Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/4.6.2.3
4.6.2.3 Uitwerking en toelichting
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS466780:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Verzetten alle aandeelhouders zich tegen het instellen van een onderzoek, dan beëindigt de OK procedure B en kan zij ook geen onmiddellijke voorzieningen treffen.
Bepaald zou kunnen worden: ‘Bestaat tussen een aandeelhouder en (een of meer van) zijn medeaandeelhouder(s) overeenstemming dat de aandeelhouder zijn aandelen zal overdragen tegen gelijktijdige betaling van een nader vast te stellen prijs, dan kunnen zij zich bij gezamenlijk verzoekschrift wenden tot de Ondernemingskamer teneinde de prijs van de aandelen te doen vaststellen. Het verzoek kan ook worden gedaan door een der partijen, mits de andere(n) in zijn (hun) verweerschrift verklaart (verklaren) zich daartegen niet te verzetten.’ Het bepaalde in art. 2: 343c Wetsvoorstel Flex-BV kan voor het overige van overeenkomstige toepassing worden verklaard.
123. Een van de aandeelhouders dient een verzoek in tot het treffen tot splitsing of tot het starten van een biedingprocedure (de keuze is aan hem). Het verzoek kan vergezeld gaan van een verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen in verband met de toestand van de vennootschap (vergelijk art. 2: 349a lid 2 BW). De Ondernemingskamer bepaalt een datum waarop de mondelinge behandeling plaatsvindt, die het karakter heeft van een comparitie van partijen. De vennootschap en belanghebbenden wordt de gelegenheid geboden een verweerschrift in te dienen, met daarin eventueel een tegenverzoek (zie voor de termijnen die in acht genomen dienen te worden het hierboven in paragraaf 4.6.1 beschreven wetsvoorstel). Als de mondelinge behandeling plaatsvindt, zijn verschillende scenario’s denkbaar. Ik noem er drie:
De aandeelhouders komen meteen tot een vergelijk. De Ondernemingskamer handelt de gang van zaken af zoals ook in de huidige enquêteprocedure gebeurt;
Er komt ter terechtzitting geen minnelijke regeling tot stand. De Ondernemingskamer is van oordeel dat het noodzakelijk is (bijvoorbeeld ter voorbereiding van een splitsing) een onderzoek te gelasten. Zij kan alsdan, tenzij alle aandeelhouders zich hiertegen verzetten, de zaak verwijzen naar de reguliere enquêteprocedure en beëindigt procedure B.1 Wel kan zij zo nodig alvast onmiddellijke voorzieningen treffen in verband met de toestand van de vennootschap;
De Ondernemingskamer zet procedure B voort.
124. De Ondernemingskamer zet procedure B voort . De inzet in procedure B is het bereiken van een minnelijke regeling tussen aandeelhouders. Slagen de aandeelhouders er tijdens de mondelinge behandeling niet in een dergelijke regeling te bereiken (geen van de aandeelhouders verklaart zich bereid zijn aandelen aan de ander(en) over te dragen en er komt evenmin een andersoortige minnelijke regeling tot stand), dan wordt de behandeling ter zitting beëindigd. De Ondernemingskamer wijst zo nodig in verband met de toestand van de vennootschap het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen toe. Bovendien bepaalt zij meteen een nieuwe datum voor de tweede terechtzitting, waarop het verzoek tot ruziesplitsing of het starten van een biedingprocedure wordt behandeld. De vennootschap, aandeelhouders en andere belanghebbenden krijgen de gelegenheid schriftelijk aan de Ondernemingskamer te berichten welke hun visie is op de problemen, de standpunten van de anderen, eventuele suggesties die zijn gedaan tijdens de eerste mondelinge behandeling of door bijvoorbeeld de tijdelijk benoemde bestuurder of commissaris, enzovoort. Deze schriftelijke reacties moeten op een door de Ondernemingskamer vastgesteld tijdstip ter griffie binnen zijn (ten minste vijf dagen voor de tweede mondelinge behandeling). Zij draagt er zorg voor dat deze stukken de andere betrokkenen bereiken.
Tijdens de tweede mondelinge behandeling wordt opnieuw door de Ondernemingskamer bezien of een minnelijke regeling kan worden bereikt, mede aan de hand van de reacties van de betrokkenen op elkaars schriftelijke stukken. Wordt meteen een minnelijke regeling bereikt, dan handelt de Ondernemingskamer de gang van zaken af zoals ook in de huidige enquêteprocedure gebeurt. Wordt ter terechtzitting geen minnelijke regeling bereikt, maar lijken de standpunten niet onwrikbaar, dan kan zij partijen nog een (laatste) termijn gunnen te onderhande-len (eventueel onder leiding van de door haar tijdelijk benoemde bestuurder of commissaris; anders onder leiding van iemand die hiertoe door haar wordt aangewezen). Levert ook deze (laatste) termijn niets op, of blijkt op de tweede zitting meteen al dat de standpunten onwrikbaar zijn en dat er geen reëel uitzicht op een oplossing bestaat, dan wijst de Ondernemingskamer het verzoek tot ruziesplitsing dan wel het starten van een biedingprocedure toe. Beide hebben aldus het karakter van een ultimum remedium.
Ik maak nog een paar slotopmerkingen. Het is uiteraard denkbaar dat een aandeelhouder in de reguliere enquêteprocedure verzoekt om een onderzoek en het treffen van onmiddellijke voorzieningen, maar dat er geen aanleiding is voor en/of behoefte bestaat aan het instellen van een onderzoek. De Ondernemingskamer kan de zaak alsdan verwijzen naar procedure B, tenzij alle aandeelhouders zich hiertegen verzetten, en zo nodig alvast onmiddellijke voorzieningen treffen in verband met de toestand van de vennootschap. Voor het geval aandeelhouders slechts wensen dat de Ondernemingskamer een deskundige benoemt om de prijs van de aandelen te bepalen, kan worden overwogen het bepaalde in art. 2: 343c lid 1 Wetsvoorstel Flex-BV ook op te nemen in de enquêteregeling.2 Ten slotte, het lijkt mij raadzaam de ruziesplitsing en biedingprocedure uit procedure B ook op te nemen in art. 2: 356 BW. Ik kom hier op terug in hoofdstuk 5.