Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/2.8
2.8 Uitleiding
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS384571:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
E.J.J. van der Heijden, Handboek voor de Naamlooze Vennootschap, 8e druk, bewerkt door W.C.L. van der Grinten, Zwolle: Tjeenk Willink 1968, nr. 233. In de latere drukken van het Handboek in de bewerking van Van der Grinten is de uitwerking van het begrip vennootschappelijk belang telkens opgenomen in nr. 231.
L. Timmerman, ‘Grondslagen van geldend ondernemingsrecht’, oratie Rotterdam 2009,Ondernemingsrecht 2009, 2.
F.W.J. Löwensteyn, ‘De N.V. als raakpunt van contraire belangen’, in H.C.F. Schoordijk et al (reds.), Honderd jaar rechtsleven, lustrumbundel van de Nederlandse Juristen Vereniging, Zwolle, Tjeenk Willink 1970, p. 85-99.
Löwensteyn 1970, p. 86.
Ibid, p. 97-98. Zie voor een eerdere en even krachtige kritiek C.A. Boukema, ‘Algemeen belang en ondernemingsbelang in het nieuwe ondernemingsrecht’ in H.L. Bakels et al. (reds.), Op de grenzen van komend recht, liber amicorum J.H. Beekhuis, Deventer/Zwolle: Tjeenk Willink & Kluwer 1969, p. 53-65.
Löwensteyn 1970, p. 99.
Met het uit het rapport van de Commissie Verdam voortgekomen wetsvoorstel inzake de structuurregeling zou de interne organisatie van de grote N.V. en daarmee de positie van de aandeelhouders binnen een dergelijke N.V. op ingrijpende wijze worden gewijzigd. De blauwdruk voor de inrichting van de N.V. en de machts- en bevoegdheidsverdeling tussen de verschillende organen zou hiermee een definitieve juridische vorm krijgen die tot aan het begin van de 21ste eeuw in vrijwel ongewijzigde vorm gehandhaafd zou blijven. Tevens was met de discussie over de belangenverbreding binnen de N.V. definitief het beeld van de kleine N.V. als besloten ondernemingsvorm gekanteld naar een bepalend beeld van de grote publieke N.V. als maatschappelijk instituut. Aandeelhouders waren in de maatschappelijke perceptie verworden tot enkel beleggers. Juridisch gezien waren zij op afstand van de N.V. gezet als gevolg van de machtsverschuiving naar de RvC in de structuurregeling. Van een werkelijke verschuiving was in de ogen van de politiek, gevoed door wetenschappers als Sanders en Van der Grinten, echter geen sprake. De aandeelhouders werd immers geen feitelijke macht ontnomen, er werd slechts voorzien in het opvullen van een lacune in de interne controle die de aandeelhouders in publieke N.V.’s hadden laten vallen.
Tegen de achtergrond van de hierboven beschreven belangenverbreding binnen de N.V. en de daarmee verband houdende structuurwijzigingen werd eind jaren ‘60 ook het pleit beslecht in de wetenschappelijke discussie over de inhoud en strekking van het vennootschappelijk belang. In de achtste druk van het Handboek uit 1968 gaf Van der Grinten, die tot dan toe altijd had volgehouden dat de N.V. was gericht op de belangen van de gezamenlijke aandeelhouders, een eigen opvatting terzake van het vennootschappelijk belang die was geënt op het uitgangspunt van het belangenpluralisme binnen de vennootschap. Zijn aldaar geformuleerde visie wordt sindsdien aangeduid als de ‘resultante-benadering’: “Deze term [het vennootschappelijk belang] is vrij vaag. Zij duidt in het bijzonder aan, dat aan de vennootschap als institutie belangen zijn verbonden, die zijn onderscheiden van de directe belangen van aandeelhouders. Wat als vennootschappelijk belang kan gelden, is de resultante van afweging van belangen van allen die bij de vennootschappelijke werkzaamheden zijn betrokken.”1 En passant erkende Van der Grinten hiermee ook nog de eigenheid van de N.V. als ‘institutie’, waarmee hij zich definitief achter Maeijer’s uitleg van de strekking van de rechtspersoonlijkheid van de N.V. lijkt te hebben geschaard. Het resultaat van deze wending van Van der Grinten is geweest dat zijn resultante-benadering en de holistische benadering van Maeijer sindsdien als min of meer gelijke grootheden in de rechtswetenschap naast elkaar hebben bestaan. Alle wetenschappelijke verhandelingen van na 1968 over het thema vennootschappelijk belang zijn tot aan de Rotterdamse oratie van Timmerman uit 20092 in feite variaties op de door Maeijer en Van der Grinten geformuleerde thema’s geweest.
Löwensteyn moet deze ontwikkeling met lede ogen hebben aangezien. In een opstel in de NJV-bundel uit 1970 probeerde hij nog één keer om zijn eigen op de winst ten behoeve van de huidige en toekomstige aandeelhouders gerichte model ten opzichte van het vennootschappelijk belang van Maeijer en Van der Grinten te rehabiliteren.3 Löwensteyn constateerde dat de neiging om de rechtspersoon “allerlei eigenschappen en attributen van de natuurlijke persoon toe te schrijven” was doorgeschoten.4 Hij presenteerde vervolgens een alternatieve lezing van het begrip belang van de vennootschap, wat hij een verwarrende term vond en betoogde dat dit belang ook vertaald kon worden als het doel van de vennootschap om winst te maken ten behoeve van haar aandeelhouders als winstgerechtigden. Hij nam voorts krachtig stelling tegen de idee dat ook het algemeen belang via het vennootschappelijk belang ingang zou moeten vinden.5 Tot slot stelde Löwensteyn dat ook het meewegen van de belangen van werknemers in het kader van het vennootschappelijk belang niet tot bevredigende uitkomsten kon leiden (“Tegengestelde belangen kan men hoogstens tegen elkander afwegen.”) en dat hij in plaats daarvan meer heil zag in het via wetgeving veiligstellen van bepaalde belangen van werknemers.6 Uit deze verkorte weergave wordt duidelijk dat Löwensteyn’s opvattingen zich op dat moment op al deze punten buiten de heersende meningen en tegen de toenmalige maatschappelijke stromingen in bevonden. Tot enige navolging van zijn opvattingen is het daarna dan ook niet meer gekomen.
Aldus aangekomen in het jaar 1971 was het fundament voor de klassieke N.V. voltooid. De N.V. was gericht op de grote onderneming, had een institutioneel karakter en bood via de norm van het vennootschappelijk belang en via de invloed van de ondernemingsraad op de samenstelling van de RvC een (rechts) ingang voor een breder pallet aan belangen. De belangen van de aandeelhouders waren van hoogste gezag gaandeweg naar de achtergrond getreden. Het bestuur van de N.V. had zich juridisch, feitelijk en normatief van een sterke positie weten te verzekeren, maar was ingevolge de structuurregeling onder toezicht van een sterker gemaakte RvC gesteld. Ten aanzien van de arbeiders/werknemers was de Nederlandse polder in staat gebleken om grote onlusten te voorkomen door deze groep als het ware in het vennootschappelijk bestel in te kapselen. Zo was de N.V. verworden tot een maatschappelijk instituut. Op deze basis zou het Nederlandse bedrijfsleven in het algemeen en de Nederlandse beursvennootschap in het bijzonder in de decennia erna voortbouwen.