Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/17.7.2
17.7.2 De kwalificatie als feitelijke beleidsbepaler bij vermogensonttrekkingen
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS403552:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6, p. 24.
Zie Lennarts 1999, p. 183 en Bartman/Dorresteijn 2009, p. 295.
Zie overweging 1.22 van de conclusie van A-G Timmerman bij HR 17 november 2006, RvdW 2006/ 1082 (Lebon/Hellendoorn q.q.) en daarover Bartman/Dorresteijn 2009, p. 298. Aldus ook Asser/ Maeijer/Van Solinge & Nieuwe-Weme 2-II* 2009, nr. 465.
Zie bijvoorbeeld HR 17 november 2006, RvdW 2006/1082 (Lebon/Hellendoorn q.q.), HR 23 november 2001, NJ 2002, 95 (Vlimeta) en HR 28 april 2000, NJ 2000, 41, JOR 2000/128 (Montedison).
Aldus ook Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe-Weme 2-II* 2009, nr. 465: “Het is niet nodig dat sprake is van een vaste gedragslijn of zelfs van een reeks bestuurshandelingen. Ook een afzonderlijke (kennelijk onbehoorlijke) bestuurshandeling kan onder omstandigheden worden aangemerkt als beleidsbepaling. Op dit punt geldt iets soortgelijks als ten opzichte van wanbeleid in het enquêterecht. Eén enkele handeling kan wanbeleid opleveren; zie HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466 (Ogem)”. Zie ook Timmerman 1988, p. 78, die overweegt dat aansprakelijkheid van een moedervennootschap op grond van art. 2:248 BW mogelijk is als de moeder druk uitoefent op het bestuur van de dochtervennootschap om deel te nemen in een project dat voorzienbaar tot mislukken gedoemd is.
Wanneer kwalificeert een aandeelhouder als feitelijke beleidsbepaler vanwege zijn betrokkenheid bij een vermogensonttrekking? Uit de wetsgeschiedenis bij art. 2:248 lid 7 BW volgt dat niet voldoende is dat de aandeelhouder het beleid van de vennootschap mede heeft bepaald,1 maar dat sprake moet zijn van een directe bemoeienis met het bestuur, gecombineerd met een feitelijke terzijdestelling van het formele bestuur.2 A-G Timmerman heeft overwogen dat het vereiste van feitelijke terzijdestelling niet (te) letterlijk moet worden genomen.
De A-G overwoog: “Het gaat er om dat de feitelijke beleidsbepaler rechtstreekse bemoeienis heeft met de beleidsbepaling en zodoende de bestuursmacht aan zich trekt. Van feitelijke leiding geven in de zin van art. 248, lid 7 BWis m.i. sprake, als de feitelijke leidinggever aan de formele bestuurder zijn wil oplegt en die daarmee terzijde stelt.”3
Het bestuur kan terzijde worden gesteld door te dreigen met schorsing of ontslag.4 Ik zou menen de terzijdestelling ook kan voortvloeien uit de manier waarop de aandeelhouder gebruik maakt van zijn (statutair) instructierecht, uit de feitelijke invloed die de aandeelhouder op het bestuur heeft, of uit het gegeven dat de formele bestuurder het (mede)bepalen van het beleid door de aandeelhouder gedoogt.5 Uit de (beperkte hoeveelheid) jurisprudentie die over art. 2:248 lid 7 BW is verschenen, blijkt niet dat sprake moet zijn van een duurzame bemoeienis met het bestuur van de vennootschap.6 Een aandeelhouder kan mijns inziens ook worden aangemerkt als feitelijke beleidsbepaler als hij zich slechts ten aanzien van één specifieke transactie als zodanig heeft opgesteld.7 Daarvoor is wel vereist dat sprake is van een transactie met (voor de vennootschap) zeer ingrijpende gevolgen, waardoor de transactie de bijzondere aandacht van het bestuur verdiende, en de aandeelhouder door het opleggen van zijn wil deze bijzondere aandacht naar zich heeft toegetrokken. Dat de aandeelhouder vóór een dividendbesluit heeft gestemd in de wetenschap dat de vennootschap daarna in continuïteitsproblemen zou komen, maakt hem dus nog niet tot feitelijke beleidsbepaler. De aandeelhouder die zich in vergaande mate bemoeit met een herfinanciering van de vennootschap, maar zich daarna opstelt als een ‘reguliere’ aandeelhouder, kwalificeert onder omstandigheden wél als feitelijke beleidsbepaler. Het feit dat zijn bemoeienis met (het bestuur van) de vennootschap een eenmalig karakter had, hoeft daaraan dus niet in de weg te staan.