Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VI.3.2
VI.3.2 ‘Commissarissentoezicht’ vs.‘niet-uitvoerende bestuurderstoezicht’
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242928:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 15 (NV).
Zie art. 2:129/239 lid 5 BW en art. 2:140/250 lid 2 BW. Zie hierover § II.4.4.
Zie art. 2:140/250 lid 1 BW. Ik besprak deze bepaling in § III.4.2.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 3 (MvT).
Zie onder anderen Blanco Fernández 2016, p. 39; Dortmond, Ondernemingsrecht 2009/72; Dumoulin, Ondernemingsrecht 2012/90; Van Ginneken 2017, p. 211; Lennarts & Roest 2016, p. 121; Van Olffen 2009, p. 43; en Salemink, MvO 2017, afl. 1-2, p. 14.
Blanco Fernández 2016, p. 39.
Evenzo Verdam, Ondernemingsrecht 2018/117.
Zie art. 2:129a/239a lid 1 BW en art. 2:140/250 lid 2 BW.
Aldus ook Verdam, Ondernemingsrecht 2018/117. De definitie van het begrip ‘toezicht’ ontleent hij aan Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 15 (NV).
Verdam, Ondernemingsrecht 2018/117.
Dit verschil komt ook naar voren in de tekst van art. 2:140/250 lid 2 BW respectievelijk art. 2:129a/239a lid 1 BW. Het toezicht van de raad van commissarissen is op grond van art. 2:140/250 lid 2 BW toegespitst op het bestuur als orgaan, terwijl art. 2:129a/239a lid 1 BW rept van toezicht op de taakuitoefening door de individuele bestuurders. Idem Bier, Ondernemingsrecht 2017/105.
Vgl. Schuit 2017, p. 246.
Zie over besluitvorming in een one tier board § V.7.
Zie ook Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 15 (NV).
Zie best practice bepaling 1.1.2 van de Code. Voor de volledigheid wijs ik erop dat dit niet de toezichthoudende taak, maar de adviestaak van de raad van commissarissen betreft. Idem Schuit 2017, p. 246. Voor een analyse van de rol van de raad van commissarissen bij de algemene gang van zaken, verwijs ik naar § VI.2.3.
Art. 2:129a/239a lid 3 BW biedt daartoe de mogelijkheid. Dat hier in de praktijk regelmatig gebruik van wordt gemaakt, concluderen ook Boschma e.a. 2018, p. 73 en 94; en Calkoen, Ondernemingsrecht 2014/4.
Van Ginneken 2017, p. 208.
Zie ook principe 1.5 van de Code. Voor een beschrijving van de algemene gang van zaken, verwijs ik naar § VI.2.2.
Zie § VI.2.3.
Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 53.1, p. 1205. Met de term ‘toezicht’ doel ik op toezicht in de zin van art. 2:129a/239a lid 1 BW.
Zie § VI.2.3.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/438. Evenzo Dumoulin, Ondernemingsrecht 2005/91; Salemink, MvO 2017, afl. 1-2, p. 14; en Verdam, Ondernemingsrecht 2018/117.
Ook tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht kwamen deze vragen op. Volgens de toenmalige Minister van Justitie is niet beoogd een onderscheid te maken tussen de toezichthoudende taak van de niet-uitvoerende bestuurders en de toezichthoudende taak van de commissarissen. Zij hebben dezelfde taakopdracht.1 Bovendien behoren zowel de commissarissen als de niet-uitvoerende bestuurders zich bij de vervulling van de toezichthoudende taak te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.2
Dat niet beoogd is een onderscheid te maken tussen de toezichthoudende taak van de niet-uitvoerende bestuurders en de toezichthoudende taak van de commissarissen, komt eveneens tot uitdrukking in de wet. Opteert de vennootschap voor het monistische bestuursmodel, dan kan zij daarnaast niet ook nog een raad van commissarissen hebben.3 De gedachte is dat een raad van commissarissen in dat geval overbodig is, aangezien de niet-uitvoerende bestuurders de ‘commissaristaken’ vervullen.4 Ook in de literatuur heerst de opvatting dat de toezichthoudende taak van de niet-uitvoerende bestuurders gelijk is aan de toezichthoudende taak van de commissarissen.5 Zo schrijft Blanco Fernández dat “de one tier board, wat betreft zijn toezichtstaak, een equivalent van de RvC [is, NK]”.6
Ik heb mijn bedenkingen bij de gelijkschakeling van niet-uitvoerende bestuurders en commissarissen voor wat betreft hun toezichtstaak.7 Zowel commissarissen als niet-uitvoerende bestuurders hebben een toezichthoudende taak.8 Dit betekent dat zij moeten ‘waken dat een persoon zich gedraagt of dat een handeling geschiedt overeenkomstig een bepaalde norm’.9 Dat doen zij echter ieder op hun eigen manier. Toezicht door de raad van commissarissen is niet beter dan toezicht door de niet-uitvoerende bestuurders en vice versa, maar er bestaan wel degelijk verschillen.10 Ik sluit mij dan ook aan bij Verdam, die opmerkt dat toezicht van de niet-uitvoerende bestuurders ‘in een ander jasje’ plaatsvindt.11
Anders dan de commissarissen, maken de niet-uitvoerende bestuurders deel uit van het bestuur. Het gevolg is dat de commissarissen toezicht houden op het bestuur, terwijl de niet-uitvoerende bestuurders toezicht houden binnen het bestuur.12 Hierdoor verschilt het tijdstip waarop toezicht wordt gehouden. Het toezicht van de niet-uitvoerende bestuurders betreft in de regel het heden.13 Aangezien bestuursbesluiten in beginsel door de uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders tezamen worden genomen, resulteert het toezicht van de niet-uitvoerende bestuurders in een stem voor of tegen het voorgenomen besluit.14 Het toezicht van de niet-uitvoerende bestuurders speelt zich dus al vroeg in het besluitvormingsproces af, namelijk nog vóórdat het bestuursbesluit is genomen.15 Commissarissen hebben geen stem in het bestuur. Hun toezicht beperkt zich tot een toetsing achteraf van het door het bestuur gevoerde beleid. Althans, wat de uitvoering van het beleid betreft. Want bij belangrijke aangelegenheden zoals de strategie en belangrijke overnames, behoort de raad van commissarissen van een beursvennootschap eveneens vooraf bij de besluitvorming van het bestuur te worden betrokken.16
Overigens is het verschil tussen niet-uitvoerende bestuurders en commissarissen in de praktijk minder groot dan het bovenstaande doet vermoeden. In § V.7.2 gaf ik aan dat in de praktijk regelmatig bij of krachtens de statuten wordt bepaald dat een of meer uitvoerende bestuurders zelfstandig kunnen besluiten omtrent zaken die tot hun taak behoren.17 Van Ginneken merkt op dat de wijze waarop besluitvormingsbevoegde bestuurders rapporteren aan het volledige bestuur niet wezenlijk zal verschillen van de wijze waarop een bestuur rapporteert aan de raad van commissarissen.18 De niet-uitvoerende bestuurders verkeren in dat geval dus in een vergelijkbare positie als de commissarissen.
Verder wordt in de literatuur wel betoogd dat het object van het toezicht verschilt. De raad van commissarissen houdt op grond van art. 2:140/250 lid 2 BW toezicht op het beleid van het bestuur en de algemene gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.19 Zoals ik in § VI.2.3 al schreef, zijn de niet-uitvoerende bestuurders primair betrokken bij deze zaken. Zij participeren in de ontwikkeling van het beleid en nemen deel aan de bestuurlijke besluitvorming omtrent aangelegenheden die de algemene gang van zaken betreffen.20 Heeft deze intensievere betrokkenheid tot gevolg dat het beleid en de algemene gang van zaken buiten het bereik van het toezicht van de niet-uitvoerende bestuurders vallen?
Assink is van mening dat volwaardig bestuur en toezicht daarop niet samengaan. De niet-uitvoerende bestuurders kunnen geen toezicht houden op het beleid dat zij mede hebben ontwikkeld. Dit betekent volgens hem dat toezicht op de algemene gang van zaken ontbreekt in een monistisch bestuursmodel.21 Ik kan mij deels in het standpunt van Assink vinden. Ik deel zijn opvatting dat volwaardig bestuur en toezicht daarop niet samengaan, maar ik vraag mij af of in de praktijk wel van volwaardig bestuur gesproken kan worden. Zoals gezegd, is het goed denkbaar dat de niet-uitvoerende bestuurders op andere voet dan de uitvoerende bestuurders betrokken zijn bij de algemene gang van zaken. Ik sluit niet uit dat de uitvoerende bestuurders in de praktijk het initiatief nemen en de besluitvorming voorbereiden, terwijl de niet-uitvoerende bestuurders meer als klankbord fungeren. Hun rol gaat in dat geval niet verder dan het stellen van kritische vragen over het voorstel en de mogelijke alternatieven, hetgeen uiteindelijk resulteert in een stem voor of tegen het voorgenomen besluit.22 Met Van Solinge en Nieuwe Weme meen ik dat in dat geval wel degelijk van toezicht door de niet-uitvoerende bestuurders gesproken kan worden.23