Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VI.10
VI.10 Afsluiting
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS598631:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In de horizontale verhouding tussen burgers is dat anders, dan zijn de door de behandelingsdimensie beschermde belangen logischerwijs vatbaar voor afweging tegen de (mensen)rechten van het de verdachte als schuldige bejegenende individu. Zie hiervoor § VI.3.2.
Vgl. in dezelfde zin Nan 2016; Van Noorloos 2016.
Zie daarover § VI.2.1.3. Zie ook § IX.6.2.
Zie § VI.2.2.
Zie § VI.7.2.
Zie § VI.8.2.
EHRM 18 mei 2010, nr. 21167/08, dec., NJ 2011, 520, m.nt. Reijntjes (Bousana/Nederland); EHRM 18 januari 2011, nr. 45482/06, NJ 2012, 418, EHRC 2011/80 (Bok/Nederland); EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03, NJ 2007, 349 m.nt. Borgers (Geerings/Nederland).
In dit hoofdstuk is het toepassingsbereik en de inhoudelijke werking van de behandelingsdimensie van de onschuldpresumptie in het internationale recht besproken. Ofschoon het bestaan van die dimensie in de internationale literatuur nog wel eens ontkend of gebagatelliseerd wordt, blijkt deze zonder meer onderdeel van het positieve recht te zijn. Op het meest algemene niveau is de betekenis ervan onder het EVRM, het IVBPR en de richtlijn bovendien dezelfde. De in hoofdstuk IV geformuleerde hypothese dat de behandelingsdimensie neerkomt op een verbod op bejegening als schuldige, vindt in het internationale mensenrechtenrecht royaal bevestiging.
Eensgezind verbieden het EVRM, het IVBPR en de richtlijn iedere overheidsfunctionaris uitlatingen te doen die een schuldoordeel over de verdachte reflecteren, zolang de schuld van die verdachte nog niet op de juiste wijze is vastgesteld. Tevens stelt de behandelingsdimensie onder de verschillende rechtsbronnen steeds grenzen aan de non-verbale bejegening van de verdachte, al bestaan tussen de bronnen wel inhoudelijke verschillen. In de jurisprudentie van het EHRM en het VN Mensenrechtencomité heeft het beginsel betekenis in het kader van de oplegging en verlenging van het voorarrest, maar de richtlijn zwijgt daarover. Het IVBPR en softlaw-aanbevelingen van de VN en de Raad van Europa verlangen gesegregeerde detentie van voorlopig gehechten met een bij de onschuldpresumptie passend regime. Het EHRM verbiedt slechts dat voorarrestanten zonder goede reden een nadeliger regime ondergaan dan veroordeelden en baseert zich daartoe niet op de onschuldpresumptie, maar op het discriminatieverbod. Voor de presentatie van de verdachte ter zitting heeft de onschuldpresumptie onder de verschillende rechtsbronnen steeds gevolgen, al leiden de richtlijn en het Comité dat meer rechtstreeks uit de onschuldpresumptie af dan het Hof. Opvallend is dat bij de beoordeling van andere dwangmiddelen, zoals inbreuken op de privacy, geen zelfstandige betekenis aan het beginsel toekomt. Het onschuldvermoeden zelf kan dat niet goed verklaren. Mogelijk ligt dat eraan dat de door de behandelingsdimensie geboden waarborgen tegen non-verbale bejegening als schuldige in het recht van artikel 8 EVRM en artikel 17 IVBPR reeds zijn verdisconteerd.
In dit hoofdstuk bleek ook dat de behandelingsdimensie zich in het algemeen niet laat begrijpen overeenkomstig het stramien van de artikelen 8 tot en met 10 EVRM. Inbreuken op het verbod op bejegening als schuldige zijn ontoelaatbaar, een afweging tegen de met de inbreuk gemoeide belangen is daarvoor niet nodig.1 Dit neemt overigens niet weg dat bij de beoordeling of van bejegening als schuldige sprake is, andere belangen mede bepalen in welke mate de internationale organen geneigd zijn tot welwillend begrip voor de litigieuze bejegeningswijze. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de waarde die het EHRM hecht aan de context waarin ongelukkige uitlatingen over een verdachte plaatsvonden. Ook illustratief is dat de vraag of de wijze waarop de verdachte ter zitting is gepresenteerd bejegening als schuldige en een vernederende behandeling in de zin van artikel 3 EVRM oplevert, in belangrijke mate afhangt van de noodzaak van die bejegening ter verzekering van de veiligheid in de rechtszaal.
Het belangrijkste conceptuele verschil in de wijze waarop de behandelingsdimensie in de verschillende rechtsbronnen functioneert, is gelegen in de toepassing van het criminal charge-vereiste. De voormalige ECieRM, het EHRM, het VN Mensenrechtencomité en de richtlijn gaan met die toepassingsvoorwaarde op sterk uiteenlopende, soms diametraal tegenover elkaar staande, wijzen om. Stoelt men de behandelingsdimensie, zoals het Comité lijkt te doen, hoofdzakelijk op de openheid van de uitkomst van de procedure, dan is voor het beginsel alleen voorafgaand aan en tijdens het strafrechtelijk onderzoek enige betekenis weggelegd. Ziet men echter zoals de Straatsburgse organen ook een belangrijke grondslag in de bescherming van de exclusiviteit van het eerlijk proces, dan hoeft van een criminal charge juist geen sprake te zijn en kan ook na afloop van die charge de onschuldpresumptie nog worden geschonden. Deze discrepanties hebben grote consequenties, niet alleen voor de abstracte betekenis van het beginsel, maar ook voor de uitwerking ervan op het concretere niveau van individuele rechtsbescherming.
Voorts valt op dat de rechtspraak van het VN Mensenrechtencomité en de richtlijn aan de Straatsburgse jurisprudentie weinig toevoegen. De richtlijn, die toch strekt tot verdere harmonisering van het strafprocesrecht van de EU-lidstaten, heeft in dit opzicht nauwelijks meerwaarde.2 Het Comité beperkt zich over het algemeen tot zaken over publicitaire aandacht voor een verdachte en de presentatie van de verdachte ter zitting. De EHRM-rechtspraak is daarentegen veelomvattend, kent een breder toepassingsbereik en geeft duidelijkheid over de werking van de behandelingsdimensie in gevarieerde casusposities.
Dat wil overigens niet zeggen dat die rechtspraak ook in alle opzichten een afgewogen en overtuigend systeem is waarin de behandelingsdimensie een coherent en consistent beginsel vormt. Daarvoor hanteert het EHRM mijns inziens teveel subregels en uitgangspunten die zich tot de historische en theoretische grondslagen van het beginsel moeizaam verhouden, of om onduidelijke redenen afwijken van de eigen lijn. Ik noem vier voorbeelden die uitvoerig aan bod zijn gekomen. Te wijzen valt op de keuze de behandelingsdimensie wel van toepassing te achten op na een strafzaak plaatsvindende bejegeningswijzen, maar niet op bejegening als schuldige voorafgaand aan die strafzaak of wanneer nooit een strafprocedure heeft plaatsgehad.3 De uitzonderingspositie van de straftoemeting en de daaraan gelijkgestelde berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is daarnaast niet overtuigend. Voor zover in de sanctietoemeting feiten worden betrokken waarvoor de verdachte is veroordeeld, is van een uitzondering geen sprake: uiteraard mag iemand als schuldige worden bejegend aan een feit waaraan hij proved guilty according to law is. Het beginsel zelf kan echter niet verklaren waarom ook andere, niet-bewezen delicten in de sanctietoemeting mogen worden betrokken. Dat de onschuldpresumptie alleen geldt met betrekking tot the particular offence charged is een ter verdediging daarvan gebezigde overweging die zich slecht verhoudt tot de overige rechtspraak van het Hof. Is de verdachte eenmaal charged of charged geweest, dan hebben namelijk alle overheidsfunctionarissen, inclusief rechters in andere procedures, de onschuldpresumptie met betrekking tot dat feit in acht te nemen.4 Ten derde heeft het EHRM het zojuist genoemde uitgangspunt dat de onschuldpresumptie geen rechtvaardiging van inbreuken op het verbod op bejegening als schuldige op grond van andere belangen toelaat, zonder duidelijke reden laten varen in de rechtspraak over dadelijke tenuitvoerlegging van niet-onherroepelijke sancties. Voor de hand had gelegen dat het Hof zich had afgevraagd of executie bij voorraad een ontoelaatbare bejegening als schuldige bij de berechting op appel oplevert, of moet worden begrepen als onderdeel van de sanctietoemeting en derhalve is toegestaan. Daarbij had eventueel een rol kunnen spelen welke redenering en welk motief aan de non-verbale bejegeningswijze ten grondslag lagen. De gehanteerde benadering waarin de belangen van de betrokkene worden afgewogen tegen de belangen van de staat bij dadelijke executie, strookt echter niet met de overige rechtspraak van het Hof.5 Ten slotte noem ik in dit verband de bijzondere bescherming van de vrijspraak. De rode draad door de rechtspraak van het Hof is dat een fundamenteel en beslissend verschil bestaat tussen bejegening als verdachte en bejegening als schuldige. Die verlaat het Hof wanneer de verdachte van een strafbaar feit is vrijgesproken op gronden die mijns inziens niet uit het onschuldvermoeden af te leiden zijn.6
Naast deze oneffenheden van conceptuele aard, hindert soms ook de casuïstische benadering van het Hof een consistente en voorspelbare betekenis van de behandelingsdimensie. De rechtspraak bevat veel uitzonderingen op de standaardoverwegingen van het Hof. Daarmee heeft het EHRM oog voor de billijke uitkomst in het individuele geval. De ter uitzondering aangevoerde omstandigheden zijn echter niet steeds zo bijzonder en belangrijk dat zij een overtuigende reden voor een dergelijke afwijking lijken. Tot voorbeeld strekken drie zaken tegen Nederland: Bousana/Nederland, Bok/Nederland en Geerings/Nederland.7 In Bousana maakte het Hof een uitzondering op het uitgangspunt dat na een vrijspraak waarin twijfels zijn geuit (hetgeen zelf als een uitzondering moet worden beschouwd op de regel dat de onschuld van een vrijgesprokene niet in twijfel mag worden getrokken) in een latere beslissing die twijfels niet mogen worden gedeeld. Reden voor uitzondering was dat de Nederlandse rechter had volstaan met verwijzing naar en het citeren van passages uit de vrijspraak zelf. In Bok/Nederland was het uitgangspunt geschonden dat na vrijspraak in een nadere procedure niet mag worden verlangd dat de betrokkene zijn onschuld bewijst aan het delict waarvan hij is vrijgesproken. Dat uitgangspunt past bij de bijzondere bescherming van de vrijspraak. In casu was van een schending toch geen sprake, nu de verdachte zijn heil bij de civiele rechter had gezocht nadat hij reeds een gedeeltelijke vergoeding van zijn door het ondergaan van dwangmiddelen geleden schade had ontvangen op basis van de strafvorderlijke regeling. Het in de vorige paragraaf besproken Geerings/Nederland wijkt af van de vaste lijn dat na een veroordeling bij de berekening van het te ontnemen voordeel ook – analoog aan de sanctietoemeting – andere strafbare feiten mogen worden betrokken. De reden daarvoor vond het Hof erin dat de verdachte van die feiten was vrijgesproken en ook geen onverklaarbaar vermogen bij hem was aangetroffen. In geen van deze Nederlandse zaken ging het om exceptionele, onvoorzienbare situaties die de vaste rechtspraak van het Hof een onverwachte wending gaven. Niettemin week het Hof steeds af van als algemene voorschriften geformuleerde overwegingen uit de rechtspraak. Dat roept de vraag op of het Hof van de als algemene regels geformuleerde standaardoverwegingen zelf wel (eensgezind) overtuigd is.
Al met al kan worden geconcludeerd dat op het meest algemene niveau duidelijkheid bestaat over de betekenis van de behandelingsdimensie. Het is een universeel mensenrecht niet als schuldige te worden bejegend aan een strafbaar feit. Zowel over het toepassingsbereik als de inhoudelijke gevolgen daarvan bestaat echter niet altijd overeenstemming tussen de verschillende organen. Veruit de belangrijkste, meest ontwikkelde rechtsbron is de jurisprudentie van het EHRM, maar ook die roept zowel conceptuele als uitwerkingsvragen op. De uitkomsten ervan blijven daardoor dikwijls moeilijk voorspelbaar.