Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/2.3.2.2.1
2.3.2.2.1 De Europese Unie
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633623:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Gelet op de formulering van de preambule is er eerder sprake van een ‘inspiratiebron’.
Sap 2014, p. 153.
Doe 2011, p. 238, Sap 2014, p. 153.
Overbeeke & Sap 2014, p. 274.
Sap 2014, p. 175, 176.
Reformatorisch Dagblad, 7 juli 1992, te raadplegen via http://www.digibron.nl/search/detail/36c7bb0e54e74e2db547e07ea7198b8f/delors-vraagt-kerken-aan-europa-weer-ziel-te-geven.
EU Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt, Pb.EU, L 376/36 van 27 december 2006, Preambule, par. 40.
Zesde Richtlijn 77/388/EEG van 17 mei 1977, Pb.EU, L 145 van 13 juni 1977, artikel 10 (b), art. 13 A lid 1, onder k: belastingvrijstellingen voor activiteiten van algemeen belang, waaronder beschikbaarstelling van personeel door religieuze of levensbeschouwelijke instellingen met het oog op de verlening van geestelijke bijstand. Zie ook Verordening (EG) 1781/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006, Pb.EU, L 345/1 van 8 december 2006, art. 18: vrijstellingen voor organisaties met non-profit religieuze en culturele doelen.
Onderdeel 79 van zijn Conclusie van 6 april 2006 in onder meer de zaak C-300/04 Eman v. College van Burgemeester en Wethouders van den Haag (HvJEU 12 september 2006).
Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 betreffende het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013), Pb.EU, L 412/1, bijlage I, thema 8, Activiteiten.
Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming, Pb.EU, L 304/12, 30 september 2004, artikel 10, lid 1 onderb.
Charities Act, artikel 3, lid 2, onderdeel a. Zie http://www.legislation.gov.uk/ukpga/2011/25, laatst geraadpleegd op 29 november 2021.
Binnen de EU is weliswaar veel gecommuniceerd over het belang van religie en levensovertuiging voor Europa, maar de EU-rechtsbronnen leveren weinig definities op.
Het belang dat de EU hecht aan religie en levensovertuiging blijkt uit diverse EU-verdragen. Zo bepaalt een Gemeenschappelijke Verklaring (nr. 11), die bij de Slotakte van het verdrag van Amsterdam in 1997 is aangenomen: “De Europese Unie eerbiedigt en doet geen afbreuk aan de status die kerken en religieuze verenigingen en gemeenschappen volgens het nationale recht in de lidstaten hebben.” Een ander voorbeeld is de preambule van het Unieverdrag sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009: “Geïnspireerd door de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa, die ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van de universele waarden van de onschendbare en onvervreemdbare rechten van de mens en van vrijheid, democratie, gelijkheid en de rechtsstaat.” Sap leidt uit deze formulering af dat godsdienst (naast cultuur en humanisme) een “pijler”1 van de publieke orde van de EU is en dus meer dan alleen een privéaangelegenheid.2 Vooral het christendom heeft historisch gezien onmiskenbaar een stempel gedrukt op de identiteitsvorming van Europa.3 Dat blijkt al uit het symbool van de Europese vlag, een blauwe vlag met twaalf gouden sterren, dat een duidelijke binding heeft met de traditie van de Mariaverering.4
De erkenning van de specifieke bijdrage van de kerken en levensbeschouwelijke organisaties aan Europa is vastgelegd in artikel 17 lid 3 VWEU: “De Unie voert een open, transparante en regelmatige dialoog met die kerken en organisaties, onder erkenning van hun identiteit en hun specifieke bijdrage.” Het nut van deze dialoog voor bestuurders ligt volgens Sap in de specifieke deskundigheden van deze organisaties in morele en sociale zaken. Godsdienst en levensbeschouwing vormen in de publieke arena immers een inspiratiebron voor zingevende en morele oriëntaties die als Europese waarden en principes steunpilaren zijn van de democratische rechtsstaat. Als karakteristieke bijdrage van de RKK in het publieke domein vermeldt hij de aandacht die deze organisatie vestigt op de bescherming van de menselijke waardigheid en het recht op leven, de natuurlijke structuur van het gezin en huwelijk en het recht van ouders om hun kinderen op te voeden. De protestantse kerken richten zich meer op democratisering, economie, arbeid en persoonlijke ethiek. Het joodse geloof en de islam wijzen op het risico van ‘self-centered individuals’, die gefocust zijn op hun rechten in plaats van hun plichten en verantwoordelijkheden.5
In zijn hoedanigheid van voorzitter van de Europese Commissie (1985-1995) heeft de Franse politicus Jacques Delors dan ook in 1992 een oproep gedaan aan kerken en kerkgangers om hun bijdrage te leveren aan het uitbouwen van een moreel Europa. In zijn visie zou Europa een ziel en spiritualiteit nodig hebben omdat het veel meer dan voorheen voor morele en politieke keuzes zou staan. Hij zag hierin een grote rol weggelegd voor kerk en godsdienst.6
Ook sommige Europese richtlijnen erkennen expliciet het belang van ‘religieuze en filosofische waarden van de maatschappij’7 of ‘geestelijke bijstand’.8 Advocaat-Generaal Tizanno heeft in zijn conclusie bij zaak C-300/04 gesteld dat religie een identificerend kenmerk van een natie in een lidstaat kan zijn. Zo merkte hij op dat “met natie gewoonlijk wordt bedoeld het geheel van individuen die met elkaar zijn verbonden omdat zij tradities, cultuur, taal, etniciteit, religie, etc., gemeen hebben”.9 In een Besluit van het Europees Parlement en de Raad van de EU wordt religie, samen met onder meer cultuur en cultureel erfgoed, erkend als een van de “bouwstenen van onze Europese multiculturele identiteit en ons Europees multicultureel erfgoed”.10
Een van de weinige definities van religie is te vinden in een Europese Richtlijn uit 2004. Deze definitie is ruim en neutraal: “Het begrip ‘godsdienst’ omvat met name theïstische, niet-theïstische en atheïstische geloofsovertuigingen, het deelnemen aan of het zich onthouden van formele erediensten in de particuliere of openbare sfeer, hetzij alleen of in gemeenschap met anderen, andere religieuze activiteiten of uitingen, dan wel vormen van persoonlijk of gemeenschappelijk gedrag die op een godsdienstige overtuiging zijn gebaseerd of daardoor worden bepaald.”11 De definitie die de Britse Charities Act 2011 biedt, ligt in die lijn: ‘”Religion” includes a religion which involves belief in more than one god, and a religion which does not involve belief in a god.’12