Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/6.5.1.3:6.5.1.3 Vormvoorschrift als potestatieve voorwaarde
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/6.5.1.3
6.5.1.3 Vormvoorschrift als potestatieve voorwaarde
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS305450:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met dit exposé rijst ook de vraag in hoeverre het overeenkomen van vormvereisten waaraan uitsluitend invulling kan worden gegeven door de wil van één van partijen of beide partijen (hetgeen uiteindelijk natuurlijk op hetzelfde neerkomt) moeten worden gezien als een (zuivere) potestatieve voorwaarde die maakt dat, wat verder van de kwalificatievraag met betrekking tot deze voorwaarden ook zij, zij in elk geval niet (tevens) kunnen worden gezien als opschortende voorwaarden in de zin van art. 6:21 BW. Of er immers een handtekening wordt gezet, is een omstandigheid die in beginsel enkel en alleen afhangt van de wil van de partij die het betreffende voorbehoud heeft gemaakt. Dat ook de onderhandelingspartner onder omstandigheden kan weigeren zijn handtekening te plaatsen om op die manier zelf te ontkomen aan gebondenheid, doet daar naar mijn smaak niet aan af. Een legitimatie van een dergelijk voorbehoud als opschortende voorwaarde in die zin dat er geen sprake is van willekeur doordat er bepaalde omstandigheden kunnen ontstaan die ertoe leiden dat iemand zijn wil op een bepaalde wijze vormt en er zo toe wordt gebracht een voorwaarde al dan niet te vervullen, lijkt mij bij een dergelijk "subject to signature"-voorbehoud niet goed denkbaar. Zou daarentegen het "subject to signature"-voorbehoud" gekoppeld zijn geweest aan bijv. het "inpasbaar" zijn van de beoogde overeenkomst in de financiële situatie van de partij die het voorbehoud heeft gemaakt of zou een dergelijke verwevenheid tussen het "subject to signature"-voorbehoud en een andere niet louter van de wil van de betreffende partij afhankelijke omstandigheid uit bijv. de onderliggende correspondentie te herleiden zijn, dan meen ik dat de situatie anders zou kunnen komen te liggen.
Ik wijs hierop omdat in de praktijk het doorgaans geenszins de bedoeling zal zijn van een onderhandelende partij die een "subject to signature"-voorbehoud maakt, om het ontstaan van een verbintenis louter van zijn eigen wil afhankelijk te laten zijn. Naar ik meen zal het vaak juist de bedoeling zijn om via het "subject to signature"-voorbehoud een mogelijkheid te creëren om het ontstaan van een verbintenis te voorkomen in gevallen waarin het ontstaan van een dergelijke verbintenis in verband met één of meer van de wil van de betreffende partij onafhankelijke omstandigheden, niet langer wenselijk is. Vallen die andere omstandigheden te reconstrueren, dan zal van een potestatieve voorwaarde geen sprake (meer) zijn en kan men het betreffende voorbehoud juridisch (ook) kwalificeren als een opschortende voorwaarde. Zo niet, dan rest, met betrekking tot dergelijke voorbehouden, de juridische kwalificatie als vormvereiste.