Einde inhoudsopgave
Belastingheffing over particulierpensioen en overheidspensioen in grensoverschrijdende situaties (FM nr. 144) 2015/5.4.1
5.4.1 Verdrag met Canada
dr. B. Starink, datum 01-02-2015
- Datum
01-02-2015
- Auteur
dr. B. Starink
- JCDI
JCDI:ADS346915:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Loonbelasting / Pensioenregeling
Voetnoten
Voetnoten
Daterend van 2 april 1957, Trb. 1957, 61
Gesloten te Den Haag op 27 mei 1986, Trb. 1986, 65. In werking getreden op 21 augustus 1987, Trb. 1987, 147 en van toepassing per 1 januari 1987.
Trb. 1993, 52.
Kamerstukken II 1985/86, 19614, nr. 1, p. 10.
Kamerstukken II 1985/86, 19614, nr. 1, p. 10 e.v.
Kamerstukken II 1986/87, 19614, nr. 6, p. 6.
Kamerstukken I 1986/87, 19614, nr. 141a, p. 2.
Trb. 1993, 52.
Handelingen II 1986/87, 35-1985.
Kamerstukken I/II 1992/93, 23308, nr. 363 en 1, p. 7.
Op 21 augustus 1987 is het eerste verdrag met Canada1 vernieuwd.2 In 1993 is het verdrag gewijzigd3 en luidt nu als volgt.
“Artikel 18: Pensioenen, lijfrenten, sociale verzekeringsuitkeringen en alimentatieuitkeringen
Pensioenen, lijfrenten en andere soortgelijke betalingen, alsmede afkoopsommen uit een pensioenregeling of opkomende bij de afkoop, het annuleren, het aflossen, de verkoop of een andere vorm van vervreemding van een lijfrente, alsmede een pensioen en andere uitkering, betaald krachtens de bepalingen van een stelsel inzake sociale zekerheid, afkomstig uit een van de Staten en betaald aan een inwoner van de andere Staat, mogen in die andere Staat worden belast.
Deze inkomsten mogen echter ook in de Staat waaruit zij afkomstig zijn, overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar in het geval van periodieke betalingen mag de aldus geheven belasting 15 percent van het brutobedrag ervan dat volgens de wetgeving van die Staat belastbaar is, niet overschrijden.
Voordelen ingevolge de, ‘Old Age Security Act’ van Canada en oorlogspensioenvergoedingen (daaronder begrepen pensioenen en vergoedingen betaald aan oorlogsveteranen of betaald als gevolg van een oorlog) afkomstig uit Canada en betaald aan een inwoner van Nederland, mogen in Canada worden belast overeenkomstig de wetgeving van Canada.
Alimentatieuitkeringen en andere soortgelijke betalingen afkomstig uit een van de Staten en betaald aan een natuurlijke persoon die inwoner is van de andere Staat, zijn slechts in die andere Staat belastbaar.”
In dit verdrag is voor pensioenuitkeringen in eerste instantie slechts vanuit Canada geen onderscheid gemaakt tussen een overheidspensioen en een particulierpensioen. De reden hiervoor is dat Canada het niet mogelijk achtte dit onderscheid te maken met betrekking tot pensioenen die vanuit Canada aan inwoners van Nederland worden betaald.4 In Canada wordt bij een wisseling van de dienstbetrekking een opgebouwd pensioen namelijk automatisch meegenomen naar de nieuwe werkgever. Dat is ook het geval bij de overgang van een particuliere dienstbetrekking naar een dienstbetrekking bij de overheid. Dit brengt met zich mee dat een overheidspensioen een particulier element kan bevatten en vice versa. Om de daaruit voortkomende moeilijkheden te voorkomen, wenste Canada een bronheffing van 15% op alle pensioenen die vanuit Canada worden betaald aan een inwoner van Nederland, toe te passen. Hetzelfde geldt voor particuliere pensioenen die vanuit Nederland worden betaald aan een inwoner van Canada. Nederland heft wel onbeperkt over overheidspensioenen die vanuit Nederland aan een inwoner van Canada worden betaald.5 Dit was in het eerdere verdrag met Canada uit 1957 niet het geval. Dit is dan ook gewijzigd in het verdrag en per 1 januari 1987 in lijn gebracht met de standaardsituatie.6 Ten slotte is er een onbeperkte bronlandheffing overeengekomen over afkoopsommen van pensioenen.
Opmerkelijk is dat Canada het uitdrukkelijk onwenselijk vindt om een pensioenuitkering te splitsen in een deel overheidspensioen en een deel particulierpensioen. Hiermee voorkomt Canada dat beide landen een deel van een pensioenuitkering in de heffing mogen betrekken. Voor Nederland is dit blijkbaar een veel minder groot bezwaar. Wij kennen namelijk het systeem van diensttijdevenredige toerekening op grond van de jurisprudentie waar in hoofdstuk 6 nader op in wordt gegaan. Canada voorkomt deze onnodig complexe verdeling van heffingsrechten door een beperkte bronlandheffing te introduceren. Nederland heeft hiermee ingestemd. Nederland heeft in eerste instantie echter niet zover willen gaan dat ook het onderscheid tussen particulierpensioen en overheidspensioen zou worden opgeheven. Wel wordt opgemerkt dat “indien de afbakening tussen beide soorten pensioen minder gemakkelijk aan te brengen zou zijn, hetgeen het geval is indien pensioenrechten kunnen worden meegenomen, zal herbezinning noodzakelijk zijn”.7 Ook geeft de staatssecretaris van Financiën in hetzelfde Kamerstuk aan dat zodra het meenemen van pensioenrechten meer algemeen mogelijk wordt, een heroverweging van het OESO-modelverdrag zal worden geëntameerd. Naar mijn weten is dat op de manier zoals hiervoor beschreven nooit gebeurd.
Op 30 juli 1994 is het verdrag met Canada gewijzigd.8 De wijzigingen hadden tevens betrekking op pensioen. Zo is het onderscheid tussen overheidspensioen en particulierpensioen weer komen te vervallen. De achtergrond van deze wijziging is dat in het verdrag vóór 1987 het onderscheid evenmin voorkwam. Bij de introductie in 1987 voorzag het parlement problemen voor inwoners van Canada met een overheidspensioen uit Nederland. Zij zouden immers belasting moeten betalen in Nederland terwijl dat voorheen niet het geval was. De staatssecretaris kondigde begunstigend beleid aan.9 Dat begunstigend beleid bleek echter dermate complex, dat het in 1987 geïntroduceerde onderscheid tussen belastingheffing over overheidspensioen en particulierpensioen in 1993 al weer werd opgeheven. “Door Nederland is deze gelegenheid dan ook aangegrepen om te trachten een verregaande vereenvoudiging in de fiscale behandeling van alle pensioenen en sociale zekerheidsuitkeringen te bewerkstelligen. Op voorstel van Nederland wordt de belastingheffing in alle gevallen van periodieke betaling van pensioenen en sociale zekerheidsuitkeringen beperkt tot 15% van het bruto bedrag van het pensioen of de uitkering. De beperking van de Nederlandse belastingheffing tot 15% van het bruto bedrag van de uitkeringen en pensioenen moet gezien worden tegen de achtergrond van de omstandigheid dat ingevolge de Nederlandse nationale wetgeving die inkomsten, als zij worden betaald aan inwoners van Canada, in veel gevallen slechts worden belast tegen een tarief van 13%. Daardoor komt ook nu de door Nederland geheven belasting in veel gevallen niet uit boven het tarief van 15% dat ingevolge artikel 18 van het Verdrag op dit moment geldt voor alle particuliere pensioenen en overheidspensioenen die worden betaald aan inwoners van Canada die de Canadese nationaliteit bezitten. Opgemerkt zij dat via een redactionele aanpassing van artikel 18 tevens is bewerkstelligd dat voortaan alle uitkeringen krachtens de sociale zekerheidswetgeving onder de bepalingen van artikel 18 vallen; hiermee is het onderscheid dat op grond van het hiervoor vermelde arrest van de Hoge Raad moest worden gemaakt voor de toedeling van de heffingsbevoegdheid vervallen (onderdeel A).”10
Zoals aangegeven in hoofdstuk 4, is een gedeelte bron- en woonlandheffing over pensioenuitkeringen een methode die recht doet aan zowel de belangen van het bronland als het woonland. Ook is deze methode fiscaaltheoretisch beter verdedigbaar dan een exclusieve bronlandheffing dan wel een exclusieve woonlandheffing. In hoofdstuk 6 en verder wordt overigens nader ingegaan op het onderscheid in belastingheffing over particulierpensioen en overheidspensioen.