Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/5.5.1
5.5.1 Het materiële legaliteitsbeginsel en de beperkingen van strafrechtelijke interpretaties
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS355930:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Par. 5.2.3.
De Hullu 2015, p. 100, 107, 112, onder verwijzing naar EHRM 22 november 1995, ECLI:NL:XX:1995:AD2430, NJ 1997/1, m.nt. G. Knigge (C.R. t. Verenigd Koninkrijk). Gezien dit arrest vergt het legaliteitsbeginsel in art. 7 EVRM dat een interpretatie ten nadele van de verdachte voor hem voorzienbaar is. Het beginsel behelst ‘the principle that the criminal law must not be extensively construed to an accused’s detriment, for instance by analogy’ (r.o. 33); en ‘[a]rticle 7 of the Convention cannot be read as outlawing the gradual clarification of the rules of criminal liability through judicial interpretation from case to case, provided that the resultant development is consistent with the essence of the offence and could reasonable be foreseen’ (r.o. 34).
Ook in die zin Van Veen 1980, p. 9; Nieboer 1991, p. 240; Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 13, 122; Kelk/De Jong 2013, p. 114, 128; De Hullu 2015, p. 89.
HR 30 oktober 1933, NJ 1933, p. 1692, m.nt. W.P.J. Pompe.
Ook in die zin annotatie W.P.J. Pompe, NJ 1933, p. 1692 en Kelk & De Jong 2013, p. 129.
Annotatie W.P.J. Pompe, NJ 1933, p. 1692 en Kelk & De Jong 2013, p. 129 zien in deze zaak analogie.
Van Eikema Hommes 1980, p. 163; annotatie M.J. Borgers bij HR 12 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0426, AA 2008/229, p. 231; Kelk/De Jong 2013, p. 114, 128. Vgl. Van Dorst 1978, p. 185: als een geval ‘naar de bewoordingen van de wet’ niet strafbaar is, eigent de strafrechter die toch strafbaarheid aanneemt door anticiperende interpretatie zich de bevoegdheid van de wetgever toe.
de strafrechter die toch strafbaarheid aanneemt door anticiperende interpretatie zich de bevoegdheid van de wetgever toe.
HR 28 februari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0653, NJ 1989/658, m.nt. A.C. ‘t Hart.
HR 2 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0877, NJ 1998/306.
HR 7 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0608, NJ 1997/361, m.nt. A.C. ‘t Hart. Dit is een voorbeeld van corrigerende interpretatie.
‘Hij die enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen’.
HR 23 mei 1921, NJ 1921, p. 564 (Elektriciteit).
Zie bijv. Kelk/De Jong 2013, p. 125-127.
HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ9251, NJ 2012/536, m.nt. N. Keijzer (Rune-Scape).
HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ6575, NJ 2012/535, m.nt. N. Keijzer.
De weggenomen objecten uit het computerspel hadden voor het slachtoffer en de verdachte ‘reële waarde, die hen kan worden afgenomen’, welke was ontstaan door ‘inspanning en tijdsinvestering’, en de ‘feitelijke en exclusieve heerschappij’ kon worden verloren (HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ9251, NJ 2012/536, m.nt. N. Keijzer, r.o. 3.6.1); de belminuten konden worden gestolen vanwege hun ‘economische betekenis’ en hun functie in het maatschappelijk verkeer (HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ6575, NJ 2012/535, m.nt. N. Keijzer, r.o. 3.4).
HR 20 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2809, NJ 2003/632, m.nt. P.A.M. Mevis & R. de Lange (Mensenroof).
Strikt genomen zijn dergelijke corrigerende interpretaties vergelijkbaar met analogie, en gebeurt er het omgekeerde van een billijkheidsuitzondering: een voorschrift dat volgens zijn bewoordingen niet van toepassing is, wordt vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval wel van toepassing geacht. Vgl. fraus legis in het bestuursrecht (hoofdstuk 6, par. 6.3.4, a).
HR 29 februari 1972, ECLI:NL:HR:1972:AB6305, NJ 1972/347, m.nt. C. Bronkhorst. Qua interpretatie vergelijkbaar is HR 7 maart 1972, ECLI:NL:HR:1972:AB4012, NJ 1972/348, m.nt. C. Bronkhorst. Het arrest komt ook aan de orde in hoofdstuk 3, par. 3.5.2, b.
Conclusie P-G G.E. Langemeijer, ECLI:NL:PHR:1972:AB4012, en annotatie C. Bronkhorst, NJ 1972/348.
HR 12 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0426, AA 2008/229, p. 229-236, m.nt. M.J. Borgers. Geciteerd is art. 12 lid 1 Natuurbeschermingswet (oud).
Deze geven volgens Borgers echter niet per definitie aanleiding tot deze interpretatie (annotatie bij het arrest, AA 2008/229, p. 234).
HR 6 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9819, NJ 2001/498, m.nt. P.A.M. Mevis.
Ook in die zin De Hullu 2015, p. 113.
Par. 5.5.3.
Par. 5.2.3.
HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ9251, NJ 2012/536, m.nt. N. Keijzer (Rune-Scape).
HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ6575, NJ 2012/535, m.nt. N. Keijzer.
HR 29 februari 1972, ECLI:NL:HR:1972:AB6305, NJ 1972/347, m.nt. C. Bronkhorst.
Ook in die zin conclusie P-G G.E. Langemeijer, ECLI:NL:PHR:1972:AB4012 en annotatie A.C. ‘t Hart bij HR 21 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1030, NJ 1998/782.
HR 20 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2809, NJ 2003/632, m.nt. P.A.M. Mevis & R. de Lange (Mensenroof), r.o. 4.9, 4.10.
HR 12 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0426, AA 2008/229, p. 229-236, m.nt. M.J. Borgers, r.o. 3.5.
HR 6 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9819, NJ 2001/498, m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 4.10.
Ook in die zin annotatie P.A.M. Mevis, NJ 2001/498, par. 7, waarbij hij zich afvraagt of de burger ‘dan soms recht [heeft] op strafbaarstelling’.
Annotatie M.J. Borgers bij HR 12 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0426, AA 2008/229, p. 231.
Niet alleen billijkheidsuitzonderingen ten nadele van verdachten staan op gespannen voet met het materieelrechtelijke legaliteitsbeginsel,1 maar onvoorzienbare interpretaties ten nadele doen dat ook (zoals ook uit art. 7 EVRM kan worden afgeleid).2 In de jurisprudentie wordt dit niet altijd onderkend.
Het beginsel staat niet in de weg aan interpretaties ten voordele van verdachten.3
De rechtbank had veroordeeld voor het op zondag openen van een winkel waar ‘gezouten pindanootjes’ werden verkocht.4 Weliswaar mochten volgens de wet winkels waar ‘uitsluitend of in hoofdzaak brood, banket, suikerwerk en chocolade wordt verkocht’ op zondag open zijn, maar pinda’s vielen daar tekstueel niet onder.5 De Hoge Raad interpreteerde deze strafuitsluitingsgrond echter extensief:6 gezouten pinda’s waren banket in de zin van de bepaling. Dat was ‘ingegeven, door de gedachte dat het publiek op Zondag niet buiten de mogelijkheid mag worden gesteld om naast brood ook versnaperingen en kleine lekkernijen te kunnen bekomen’, en de wetgever kon niet alle mogelijke versnaperingen in de wet opnemen.
Interpretaties op gespannen voet met het materiële legaliteitsbeginsel kunnen zijn extensieve interpretaties van strafbepalingen of restrictieve interpretaties van strafuitsluitingsgronden.7 Er is jurisprudentie waarin de Hoge Raad een voor de verdachte nadelige interpretatie dan ook verwerpt, soms expliciet met verwijzing naar het legaliteitsbeginsel.
In het Onmachtarrest werd een verdachte veroordeeld voor het ‘met iemand van wie hij weet dat hij in staat van onmacht verkeert ontuchtige handelingen plegen’ (het toenmalige art. 247 Sr).8 Het slachtoffer was niet fysiek, maar alleen geestelijk onmachtig. Hoewel de normale betekenis van ‘in staat van onmacht’ niet uitsluit dat hieronder ook geestelijke onmacht wordt verstaan, oordeelde de Hoge Raad dat de strafbepaling restrictief geïnterpreteerd moest worden; dat was de bedoeling van de wetgever uit 1886, en artikel 1 Sr verbood derhalve een extensievere uitleg.
Iemand die had gedreigd een computer kapot te laten vallen, was veroordeeld voor ‘bedreiging met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat’ (art. 285 Sr), namelijk met opzettelijke vernieling van enig geautomatiseerd werk voor opslag of verwerking van gegevens (art. 161sexies Sr).9 Volgens de Hoge Raad leverde bedreiging met vernieling in de zin van artikel 161sexies Sr echter geen bedreiging volgens artikel 285 Sr op, omdat de bedreiging niet de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar bracht, maar vooral de computer zelf. De Hoge Raad wees op ‘de geboden restrictieve uitleg van bepalingen die een strafbaarstelling inhouden’ en op de bedoeling van de wetgever. Een derde was veroordeeld voor ‘ontucht met zijn minderjarig stiefkind’ (art. 249 Sr), hoewel hij niet getrouwd was met de moeder en hij daardoor de tekst van de strafbepaling niet had overtreden.10 De Hoge Raad overwoog dat de verdachte ook volgens de bedoeling van de wetgever op deze grond niet strafbaar was, hetgeen tot terughoudendheid noopte bij de uitleg van de term ‘stiefkind’. Hoewel de strafbepaling strekte tot bescherming van minderjarigen die ‘als gevolg van de afhankelijkheid en overwicht’ van een verdachte aan deze minder dan aan anderen weerstand kunnen bieden en extensieve interpretatie aansloot bij veranderde maatschappelijke opvattingen omtrent samenlevingsvormen, vereiste die volgens de Hoge Raad keuzes ‘die de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaan’, terwijl de gedraging krachtens een andere bepaling wel strafbaar was.11
Toch zijn er ook de nodige jurisprudentiële voorbeelden van gevallen waarin wettelijke voorschriften ten nadele van een verdachte worden uitgelegd terwijl de voorzienbaarheid daarvan dubieus was.
De Hoge Raad oordeelde het wegnemen van elektriciteit strafbaar als diefstal in de zin van artikel 310 Sr, terwijl dat gezien de tekst van die bepaling12 niet voor zich sprak.13 In de literatuur is opgemerkt dat een zodanig extensieve interpretatie wel erg lijkt op analoge wetstoepassing ten nadele van de verdachte, die met het legaliteitsbeginsel onverenigbaar is.14 Artikel 310 Sr is later zo extensief uitgelegd dat hieronder ook valt het in een online computerspel wegnemen van een virtueel amulet en een masker15 en het bellen en sms’en met de simkaart van een ander.16 De wetgever had deze gevallen namelijk niet kunnen voorzien, en de eigenschappen van de weggenomen objecten waren reden voor de kwalificatie als diefstal.17
De Hoge Raad gaf in Mensenroof ook een ruime interpretatie aan artikel 278 Sr, waar als mensenhandel strafbaar is gesteld dat iemand een ander ‘over de grenzen van het Rijk in Europa voert’.18 Hij week daarbij niet af van de letterlijke wettekst, maar wel van de gevestigde betekenis daarvan en van de wetsgeschiedenis. Volgens de memorie van toelichting ziet artikel 278 Sr op ontvoering vanuit Nederland naar het buitenland, maar volgens de Hoge Raad stelt de bepaling ook het vanuit het buitenland naar Nederland voeren strafbaar. De wetgever had niet gedacht aan de bescherming van slachtoffers die naar Nederland werden ontvoerd, maar de strekking van de wet en het gelijkheidsbeginsel waren voor de Hoge Raad reden om ook deze slachtoffers te beschermen.
Soms wordt bij extensieve interpretaties van strafbepalingen ten nadele zelfs afgeweken van de tekst van een bepaling en de betekenis daarvan in het normale spraakgebruik. Dergelijke beslissingen hebben hetzelfde effect als billijkheidsuitzonderingen: de regel die tekstueel van toepassing zou zijn (de verdachte is niet strafbaar), wordt vanwege bijzondere omstandigheden niet toegepast (de verdachte is strafbaar).19 Dit is corrigerende interpretatie.
Een voorbeeld is de reeds besproken extensieve uitleg van de Opiumwet ten nadele van de verdachte.20 Volgens de wettekst was het feit niet strafbaar: de verdachte had hasjiesj in bezit gehad waarvan de hars niet verkregen was uit de gedroogde toppen van de cannabisplant zoals de wet voor strafbaarheid eiste, maar uit ongedroogde toppen. Het was echter gebruikelijk om hasjiesj op verdachtes manier te produceren; de wetgever had de strafbaarheid hiervan niet willen uitsluiten, maar had de methode niet voorzien.21 Volgens de Hoge Raad mocht daarom de wettekst niet bepalend zijn. Een ‘redelijke uitlegging’ van de strafbepaling en de strekking van de wet brachten strafbaarheid met zich.
Volgens een ander wettelijk voorschrift was het verboden om ‘zonder vergunning [...] of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorwaarden handelingen te verrichten [...] die schadelijk zijn voor het natuurschoon [...]’.22 Hoewel volgens deze tekst voor strafbaarheid is vereist dat niet is gehandeld volgens een vergunning én op schadelijke wijze voor het natuurschoon, stelde de Hoge Raad die laatste eis niet. Niet handelen volgens een vergunning was, gelet op de geschiedenis en de strekking van de wet, voldoende voor strafbaarheid.23
In nog een zaak achtte de Hoge Raad de gedraging van de verdachte (het afleveren van vuurwerk) strafbaar, terwijl het tekstueel uitleggen van de regeling tot straffeloosheid zou leiden.24 Een andere uitleg zou ‘ernstige proble- men opleveren bij de strafrechtelijke handhaving’ van de regeling ‘en aldus een door de wetgever niet beoogd veiligheidsrisico teweegbrengen’.
Het legaliteitsbeginsel is dus voor de Hoge Raad niet per se een hinderpaal voor interpretaties die de verdachte niet kon voorzien en die in zijn nadeel zijn – zelfs als daarbij wordt afgeweken van de tekst van een wettelijk voorschrift. De Hoge Raad laat zo het legaliteitsbeginsel, dat de wettelijke bescherming van de verdachte waarborgt, wijken voor andere belangen.25 Argument voor dergelijke interpretaties is vaak de bedoeling van de wetgever en/of de strekking van de wet (zoals de Hoge Raad die ziet; waarover later meer in het kader van corrigerende interpretaties26). Hoewel niet al deze uitspraken van de laatste decennia zijn, passen zij ook binnen de beschreven accentverschuiving in het strafrecht.27
Door de kwalificatie als diefstal van de handelingen in het computerspel28 en het bellen met de simkaart van een ander29 werden de (mogelijke) slachtoffers beschermd. De extensieve interpretatie van de Opiumwet30 was in het (maatschappelijk) belang (van de volksgezondheid) dat de wet beschermt.31 Het belang van de verdachte bij strikte wetstoepassing was hieraan ondergeschikt; hij mocht niet profiteren van een fout in de wetgeving. De Hoge Raad overwoog expliciet dat de mensenhandelbepaling ruim moest worden uitgelegd vanwege de belangen van (mogelijke) slachtoffers van ontvoering naar Nederland, die vanwege het gelijkheidsbeginsel evenzeer moeten worden beschermd als personen die naar het buitenland worden ontvoerd.32 De ruime interpretatie van de strafbepaling uit de Natuurbeschermingswet rechtvaardigde de Hoge Raad vanuit ‘de bescherming van het natuurschoon en in het bijzonder de natuurwetenschappelijke betekenis van een beschermd natuurmonument’, waarop de wet was gericht;33 zo kreeg het maatschappelijk belang voorrang boven het belang van rechtszekerheid van de verdachte. De extensieve uitleg van de vuurwerkbepaling werd als gezegd ingegeven door ‘een door de wetgever niet beoogd veiligheidsrisico’;34 voor de samenleving, zo mag worden aangenomen.35
Het effect van dergelijke interpretaties is dat de verdachte (in zijn nadeel) rechtszekerheid wordt ontnomen, wat veronderstelt dat iemand die een gedraging verricht die mogelijk onder een strafbepaling valt, het risico draagt van een extensieve uitleg.36 Het is inconsistent dat de Hoge Raad dit niet accepteert door uitzonderingen ten nadele, maar wel door interpretaties. Beide leveren immers een vergelijkbare spanning op met het materiële legaliteitsbeginsel. Dit kan worden voorkomen door ook interpretaties ten nadele niet toe te staan, zoals ook past bij de fundamentele plaats van het materiële legaliteitsbeginsel.