Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/5.1.1
5.1.1 Nieuwe eigendomsregeling
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS618510:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In algemene zin kunnen drie (wettelijke) uitzonderingen worden gemaakt op de verticale natrekking, te weten 1) voor zover de wet niet anders bepaalt (bijvoorbeeld artikel 2 en 3 Mijnbouwwet ten aanzien van niet gewonnen delfstoffen); 2) horizontale natrekking (bijvoorbeeld een kelder die deels onder de grond van de buren is gebouwd; en 3) het tweede lid van artikel 5:20BW ten aanzien van netten. Voor netten gelden dus echter alleen de uitzonderingen onder 2 en 3 genoemd.
Voorheen zag deze uitzondering bij (telecom) netten op het bepaalde in artikel 5.6 Tw (oud).
Kamerstukken 112005/06, 29 834, nr. 12, p. 18.
Volgens Ploeger zal het leerstuk van de horizontale natrekking bij netten niet de gezochte rechtszekerheid opleveren. Zie: Ploeger 2005b, p. 11 e.v. en tevens Ploeger 2005a, p. 45.
De invoering van de nieuwe eigendomsregeling kwam voort uit de discussie die al lange tijd voor, maar zeker ook in alle 'hevigheid' ná, de kabelarresten werd gevoerd over de vraag wie eigenaar is van een net. In het derde hoofdstuk heb ik uitvoerig de nieuwe eigendomsregeling beschreven evenals de wijzigingen die de regeling in diverse wet- en regelgeving tot gevolg heeft gehad. Een net is, kort gezegd, een onroerende zaak, overeenkomstig artikel 3:3BW en tevens een registergoed zoals beschreven in artikel 3:10BW. Voor overdracht van een net is, conform artikel 3:89BW een notariële akte, gevolgd door inschrijving ervan in de openbare registers vereist. Daarnaast geldt voor netten dat de daartoe bevoegde aanlegger eigenaar is van het net dat in andermans grond is of wordt aangelegd.
Vóór de kabelarresten was de eigendomsvraag in beginsel alleen voor telecomnetten helder. Artikel 5.6 Tw (oud) was de enige sectorspecifieke bepaling die inhield dat de eigendom van een telecomnet bij de aanlegger bleef berusten als het net in andermans grond werd aangelegd. Voor alle andere netten bleef (ook na de kabelarresten) de eigendomsvraag enigszins onduidelijk. De nieuwe eigendomsregeling is inmiddels een feit. De systematiek van artikel 5:20BW is door de regeling gewijzigd en wel zodanig dat op de algemene regel betreffende de verticale natrekking thans met betrekking tot nette1twee (wettelijke) uitzonderingen worden gemaakt. Dit zijn:
i) 'voor zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders onroerende zaak', (laatste zin 5:20, eerste lid, sub e) en ii) 'in afwijking van lid 1 behoort de eigendom van een net (..) toe aan de bevoegde aanlegger van dat net dan wel aan diens rechtsopvolger' (5:20, tweede lid).2 Het nieuwe tweede lid geldt in beginsel als hoofdregel voor alle soorten netten, ongeacht of deze openbaar of niet-openbaar zijn, boven of onder de grond lopen. Toch zal niet in alle gevallen een beroep op het tweede lid van artikel 5:20 BW gedaan kunnen worden. Denk hierbij aan de situatie dat de bevoegdheid van een aanlegger om een net aan te leggen in andermans grond is komen te vervallen doordat de overeenkomst op basis waarvan de aanleg is gerealiseerd is vernietigd of door tijdsverloop is geëindigd. Volgens de minister3 zal dan de hoofdregel van artikel 5:20, eerste lid BW (verticale natrekking) echter niet snel opgaan, maar zal zeer wel mogelijk horizontale natrekking kunnen plaatsvinden op grond van artikel 5:20, eerste lid, sub e BW (de eerste uitzondering). De horizontale natrekking zal, aldus de Minister, als een soort 'vangnet' kunnen gelden, indien het tweede lid niet van toepassing is.4 Dit betekent dat dus nog maar in zeer uitzonderlijke gevallen een beroep op de hoofdregel van artikel 5:20, eerste lid BW gedaan kan of zal worden.