigendom
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264473:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani III, p. 8.43,20.
Heusler 1886, p. 134-136; Génestal 1901, p. 47-48; Van Werveke 1929, p. 59; Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 343-345; Brühwiler 1984a, p. 684; Godding 1987, p. 369.
Génestal 1901, p. 28. Wat de betekenis van dit ritueel was, is mij niet duidelijk.
Heusler 1886, p. 130 en 140; Génestal 1901, p. 37-38; Landwehr 1967, p. 320-321 en 387-390; Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 343-346; Ganshof 1982, p. 196-197.
Heusler 1886, p. 136-141; Génestal 1901, p. 47-48; Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 343-345; Planitz 1982, p. 99; Levy 1987, p. 239.
Partijen konden een recht van pandgebruik niet alleen tot stand brengen door de vestiging van een recht van pand, maar ook door een zekerheidsoverdracht. Van de commentatoren die ik heb bestudeerd, besprak alleen Donellus deze laatste mogelijkheid. Donellus kwalificeerde het recht van zelfstandige antichrese dat voorkwam in C. 8,42(43),20 (Diocletianus) als een contractueel recht dat voortvloeide uit een innominaatcontract. De schuldenaar gaf de slaaf aan de schuldeiser, opdat, wanneer de schuldeiser de vruchten van de arbeid van de slaaf enige tijd had genoten, hij de slaaf weer teruggaf aan de schuldenaar. De schuldenaar kon de slaaf opeisen met een actio in factum of een actio praescriptis verbis die voortvloeide uit dit innominaatcontract.1 Deze gedachtengang impliceert dat (volgens Donellus) de eigendom van de slaaf werd overgedragen aan de schuldeiser om een recht van zelfstandige antichrese tot stand te brengen. Was de eigendom bij de schuldenaar gebleven, dan had hij immers de revindicatie kunnen instellen.
Het tot stand brengen van een recht van pandgebruik of zelfstandige antichrese door middel van een zekerheidsoverdracht kwam veelvuldig terug in de lokale rechtspraktijken.2 Voor eigendomsoverdracht golden soms meer vereisten dan voor de vestiging van een beperkt recht. In het recht van Normandië waren voor een eigendomsoverdracht – ook een eigendomsoverdracht tot zekerheid – bijvoorbeeld rituele handelingen vereist. Wie een stuk grond overdroeg aan een kerkelijke instelling, diende een Bijbel op het altaar van deze instelling te plaatsen.3
De zekerheidsoverdracht bracht mee dat de zekerheidsgerechtigde het eigendomsrecht op het zekerheidsobject verkreeg in plaats van een beperkt recht. Dit betekende dat de schuldenaar niet langer over het zekerheidsobject kon beschikken. Hij kon het niet vervreemden of bezwaren met een beperkt recht. Deze bevoegdheden kwamen toe aan de schuldeiser als zekerheidseigenaar. Op grond van zijn eigendomsrecht was hij bovendien bevoegd het zekerheidsobject te gebruiken en de vruchten ervan te trekken.4
De contracten die verplichtten tot zekerheidsoverdracht en vestiging van een beperkt recht van pandgebruik verschilden voor het overige echter nauwelijks van elkaar. In een akte van zekerheidsoverdracht legden partijen namelijk dezelfde rechten en verplichtingen neer als in een akte van pandgebruik.5