Einde inhoudsopgave
Open normen in het huurrecht (R&P nr. VG11) 2019/3.4.5.4
3.4.5.4 Ambtshalve toetsing
J.Ph. van Lochem, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
J.Ph. van Lochem
- JCDI
JCDI:ADS494997:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie HvJ EG 27 juni 2000, NJ 2000/730, en HvJ EG 26 oktober 2006, NJ 2007/201.
‘Ambtshalve toetsing III, Herzien rapport van de redactieraad van het LOVCK&T’, mei 2018, p. 8, https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-at-III-31-juli-2018.pdf.
Zie bijvoorbeeld Rb. Assen (ktr.) 20 juli 2010, ECLI:NL:RBASS:2010:BN4807, Rb. Alkmaar (ktr.) 16 februari 2011, ECLI:NL:RBALK:2011:BP7550, en Rb. Almelo (ktr.) 7 juni 2011, ECLI:NL:RBALM:2011:BQ7640.
De vragen luiden:“Vraag 1Is een bedrijfsmatige verhuurder van woonruimte die een woning verhuurt aan een particulier aan te merken als een verkoper of dienstverrichter in de zin van de richtlijn? Valt een huurovereenkomst tussen een bedrijfsmatige verhuurder en een niet-bedrijfsmatige huurder onder de werking van de richtlijn?Vraag 2Brengt de omstandigheid dat artikel 6 van de richtlijn moet worden beschouwd als een norm die gelijkwaardig is aan de nationale regels die in de interne rechtsorde gelden als regels van openbare orde mee dat in een geding tussen particulieren de nationale uitvoeringswetgeving met betrekking tot oneerlijke bedingen van openbare orde is, zodat de nationale rechter zowel in eerste aanleg als in hoger beroep bevoegd én verplicht isambtshalve (en dus ook buiten de grieven om) een contractueel beding te toetsen aan de nationale uitvoeringswetgeving en de nietigheid van dat beding aan te nemen indien hij tot het oordeel komt dat het beding oneerlijk is?Vraag 3Past het bij de nuttige werking van het gemeenschapsrecht dat de nationale rechter een boetebeding dat moet worden aangemerkt als een oneerlijk beding in de zin van de richtlijn niet buiten toepassing laat, maar slechts met toepassing van de nationale wetgeving de boete matigt, indien een particulier wel een beroep op de matigingsbevoegdheid van de rechter heeft gedaan, maar niet op de vernietigbaarheid van het beding?”
Hof Amsterdam 13 september 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BS7888.
HvJ EU 30 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:341, WR 2013/80.
HvJ EU 30 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:341, WR 2013/80, r.o. 25 e.v.
HvJ EU 30 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:341, WR 2013/80, r.o. 45.
HvJ EU 30 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:341, WR 2013/80, r.o. 51.
HvJ EU 30 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:341, WR 2013/80, r.o. 59.
Hof Amsterdam 21 januari 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:950. Overigens wordt in het eerder genoemde rapport van de redactieraad LOVCK&T (Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton & Toezicht) geadviseerd om de ambtshalve toetsing te beperken tot consumenten en dit niet uit te breiden tot partijen die op grond van de reflexwerking aanspraak zouden kunnen maken op de bescherming van artikel 6:233 BW: “In de rechtspraak van het HvJ EU is echter geen aanzet te vinden voor ‘reflexwerking’ van de ambtshalve toetsing in die zin dat deze ook ten behoeve van ‘consumentachtige’ partijen toegepast zou moeten worden.” (‘Ambtshalve toetsing III, Herzien rapport van de redactieraad van het LOVCK&T’, mei 2018, p. 9, https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-at-III-31-juli-2018.pdf.
HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691.
HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, r.o. 3.6.3.
Zie voor een uitgebreide uiteenzetting over de eventuele ambtshalve toetsing in hoger beroep Van Rossum en Van der Minne, TvPP 2017/3, p. p. 98-104.
HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:340. Voorafgaand aan dit arrest is op 21 april 2016 nog een uitspraak van het HvJ EU verschenen waaruit volgt dat strijd met de Richtlijn Oneerlijke bedingen bestaat indien nationale regels aan een ambtshalve toetsing in de weg staan, terwijl op grond van deze Richtlijn wel ambtshalve getoetst zou moeten worden (HvJ EU 21 april 2016, ECLI:EU:C:2016:283, RvdW 2016/806).
R.o. 3.4.2 van HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:340.
Een andere voorbeeld is de uitspraak Rb. Amsterdam 7 februari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:572.
Hof ’s-Hertogenbosch 11 december 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:5187. Het hof kwam tot de conclusie dat de verhuurder een gerechtvaardigd belang had bij het boetebeding, dat het boetebeding specifiek zag op de gestelde tekortkoming en dat de gevorderde boete niet onevenredig hoog was. Het hof overweegt dit niet expliciet, maar uit het citaat van het boetebeding blijkt voorts dat het ook een maximum kent. Het hof beschouwt het boetebeding dan ook niet als onredelijk bezwarend.
In de vorige paragraaf is kort de richtlijnconforme uitleg genoemd. Het HvJ EG heeft bepaald/bevestigd dat de nationale wet niet alleen richtlijnconform moet worden uitgelegd, maar dat de rechter in bepaalde gevallen ook ambtshalve moet toetsen of een beding oneerlijk is.1
In een rapport van de redactieraad van het LOVCK&T (Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton & Toezicht) wordt ambtshalve toetsing als volgt gedefinieerd:
“Ambtshalve toetsing is dus: het verplicht toepassen van de in het Nederlands recht geïmplementeerde normen van (niet alleen meer) Europees consumentenrecht, zonder dat de consument daar een beroep op heeft gedaan.”2
De genoemde ambtshalve toetsing of bedingen in algemene voorwaarden onredelijk bezwarend zijn, is terug te lezen in diverse uitspraken.3
Na de arresten van het HvJ EU inzake de ambtshalve toetsing door de nationale rechter aan de Richtlijn Oneerlijke bedingen, bleef onduidelijkheid bestaan over de vraag hoe ver die verplichting rijkt. Mag de rechter bijvoorbeeld buiten de rechtsstrijd van partijen treden? En valt een huurovereenkomst wel onder het bereik van deze richtlijn die met name lijkt te zien op kooptransacties (in de Nederlandse vertaling van de Richtlijn Oneerlijke bedingen wordt gesproken over de consument enerzijds en de verkoper anderzijds)? Hof Amsterdam heeft op 30 september 2011 deze vragen4 in een arrest opgenomen en voorgelegd aan het HvJ EU met het verzoek de vragen te beantwoorden.5 Op 30 mei 2013 zijn de vragen beantwoord (een verklaring voor recht door het HvJ EU).6
Het HvJ EU maakt in de gegeven antwoorden duidelijk dat de Richtlijn Oneerlijke bedingen niet alleen bedoeld is voor kooptransacties en dat zij ook ziet op algemene voorwaarden bij een huurovereenkomst voor woonruimte (aangeduid als ‘algemene bepalingen’) tussen een voor privédoeleinden handelende particulier en een beroepsbeoefenaar in de vastgoedsector.7
Daarnaast beantwoordt het HvJ EU de vraag, of de rechter ook ambtshalve moet toetsen indien dit buiten de rechtsstrijd (in casu het grievenstelsel) valt. Het antwoord luidt dat de nationale rechter, wanneer hij op grond van de nationale regels ambtshalve mag toetsen aan de regels van de openbare orde, deze bevoegdheid ook moet uitoefenen om ambtshalve te toetsen aan de Richtlijn Oneerlijke bedingen.8 Als de conclusie vervolgens is dat het beding, dat ambtshalve getoetst is, onredelijk bezwarend is, moet de rechter het beding ambtshalve vernietigen.9 Als het onredelijk bezwarende beding een boetebeding betreft, is matiging van de boete onvoldoende.10
Kortom: het is sinds 30 mei 2013 duidelijk dat ambtshalve toetsing aan de voornoemde Richtlijn door de rechter verplicht is, als de rechter op grond van Nederlandse regels ambtshalve kan toetsen aan regels van de openbare orde. Hof Amsterdam, dat de vragen aan het HvJ EU had voorgelegd, beslist aan de hand van het voornoemde vervolgens dat hij ambtshalve kan toetsen.11
Op 13 september 2013 volgt een arrest van de Hoge Raad inzake een andere kwestie.12 Onderwerp van het geschil zijn algemene voorwaarden bij een aannemingsovereenkomst. De Hoge Raad heeft de beantwoording van de vragen door het HvJ EU afgewacht en overweegt aan de hand daarvan:
“Het vorenstaande brengt voor het Nederlandse recht mee dat de appelrechter is gehouden ambtshalve na te gaan of een beding uit het oogpunt van de in Richtlijn 93/13 gegeven criteria oneerlijk is, ook indien hij daarbij buiten het door de grieven ontsloten gebied moet treden. Volgens het Nederlands appelprocesrecht behoort de rechter immers recht van openbare orde in beginsel ook toe te passen buiten het door de grieven ontsloten gebied, met dien verstande dat hij de grenzen van de rechtsstrijd van partijen dient te respecteren. Hij is dus niet tot dit onderzoek gehouden als tegen de toe- of afwijzing van de desbetreffende vordering in hoger beroep niet is opgekomen en hij derhalve als appelrechter niet bevoegd is om over die vordering een beslissing te geven.”13
De Hoge Raad geeft derhalve aan dat een hof in hoger beroep ook het recht van openbare orde moet toepassen buiten de ingediende grieven, tenzij tegen de toe- of afwijzing van de desbetreffende vordering in hoger beroep niet wordt opgekomen.14
De Hoge Raad wijst vervolgens op 26 februari 2016 een arrest waarin nader wordt ingegaan op het grievenstelsel versus de ambtshalve toetsing.15 De Hoge Raad benoemt daarbij dat er discussie is ontstaan na het zojuist geciteerde arrest uit 2013 en schept duidelijkheid:
“Deze beslissing is in de literatuur verschillend opgevat; dit betreft met name de zin dat volgens het Nederlands appelprocesrecht de rechter recht van openbare orde in beginsel ook behoort toe te passen buiten het door de grieven ontsloten gebied, met dien verstande dat hij de grenzen van de rechtsstrijd van partijen dient te respecteren. Deze beide begrippen, de grenzen van de rechtsstrijd en het door de grieven ontsloten gebied, zijn niet met elkaar te vereenzelvigen. Het verschil tussen beide komt in een geval als het onderhavige naar voren wanneer de appellant vernietiging vordert van de beslissing van de rechter in eerste aanleg tot toewijzing van de gevorderde boete, maar de daartoe door hem aangevoerde grieven niet ertoe strekken dat het beding ongeldig is. De als recht van openbare orde aan te merken regels van de Richtlijn vallen in dat geval buiten het door de grieven ontsloten gebied, maar binnen de grenzen van de rechtsstrijd van partijen in appel. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad in de zaak Heesakkers/Voets dient de appelrechter dat recht van openbare orde dan – op de in dat arrest uiteengezette gronden – ambtshalve toe te passen.”16
Ofwel: ook in hoger beroep moet ambtshalve aan de Richtlijn Oneerlijke bedingen getoetst worden zodra de huurder vernietiging vordert van de uitspraak in eerste aanleg.
Na de genoemde arresten passen de Nederlandse rechters de ambtshalve toetsing veelvuldig op het gebied van huurrecht, met name ten aanzien van contractuele boetes, toe. Een voorbeeld is17 een arrest van Hof ’s-Hertogenbosch, waarin het hof tot ambtshalve toetsing van een boetebeding in de algemene bepalingen bij een huurovereenkomst overgaat, nu de huurovereenkomst onder de werking van de Richtlijn 93/13/EEG valt.18