Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking
Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/5.9:5.9 Samenvatting en conclusie
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/5.9
5.9 Samenvatting en conclusie
Documentgegevens:
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196906:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
[185] Uit jurisprudentie blijkt dat de bindende kracht van de beschikking waarin wanbeleid is vastgesteld beperkte reikwijdte heeft. Conclusies over het gezag van gewijsde in de eerste fase van de enquêteprocedure vallen uit de jurisprudentie nauwelijks te trekken (5.3). Aannemelijk is geworden dat het gezag van gewijsde niet kan gelden voor beslissingen over onmiddellijke voorzieningen (5.4). Het gezag van gewijsde verdraagt zich slecht met het kortgedingachtige karakter van de procedure die tot de beslissing leidt. In de enquêteprocedure kan de partijautonomie bovendien op de achtergrond raken ten faveure van het belang van de rechtspersoon. Oordelen over onmiddellijke voorzieningen zijn formeel definitieve oordelen, maar materieel zijn ze niet als ‘definitief’ te beschouwen. Pas na afronding van het onderzoek naar het beleid van de rechtspersoon kan gezegd worden of de redenen tot twijfel, waarop die oordelen zijn gebaseerd, in zekerheden zijn omgezet. Hierin heb ik aanleiding gevonden om te betwijfelen of wel gesproken kan worden van definitieve beslissingen over de rechtsbetrekking in geschil. De hoedanigheid van betrokkene bij de interne rechtsverhoudingen van de rechtspersoon, brengt niet mee dat men het gezag van gewijsde eerder tegen zich moet laten gelden.
In het geval van een beroep van de rechtspersoon op het gezag van gewijsde van een onmiddellijke voorziening in een later contradictoir geding tegen zijn contractpartner over een contractuele verplichting, speelt bovendien nog het volgende. Het is onwaarschijnlijk dat het in de latere procedure voorliggende geschilpunt al is beslecht in de onmiddellijke voorziening-beslissing. Dat komt omdat de besliskaders van beide procedures sterk verschillen. Bij de beslissing over een onmiddellijke voorziening gaat het om de toestand van de rechtspersoon of het belang van het onderzoek. Het belang van de rechtspersoon neemt een centrale plaats in. In de contradictoire procedure wordt geoordeeld over de vermogensrechtelijke contractverhouding. De belangen van de rechtspersoon en zijn wederpartij zijn daarin gelijkwaardig.
De kans van slagen van een beroep op het gezag van gewijsde van een onmiddellijke voorziening in een latere procedure over een contractuele verplichting is al met al mimimaal. Het gezag van gewijsde is daarom geen (beperkende) factor voor de rechtspositie en de proceskansen van de wederpartij, als de rechtspersoon ten gevolge van een onmiddellijke voorziening zijn contractuele verplichtingen niet nakomt. Aan het thema van het gezag van gewijsde kan geen aanwijzing worden ontleend dat de onmiddellijke voorziening ten opzichte van de contractuele verplichting prevaleert (vergelijk onderzoeksvraag f).
[186] Partijen voor wie het gezag van gewijsde van een beslissing niet geldt kunnen wel te maken krijgen met andere vormen van werking van die beslissing (5.6). Aandacht is besteed aan het concept normatieve werking, de invloed die een beslissing kan hebben in een soortgelijk geschil, al dan niet tussen dezelfde partijen. Ik heb betoogd dat de onmiddellijke voorziening in beginsel geen normatieve werking kan hebben in contradictoire procedures tussen de rechtspersoon en zijn contractpartner (5.7).
[187] De wet bepaalt de reikwijdte van de werking van sommige soorten beslissingen. In 5.8 figureerden bepalingen die inhouden dat de rechter de gevolgen van een beslissing kan regelen of beperken. Soms worden derden beschermd tegen de gevolgen van rechterlijke beslissingen, doordat is bepaald dat zo’n beslissing hun rechten niet kan aantasten. Duidelijk werd dat de wetgever zich niet expliciet heeft uitgelaten over de doorwerking van de onmiddellijke voorziening. Er is niet bepaald dat de maatregelen iedereen binden. Evenmin zijn vormen van invloed van de maatregelen uitdrukkelijk uitgesloten en bepalingen die de werking beperken of die buitenstaanders beschermen ontbreken. Daarom is bezien of de doorwerking van de maatregelen aan de hand van impliciete wettelijke aanwijzingen valt te beschrijven. Een rondgang langs een paar wetsartikelen uit Boek 2 BW en de WOR, waarin de doorwerking van enige rechterlijke beslissingen wordt geregeld, leverde onvoldoende houvast op voor conclusies over de werking van beslissingen op de voet van artikel 2:349a lid 2 BW.
5.9.1 Slotsom