Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/10.5.3.3
10.5.3.3 Weigeringsgronden
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS582343:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Jacobs & Deisenhofer 2003, p. 204-205. Art. 24 van de ontwerpverordening Rome II luidde nog als volgt: 'De toepassing van een bepaling van het door deze verordening aangewezen recht, die zou leiden tot de toekenning van een schadevergoeding die geen vergoedend karakter heeft, zoals schadevergoedingen die als voorbeeld of als straf zijn bedoeld, is strijdig met de communautaire openbare orde.' Deze bepaling is in de uiteindelijke Rome li-Vo verdwenen. Art. 26 Rome li-Vo luidt nu: 'De toepassing van een bepaling van het door deze verordening aangewezen recht kan slechts terzijde worden gesteld, indien deze toepassing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde van het land van de rechter.' Hoewel ik mij bewust ben van het feit dat de Rome li-Vo niet over de rechterlijke bevoegdheid gaat maar over het toepasselijk recht op niet-contractuele verbintenissen, is deze bepaling toch interessant gelet op de verhouding tussen de openbare orde en punitive damages.
Strikwerda 2005, nr. 278. HvJ EG 28 maart 2000, zaak C-7/98 (Krombach/Bamberski), Jur. 2000, p. 1-1935, NJ 2003, 626 m.nt. PV.
Dit blijkt volgens Vlas ook uit het gebruik van het woord 'kennelijk'. Hoewel in art. 27 sub 1 EEX-Verdrag het woord 'kennelijk' ontbreekt, mag daar volgens hem niet uit worden afgeleid dat voor een beroep op de openbare orde onder het EEX-Verdrag lichtere eisen zouden gelden dan onder de EEX-Vo. Zie Vlas (Burgerlijke Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen), art. 34 EEX-Vo, aant. 2. Het woord 'kennelijk' zie ik echter meer als een aanwijzing dat slechts summier onderzoek nodig is om strijd met de openbare orde aan te nemen.
HvJ EG 11 mei 2000, zaak C-38/98 (Renault/Maxicar), Jur. 2000, p. 1-2973, NJ 2003, 627 m.nt. PV.
Zie verder Strikwerda 2005, nr. 278; Zie ook HvJ EG 21 april 1993, zaak C-172/91 (Sonntag/ Waidmann), Jur. 1993, p. 1-1963, NJ 1995, 207 en HvJ EG 10 oktober 1996, zaak C-78/95 (Hendrikman/Magenta), Jur. 1996, p. 1-4943.
Het moet daarbij gaan om een door een rechterlijke autoriteit gegeven beslissing. Zie ook HvJ EG 2 juni 1994, zaak C-414/92 (Solo Kleinmotoren-Boch), Jur. 1994, p. 1-2237.
Strikwerda 2005, nr. 278. Strikwerda wijst er terecht op dat het begrip onverenigbaar in art. 34 sub 3 EEX-Vo een engere betekenis heeft dan in art. 28 EEX-Vo. Van onverenigbaarheid is pas sprake in geval de tenuitvoerlegging van de ene uitspraak tenuitvoerlegging van de andere uitspraak onmogelijk maakt. Zie HvJ EG 6 december 1994, zaak C-406/92 (Ship Tatry), Jur. 1994, p. 1-5439, NI 1995, 659 m.nt. ThMdB.
De artikelen 34 en 35 EEX-Vo geven een limitief aantal weigeringsgronden voor erkenning. Op grond van artikel 43 EEX-VO gelden deze gronden eveneens voor weigering van het verlof tot tenuitvoerlegging indien een partij een rechtsmiddel instelt tegen de beslissing op het verzoek om een verklaring van uitvoerbaarheid.
Op grond van artikel 34 sub 1 EEX-VO wordt een beslissing niet erkend indien de erkenning kennelijk strijdig is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat. In een mededingingsrechtelijke zaak zou het bijvoorbeeld, zoals reeds in § 10.2 genoemd, kunnen voorkomen dat de toekenning van punitive damages in strijd zou zijn met de openbare orde van de aangezochte lidstaat.1 Ingeval fundamentele rechten van de verdediging zijn veronachtzaamd in de procedure die uiteindelijk heeft geleid tot de uitspraak waarvan erkenning of tenuitvoerlegging wordt verzocht, kan de openbare orde ook als weigeringsgrond worden ingeroepen.2 Uiteraard is van strijd met de openbare orde slechts bij hoge uitzondering sprake.3
In de zaak Renault/Maxicar heeft het HvJ EG geoordeeld dat de openbare orde van artikel 34 sub 1 EEX-vo (in het arrest ging het nog om artikel 27 sub 1 ax-verdrag) niet kan worden ingeroepen wanneer de rechter die de beslissing heeft gegeven het mededingingsrecht (artikel 82 EG) onjuist heeft toegepast.4 De rechter van de aangezochte staat mag een beslissing uit een andere verdragsluitende staat niet weigeren te erkennen enkel op grond dat zijns inziens het nationale recht of het gemeenschapsrecht in die beslissing onjuist is toegepast, aangezien anders het doel van de EEX-Vo (in het arrest ging het nog om het EEX-verdrag) zou worden doorkruist. In dergelijke gevallen dient de rechter van de aangezochte staat ervan uit te gaan, dat het in elke verdragsluitende staat bestaande stelsel van rechtsmiddelen, aangevuld door de prejudiciële procedure van artikel 234 EG, de justitiabelen voldoende garanties biedt. Het verbod van révision au fond zoals neergelegd in de artikelen 36 en 45 lid 2 EEX-Vo heeft dus tevens betrekking op de toegepaste regels van Europees mededingingsrecht.
Zoals in hoofdstuk 6 reeds is besproken, dient de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis wel wegens strijd met de openbare orde te worden geweigerd indien in het arbitraal vonnis het Europees mededingingsrecht (een fundamentele bepaling van gemeenschapsrecht zoals artikel 81 EG) is geschonden (Eco Swiss/Benetton). Dit hangt samen met het feit dat het anders mogelijk zou zijn om bij een arbitrageovereenkomst met instemming van de partijen elke rechterlijke toetsing aan het Europees mededingingsrecht te omzeilen. Arbiters zouden het Europees mededingingsrecht kunnen schenden terwijl de overheidsrechter (als decentrale gemeenschapsrechter) op initiatief van partijen hier niets tegen zou kunnen verrichten (§ 6.3.3). Daar komt bij dat arbiters, anders dan de overheidsrechter, geen prejudiciële vragen kunnen stellen aan het HvJ EG (§ 6.4) en zich dus niet kunnen verzekeren van een juiste toepassing van het Europees mededingingsrecht (§ 6.3.3).
Een tweede weigeringsgrond wordt gevormd door de bij verstek gegeven beslissingen. Artikel 34 lid 2 EEX-VO bepaalt dat een beslissing niet wordt erkend indien het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, betekend of meegedeeld is, tenzij de verweerder tegen de beslissing geen rechtsmiddel heeft aangewend terwijl hij daartoe in staat was. De weigeringsgrond in artikel 34 sub 2 EEX-VO hangt direct samen met artikel 26 EEX-VO, welke bepaling aangeeft op welke wijze de rechter heeft te handelen indien de verweerder in de procedure niet verschijnt. De vraag of verweerder is verschenen ex artikel 34 sub 2 EEX-VO dient autonoom te worden uitgelegd.5
De derde weigeringsgrond kan zich voordoen ingeval de beslissing onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing.6 De in de EEX-VO opgenomen regeling betreffende litispendentie en samenhang, zoals opgenomen in de artikelen 27 EEX-VO e.v., tracht deze onverenigbare beslissingen en erkenningsproblemen te voorkomen.7
De vierde weigeringsgrond kan zich voordoen ingeval de beslissing onverenigbaar is met een beslissing die vroeger in een andere lidstaat of in een derde land tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits deze laatste beslissing voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in de aangezochte lidstaat.