Regres bij concernfinanciering
Einde inhoudsopgave
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/6.3.1:6.3.1 Een typologie van inter-vennootschappelijke relaties: §§ 16-19 AktG
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/6.3.1
6.3.1 Een typologie van inter-vennootschappelijke relaties: §§ 16-19 AktG
Documentgegevens:
mr. drs. C.H.A. van Oostrum, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. C.H.A. van Oostrum
- JCDI
JCDI:ADS592118:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
§ 16 (4) AktG.
§ 20 (4) AktG.
§ 17 (1) AtkG.
OLG Frankfurt 22 december 2003, 19 U 78/03, AG 2004, 567.
Schmidt & Lutter 2008, p. 296.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In §§ 16-19 AktG wordt onderscheid gemaakt naar verschillende mogelijke (afhankelijkheids)relaties tussen vennootschappen. In § 16 AktG wordt de meerderheidsdeelneming besproken. Van een dergelijke deelneming is sprake indien een onderneming direct of indirect1 de meerderheid van de aandelen of stemrechten in een andere onderneming bezit. Bij het verkrijgen van een meerderheidsdeelneming moet de verkrijgende onderneming de mededelingsplichten van § 20-22 AktG in acht nemen. Een onderneming die in een AG de meerderheid van het stemgerechtigd kapitaal verkrijgt, moet de AG hiervan onmiddellijk op de hoogte stellen.2
De AG in wie het meerderheidsbelang wordt gehouden, wordt vermoed op grond van § 17 (2) AktG afhankelijk te zijn van de meerderheidsaandeelhouder. Dit vermoeden kan worden weerlegd, waarbij de stelplicht en de bewijslast komen te liggen bij diegene die de afhankelijkheid betwist. De vennootschap wier aandelen in meerderheid worden gehouden door een andere vennootschap wordt een abhängige Unternehmen (ondergeschikte onderneming) genoemd. De vennootschap die deze aandelen houdt is de herrschendes Unternehmen (heersende onderneming).
De vermoede afhankelijkheidsverhouding speelt een bijzondere rol in het op afhankelijkheid berustende concernvermoeden ex § 18 (1) AktG. Bij het constateren van een concernverhouding is het doorslaggevende criterium of de heersende vennootschap op de ondergeschikte onderneming, ‘unmittelbar oder mittelbar einen beherrschenden Einfluß ausüben kann’.3 Hierbij gaat het om invloed die de heersende vennootschap kan uitoefenen, niet of zij dat ook daadwerkelijk doet.4 Wel dient de invloed beständig en umfassend uitgeoefend te kunnen worden.5 De heersende onderneming moet op eigen kracht invloed uit kunnen oefenen of met medewerking van derde, waarbij de medewerking is zekergesteld door bijvoorbeeld een stemrechtovereenkomst. Er is mogelijk geen sprake van afhankelijkheid wanneer de medewerking benodigd, maar niet verzekerd is.6 Ook het aangaan van een unternehmensvertrag, een overeenkomst tot (innige) samenwerking tussen vennootschappen of het overgaan tot Eingliederung, leidt tot het aannemen van concernverbanden.
§ 19 (1) AktG adresseert de situatie waarin vennootschappen over en weer meer dan 25% van elkaars aandelen houden. Bij zo’n deelneming tussen een GmbH, een AG of een KGaA, treden de rechtsgevolgen van § 328 AktG in. Het doel van deze regeling is het beschermen van de belangen van schuldeisers tegen kapitaalverhogingen en (indirect) stemrecht op aandelen van de vennootschap zelf. Stel: A AG en B AG houden over en weer 51% van het geplaatst kapitaal in elkaars vennootschap. Dit betekent dat beide vennootschappen indirect eigen aandelen houden. Wanneer A AG nu extra aandelen A AG verkoopt of toewijst aan B AG, dan verkrijgt A AG indirect meer eigen aandelen. Zodoende wordt de controlerende functie van de AVA ondermijnd. Daarbij lopen schuldeisers het risico van doorgevoerde kapitaalverhogingen zonder dat daar reële vermogensgroei tegenover staat.7 Om dergelijke situaties te voorkomen volgt uit § 328 (1) AtkG dat betreffende vennootschappen niet meer dan 25% van de stemrechten in elkaars aandeelhoudersvergadering kunnen uitoefenen.