Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming
Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/2.5.1:2.5.1 De context van verdelingskwesties (16e-18e eeuw)
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/2.5.1
2.5.1 De context van verdelingskwesties (16e-18e eeuw)
Documentgegevens:
Robert Knegt, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Robert Knegt
- JCDI
JCDI:ADS288495:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Knegt, RdW2012.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dat de ‘vraagkant’ in de 16e-18e eeuw een veel geringere rol in de toewijzing van klussen speelde, kwam niet primair door het ontbreken van technische mogelijkheden daartoe, maar vooral doordat de sociale verhoudingen zich daartegen verzetten. Het burgerschap van de stad bracht mee dat dienstverleners een zelfstandige positie hadden en grotendeels de condities van hun werk zelf collectief organiseerden. Als gildeleden waren zij georiënteerd op eervol werk onder relatief gelijke condities. Zij kenden een groot belang toe aan evenwichtige onderlinge verhoudingen en een redelijk minimum van bestaanszekerheid van de leden.1 Om die reden zag een gilde ook nauw toe op (beperking van) de toetreding van leden en op de verdeling van beschikbaar werk over hen.
Voor geproduceerde waren voorzag de markt in het belangrijkste verdelingsmechanisme: de openbaarheid van de uitstalling van waren op de markt werd, onder de daartoe georganiseerde condities (gestandaardiseerde maten en gewichten, markttijden, jurisdictie in geschillen) geacht een zekere mate van gelijkheid en billijkheid te bewerkstelligen. Diensten, echter, kon je niet uitstallen en omdat de organisatie van het aanbod van diensten ook de openbare orde raakte, werden andere technieken ingezet om een billijke verdeling tot stand te brengen. Dat gold met name voor het interne transport van goederen binnen de Nederlandse handelssteden, dat sterk leunde op zakkendragers, bierdragers of turfsjouwers. Hun werk vereiste fysieke kracht, maar geen ambachtelijke kwalificaties. Zou echter elke willekeurige passant door een koopman kunnen worden geronseld om voor hem sjouwwerk te verrichten, dan dreigde een ongereguleerd gevecht om het verwerven van klussen en dat zou de openbare orde van de stad kunnen verstoren. Dragers zouden niet in voldoende mate in hun levensonderhoud kunnen voorzien en de stedelijke overheid zou de controle over de goederenstroom (en de heffing van accijns daarover) kunnen verliezen. Daar komt bij dat ook kooplieden als opdrachtgevers baat hadden bij sjouwers die ze kenden en konden vertrouwen.
In deze behoeften aan ordening, die binnen de stedelijke gemeenschap breed werden gedeeld, werd voorzien door vormen van collectivisering op drie niveaus. Ten eerste nam, binnen de toentertijd relatief besloten ruimte van de stad, de stedelijke overheid het initiatief de kring van de dragers te sluiten, hun aantal te limiteren en hen te organiseren in gilden. Ten tweede organiseerden de gilden intern de evenredige verdeling van opdrachten via een formeel, objectief verdelingsmechanisme. En een interessante derde vorm van collectivisering was dat dragers, die gewend waren in ploegen van vijf tot zeven man samen te werken, zich soms aaneensloten tot een ‘veem’, een soort vennootschap waarin zij de inkomsten van het werk gelijkelijk onder elkaar verdeelden. Al deze toedelings- en verdelingsmechanismen nodigen uit tot een wat uitgebreidere schets van de transportgilden.