Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/5.4.3.2
5.4.3.2 Nederland
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291379:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 23 oktober 1991, nr. 27.053, BNB 1992/44, m.nt. Ploeger, r.o. 3.4.
De Hoge Raad heeft hiervoor ook de term ‘fysiek gescheiden (bouw)werken’ gebruikt (HR 14 oktober 2005, nr. 41.015, BNB 2006/65, m.nt. Van der Paardt, r.o. 3.4 en HR 25 april 2008, nr. 14.798, BNB 2008/181, m.nt. Bijl, r.o. 4.4).
HR 16 juni 2017, nr. 16/03358, BNB 2017/169, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 3.3.2.
Bijl heeft er in zijn noot bij HR 4 oktober 2013, nr. 12/03696, BNB 2013/243 terecht op gewezen dat uit HR 8 maart 2013, nr. 12/02061, BNB 2013/110, m.nt. Van Zadelhoff is af te leiden dat het begrip ‘gedeelte van een gebouw’ geen betrekking heeft op onzelfstandige delen van een gebouw, terwijl de Hoge Raad in zijn arrest van 4 oktober 2013, nr. 12/03696, BNB 2013/243 een kantoor- en archiefruimte in een woning aanmerkt als ‘onzelfstandige gedeelten van een gebouw’. Dat de Hoge Raad het begrip ‘gedeelte van een gebouw’ niet altijd zuiver hanteert, blijkt ook uit zijn arrest van 11 februari 1998, nr. 33 031, BNB 1998/151, r.o. 3.2.2 waarin hij de tribune van het Oosterparkstadion aangemerkt als ‘de aanbouw van een onzelfstandig gedeelte van het bestaande stadion’.
HR 8 maart 2013, nr. 12/02061, BNB 2013/110, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 3.3.2.
Voor horizontale splitsing van de eigendom blijkt dit uit art. 5:106 lid 4 BW (voorheen: boek III, art. 875a lid 3 oud-BW) op grond waarvan een appartementsrecht een aandeel is in een gebouw dat de bevoegdheid omvat tot het uitsluitende gebruik van een bepaalde gedeelte van een gebouw dat blijkens zijn inrichting bestemd is of wordt om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Voor verticale splitsing van de eigendom is op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad vereist dat sprake is van twee onafhankelijk van elkaar te gebruiken bouwsels, die weliswaar aan een eigenaar toebehoren maar zich naar verkeersopvatting lenen voor verticale splitsing door overdracht van de eigendom als afzonderlijke gebouwen. Aan de overdracht als afzonderlijk gebouw staat de fysieke verbondenheid van de bouwsels niet in de weg (HR 29 mei 1985, nr. 22.739, BNB 1985/234, m.nt. Den Boer, HR 29 april 1998, nr. 31.367, BNB 1998/215, m.nt. Zwemmer, HR 27 januari 2006, nr. 40.315, BNB 2006/22, m.nt. Van Leijenhorst, HR 17 november 2006, nr. 41.485, BNB 2007/48, m.nt. Van Leijenhorst en - na verwijzing in HR 15 februari 2008, nr. 41.036, BNB 2008/138 m.nt. Van Leijenhorst - Hof Arnhem 30 juni 2009, nr. 08/00081, ECLI:NL:GHARN:2009:BJ2155).
HR 16 juni 2017, nr. 16/03358, BNB 2017/169, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 3.3.2. Dit arrest vormt een explicitering van HR 8 maart 2013, nr. 12/02061, BNB 2013/110, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 3.3.2 waarin werd geoordeeld dat bij de horizontale of verticale splitsing van een gebouw sprake is van een afzonderlijk in aanmerking te nemen van een gedeelte van een gebouw.
In HR 8 maart 2013, nr. 12/02061, BNB 2013/110, m.nt. Van Zadelhoff lijkt alleen het gedeelte van de winkel dat zich onder de wooneenheden bevindt te zijn ‘gegoten’ in een appartementsrecht en de rest van de winkelruimte niet. Niettemin merkt de Hoge Raad in r.o. 3.3.3 de (gehele) winkel, zijnde de zelfstandig te gebruiken ruimte, aan als een gedeelte van een gebouw.
De opvatting dat door een splitsing in appartementsrechten delen van een gebouw verzelfstandigd kunnen worden is derhalve niet juist. Voor die opvatting zie: B.G. van Zadelhoff, ‘Zelfstandig in aanmerking te nemen (gedeelte van een) gebouw’, FBN 2003/9-56 en J.C. van Straaten, ‘Bouwen en slopen: Is er iets vervaardigd en, zo ja, wat dan?’, WPNR 2004/6599, p. 923. Niet de splitsing, maar de vatbaarheid voor splitsing in appartementsrechten (lees: het zelfstandig kunnen gebruiken van de delen van een gebouw) is beslissend.
Hof Amsterdam 8 februari 1986, nr. 41/83, BNB 1986/331. De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen deze uitspraak geen cassatieberoep ingesteld, omdat het hof terecht beslissende betekenis heeft toegekend aan het feit dat acht units, waarvan er drie zijn verhuurd, zijn ontworpen en bestemd om als afzonderlijke en zelfstandige gedeelten van het onroerend goed te worden gebruikt. Hij verwijst hierbij naar art. 875a lid 3 oud BW (van boek III). De Staatssecretaris van Financiën is kennelijk van mening dat de vraag of een gedeelte van een onroerend goed zelfstandig is in wezen gelijk is aan de vraag of ter zake van dit gedeelte een appartementsrecht gevestigd kan worden (brief Staatssecretaris van Financiën van 14 mei 1985, nr. 285-5405, opgenomen na de uitspraak van Hof Amsterdam in BNB 1986/331). Deze uitspraak betrof de overdrachtsbelasting, maar het door het hof gehanteerde civielrechtelijke zelfstandigheidscriterium komt naar mijn mening op hetzelfde neer als het (nadien ontwikkelde) zelfstandigheidscriterium in de btw.
Hof Arnhem 24 december 2003, nr. 03/0811, V-N 2004/7.1.2. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep tegen deze uitspraak - onder verwijzing naar art. 81 Wet RO - zonder nadere motivering verworpen (HR 22 april 2005, nr. 40.448, V-N 2005/40.9).
Hof ’s Hertogenbosch 15 augustus 2003, nr. 00/2319, V-N 2003/60.18.
Hof ’s Hertogenbosch 28 oktober 2011, nr. 11/00325, V-N 2012/12.27.23.
Hof ’s Hertogenbosch 3 september 2010, nr. 09/00095, V-N 2012/34.19.13.
Hof ’s Hertogenbosch 12 juli 2013, nr. 12/00639, V-N 2013/54.19.7.
HR 8 maart 2013, nr. 12/02061, BNB 2013/110, m.nt. Van Zadelhoff.
HR 23 oktober 1991, nr. 27.053, BNB 1992/44, m.nt. Ploeger.
Hof Leeuwarden 15 februari 2011, nr. 10/00109, NTFR 2011/531, met commentaar Blank. In deze zaak ging het om een kantoorruimte in een woning zonder eigen ingang, keuken(blok) en nutsvoorzieningen. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep tegen deze uitspraak onder verwijzing naar art. 81 Wet RO zonder nadere motivering verworpen (HR 25 mei 2012, nr. 11/01427, V-N 2012/40.1.5).
Hof Amsterdam 2 augustus 2002, nr. 01/00351, Notamail 2003, nr. 84. De opbouw van een verdieping op een bestaand gebouw ontbeerde naar het oordeel van het hof zelfstandigheid, omdat de opbouw qua aanwendingsmogelijkheden onderdeel uitmaakt van de rest van het gebouw. De opbouw was alleen via centrale ingang en trappenhuis bereikbaar en had geen eigen nutsvoorzieningen.
Hoewel het in HR 11 februari 1998, nr. 33 031, BNB 1998/151 ging om de zelfstandigheid van een fysiek gescheiden bouwwerk, een tribune die niet door toegangen met de rest van het stadion van FC Groningen was verbonden, is uit dit ‘Oosterparkstadion-arrest’ wel af te leiden dat de Hoge Raad voor de zelfstandigheid van dit bouwwerk niet beslissend acht dat deze tribune beschikte over een eigen toegang. Ook in de lagere jurisprudentie wordt een meer omvattende ‘zelfstandigheidstoets’ aangelegd dan een eigen (in- of uitpandige) toegang. Zie: Hof ’s Hertogenbosch 15 augustus 2003, nr. 00/2319, V-N 2003/60.18 (zelfstandigheid aan woning gebouwde fysiopraktijkruimte die als één geheel, los van de woning, kan worden gebruikt en ook wordt gebruikt, een eigen ingang heeft en voor wat gebruik, bouw en inrichting betreft geen feitelijke samenhang kent met de woning), Hof Arnhem 24 december 2003, nr. 03/0811, V-N 2004/7.1.2 (zelfstandigheid nieuw voorgedeelte gebouw met een eigen ingang, beschikt over alle voor het gebruik als kantoor benodigde voorzieningen, naar aard en inrichting een eigen functie heeft en zelfstandig kan worden geëxploiteerd) Hof ’s Hertogenbosch 20 september 2005, nr. 03/1719, V-N 2006/9.23 (zelfstandigheid nieuwe championcellen die afzonderlijk kunnen worden geëxploiteerd van oude championcellen en waarvan de temperatuur en de vochtigheidsgraad per afzonderlijke cel geregeld kan worden, maar waarbij alle cellen gebruikmaken van dezelfde aansluitingen en installaties en met betrekking tot alle cellen gebruik gemaakt wordt van dezelfde koelruimte, wasruimte en kantine), Hof ’s Hertogenbosch 3 september 2010, nr. 09/00095, V-N 2012/34.19.13 (zelfstandigheid biggenstal met een eigen ingang, ventilatiesysteem, mestputten en rioleringssysteem, een aparte groep voor de biggenstal in de gezamenlijke meterkast en een aparte regelaar voor de biggenstal in de gezamenlijke verwarmingsinstallatie), Hof Leeuwarden 15 februari 2011, nr. 10/00109, NTFR 2011/531, met commentaar Blank (kantoorruimte in woning zonder eigen ingang, keuken(blok), en nutsvoorzieningen is niet zelfstandig), Hof ’s Hertogenbosch 28 oktober 2011, nr. 11/00325, V-N 2012/12.27.23 (zelfstandigheid aan woning gebouwde fotostudio met eigen ingang en keuken, maar zonder eigen nutsvoorzieningen) en Hof ’s Hertogenbosch 12 juli 2013, nr. 12/00639, V-N 2013/54.19.7 (zelfstandigheid aan ligboxenstal gebouwde open-luifel-stal met eigen voedersysteem, nutsvoorzieningen en mestafvoersysteem). De Hoge Raad heeft het cassatieberoep tegen voormelde uitspraak van Hof Leeuwarden onder verwijzing naar art. 81 Wet RO zonder nadere motivering verworpen (HR 25 mei 2012, nr. 11/01427, V-N 2012/40.1.5).
Besluit Staatssecretaris van Financiën van 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M, V-N 2013/54.15, paragraaf 3.2.1.
Voor de vraag of sprake is van een afzonderlijk in aanmerking te nemen (gedeelte van een) onroerend goed, zoals een gebouw, acht de Hoge Raad sinds het ‘Noodtrappenhuis-arrest’ beslissend of het zelfstandig kan worden gebruikt.1 Uit het onderscheid tussen niet met elkaar verbonden onroerende goederen2 enerzijds en fysiek verbonden, maar juridisch of fysiek te onderscheiden onroerende goederen anderzijds3, is af te leiden dat het begrip ‘gedeelte van een gebouw’ naar het oordeel van de Hoge Raad betrekking heeft op een juridisch of fysiek te onderscheiden deel van een gebouw dat afzonderlijk wordt of kan worden gebruikt.4 Van een juridisch te onderscheiden deel van een gebouw is naar het oordeel van de Hoge Raad sprake bij een gebouw dat horizontaal (appartementsrechten) of verticaal (bijv. een recht van vruchtgebruik op een gedeelte van een woning) is gesplitst.5 Een afzonderlijk in aanmerking te nemen deel van een gebouw dat juridisch niet, maar fysiek wel te onderscheiden is, is naar mijn mening een deel van een gebouw dat zich (door horizontale of verticale splitsing) leent voor juridische onderscheiding. Voor een dergelijke juridische onderscheiding is in Nederland op grond van het civiele recht namelijk vereist dat dit gedeelte afzonderlijk kan worden gebruikt.6 Dit roept de vraag op waarom de Hoge Raad ook bij juridisch te onderscheiden deel van een gebouw eist dat het afzonderlijk kan worden gebruikt.7 Is dat overbodig? Naar mijn mening niet. Het is niet ondenkbaar dat delen van gebouw door horizontale of verticale splitsing juridisch onderscheiden zijn, terwijl deze delen zich niet lenen voor zelfstandig gebruik.8 Doordat de Hoge Raad een juridisch te onderscheiden gedeelte van een gebouw voor de btw slechts afzonderlijk in aanmerking neemt indien het afzonderlijk wordt of kan worden gebruikt, is het uitgesloten dat door horizontale of verticale splitsing delen van een gebouw worden verzelfstandigd die zich niet fysiek niet voor zelfstandig gebruik lenen.9
Het voorgaande betekent dat beslissend is of het juridisch of fysiek te onderscheiden deel van een gebouw zich leent voor zelfstandig gebruik. Of dit het geval is, dient aan de hand van de omstandigheden van het geval te worden beoordeeld. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Nederlandse jurisprudentie inzake de (on)zelfstandigheid van delen van een gebouw een sterk casuïstisch karakter heeft. Voorbeelden van gedeelten van een gebouw zijn: units in een bedrijfshal10, een voorgedeelte van een gebouw dat los van het achtergedeelte van het gebouw kan worden gebruikt11, een aan een woning gebouwde fysiopraktijkruimte12, een aan een woning gebouwde fotostudio13, een biggenstal14, een ligboxenstal15 en een winkelruimte in een gebouw dat horizontaal gesplitst is in vijf appartementsrechten (vier woonappartementen en de winkelruimte die zich daaronder bevindt)16. Voorbeelden van onzelfstandige delen van een gebouw zijn: een noodtrappenhuis aan een (kantoor)gebouw17, een kantoorruimte in een woning18 en de opbouw van een verdieping op een bestaand gebouw19. Omdat het (on)zelfstandigheidsoordeel in voormelde zaken gebaseerd is op de in die zaken aan de orde zijnde feitelijke situatie, is het moeilijk om uit deze jurisprudentie een of meerdere algemene regels af te leiden. Niettemin kan uit deze jurisprudentie wel worden afgeleid dat voor zelfstandigheid van een deel van een gebouw met een verblijfsfunctie, zoals een woning, kantoorgebouw of bedrijfsgebouw, ten minste vereist is dat het betreffende deel beschikt over een eigen (in- of uitpandige) ingang. Daarnaast is uit de ‘(on)zelfstandigheidsjurisprudentie’ af te leiden dat een eigen toegang niet volstaat om zelfstandigheid van een deel van een gebouw met een verblijfsfunctie aan te nemen. Hiervoor is meer nodig, zoals eigen nutsvoorzieningen, eigen sanitaire voorzieningen en/of een eigen functie.20 Dat de Staatssecretaris van Financiën in zijn beleid een eigen (in- of uitpandige) toegang beslissend acht voor het al dan niet zelfstandig kunnen gebruiken, acht ik dan ook een te ruime uitleg van het (unie)begrip ‘gedeelte van een gebouw’.21 Een gedeelte van een gebouw moet zich immers lenen voor afzonderlijke overdraagbaarheid (zie paragraaf 5.4.3.1).