Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/11.3.6.4:11.3.6.4 Aanbevelingen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/11.3.6.4
11.3.6.4 Aanbevelingen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS605438:1
- Vakgebied(en)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Erfbelasting
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Schenkbelasting
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In vergelijkbare zin stelt J.P.M. Stubbé, ‘Bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de Successiewet’, NTFR Beschouwingen 2008/3, voor om de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten alleen van toepassing te laten zijn bij een substantieel belang van een derde gedeelte van het aandelenkapitaal.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ik stel voor om voor de toepassing van art. 7a lid 2 Uitv.reg. SW 1956 uit te gaan van een scherpere norm voor de bedoelde concernsituatie, zonder afbreuk te willen doen aan de materieel-economische benadering van de verbondenheid. In dit verband zou het eerder genoemde, fiscaal autonome begrip ‘concern’ kunnen worden gebruikt. Zoals in hoofdstuk 7 is bepleit, heeft dit begrip de volgende contouren:
Er geldt een materieel-economische benadering, waarbij met name belang wordt gehecht aan feitelijke organisatorische en economische verbondenheid. Dat wil zeggen, dat een beleidsbepalende invloed wordt uitgeoefend op een lichaam.
Voor aandelenvennootschappen bestaat een tweezijdig weerlegbaar vermoeden van verbondenheid: bij het bezit van meer dan 50% van de stemrechten in een aandelenvennootschap wordt verbondenheid verondersteld. Op basis van een tegenbewijsmogelijkheid kan echter door belastingplichtigen worden aangetoond dat ondanks het feit dat niet wordt voldaan aan het 50%-criterium, in feite toch sprake is van organisatorische en economische verbondenheid. Voorts kan de fiscus stellen dat in feite geen sprake is van een beleidsbepalende invloed, ondanks het bezit van meer dan 50% van de stemrechten.
Certificaten van aandeel en aandelen waarop een pandrecht of vruchtgebruik rust en waarbij het stemrecht nog steeds toekomt aan de aandeelhouder, tellen mee bij de beoordeling of is voldaan aan het verbondenheidsvermoeden. In dit verband tellen ook aandelen mee waaraan financiële instrumenten zijn gekoppeld die potentiële stemrechten bevatten, zoals optierechten en converteerbare instrumenten, tenzij aan deze instrumenten zodanige voorwaarden zijn verbonden dat moet worden aangenomen dat de aandeelhouder het stemrecht reeds heeft overgedragen.
De hiervoor genoemde alternatieve bezitsvormen van aandelen, zoals een pandrecht, recht van vruchtgebruik en optierechten, tellen niet mee bij de beoordeling of is voldaan aan het verbondenheidsvermoeden. In verband met de genoemde tegenbewijsmogelijkheid kunnen zij echter wel een rol spelen om aan te tonen dat er ondanks het feit dat niet wordt voldaan aan het 50%-criterium, in feite toch een beleidsbepalende invloed wordt uitgeoefend.
Stubbé heeft voorgesteld om de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten alleen van toepassing te laten zijn bij een substantieel belang van een derde gedeelte van het aandelenkapitaal.1 Naar mijn mening komt de in art. 7a lid 2 Uitv.reg. SW 1956 bedoelde concernbenadering beter tot uitdrukking indien een 50%-grens wordt gehanteerd. Het ruimere criterium van 331/3% acht ik beter op zijn plaats in begrippen met een antiontgaansfunctie, zodat het bereik van de desbetreffende antiontgaansbepaling wordt vergroot. In dit verband vind ik het ook zuiverder om in art. 35b lid 2 onderdeel b SW 1956 uit te gaan van een 50%-belang in plaats van een ‘aanmerkelijk belang’. Het verbondenheidsbegrip in de bedrijfsopvolgingsfaciliteit heeft immers een facilitaire functie en is daarom niet zonder meer te vergelijken met het begrip in de aanmerkelijkbelangregeling. Door het gebruik van een 50%-criterium komt naar mijn mening beter tot uitdrukking dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit is bedoeld voor personen die zeer nauw bij de overgenomen vennootschap zijn betrokken. Bovendien zou het verschil in behandeling van direct en indirect gehouden belangen dan verdwijnen. Overigens staat de materieel-economische benadering voorop, zodat in mijn voorstel ook bij een 30%-bezit sprake kan zijn van een concernsituatie indien de feitelijke omstandigheden daar op duiden.
Op basis van de materieel-economische benadering en het verbondenheidsvermoeden bij een bezit van meer dan 50% van de stemrechten in een aandelenvennootschap kan het verbondenheidsbegrip naar mijn mening niet worden gemanipuleerd na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel ‘Vereenvoudiging en flexibilisering BV-recht’. Indien dan zou worden besloten om stemrechtloze aandelen uit te geven, zullen deze niet meetellen bij de beoordeling of sprake is van een ‘deelneming’ in een BV. Hiermee lijkt onbedoeld gebruik van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten niet mogelijk.